-A +A

Erkenning van schuld door betaling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
don, 18/02/2016

arrest dat uitspraak doet over het hoger beroep tegen Kh. Antwerpen, afd. Antwerpen 13 november 2014, RW 2016-17, 434.

 

Door het betalen van een deel van de aangerekende stallingskosten zonder voorbehoud werden de contractuele verplichting tot het betalen van stallingskosten erkend.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
951
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BVBA T.S. G.S. t/ L.J.

1. De antecedenten en de vorderingen

Op 5 september 2013 kwam een voertuig, een trekker met oplegger, eigendom van J.L., op de E34 ter hoogte van Vorselaar in de middenberm terecht en kantelde. Hierdoor scheurde de oplegger, gevuld met cement, gedeeltelijk open.

De federale politie heeft BVBA T.S. G.S. (hierna verkort “BVBA S.”) belast met de takeling van de trekker met oplegger. Zij sleepte het voertuig naar haar garage, waar het gestald werd.

De trekker werd reeds afgehaald en hiervoor werden de verschuldigde stallingskosten voldaan.

Huidige vordering betreft de facturen m.b.t. de stallingskosten van de oplegger.

Bij dagvaarding betekend op 3 maart 2014 vorderde BVBA S. betaling van de openstaande facturen, vermeerderd met een schadebeding en intresten.

Volgens haar syntheseconclusies vorderde zij van de h. L. betaling van 10.951,57 euro te vermeerderen met de conventionele interest aan 10% op de hoofdsom van 9.619,50 euro vanaf 1 augustus 2014 tot op de dag der definitieve betaling. Voorts vorderde zij de veroordeling van de h. L. tot het betalen van een stallingsvergoeding van 30,25 euro per dag, bedrag inclusief BTW, vanaf 1 augustus 2014 tot op de dag waarop verweerder de gestalde oplegger met cementlading zal hebben opgehaald of heeft doen ophalen.

De h. L. besloot tot de onontvankelijkheid minstens ongegrondheid van de vordering.

Met het bestreden vonnis van 13 november 2014 van de Rechtbank van Koophandel Antwerpen, afdeling Turnhout werd de vordering ontvankelijk en deels gegrond verklaard. De h. L. werd veroordeeld tot het betalen van de som van 1.978,81 euro, te vermeerderen met gerechtelijke interesten aan de wettelijke intrestvoet conform de wet van 2 augustus 2002 vanaf datum van dagvaarding tot de dag van de algehele betaling en tot het betalen van een bedrag van 197,88 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten aan de wettelijke rentevoet.

Door BVBA S. werd hoger beroep ingesteld met een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 29 januari 2015. Zij handhaaft haar integrale vordering. In syntheseconclusies heeft zij haar vordering aangepast en vordert zij betaling van een bedrag van 21.538 euro te vermeerderen met de conventionele interest aan 10% op de hoofdsom van 18.815,50 euro vanaf 1 juni 2015 tot op de dag van definitieve betaling. Voorts vordert zij veroordeling van de h. L. tot het betalen van een stallingsvergoeding van 30,25 euro per dag, bedrag inclusief BTW, vanaf 1 juni 2015 tot op de dag waarop de h. L. de gestalde oplegger met cementlading zal hebben opgehaald of heeft doen ophalen.

De h. L. besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Hij heeft incidenteel beroep aangetekend en vraagt de volledige afwijzing van de vordering als ongegrond en uiterst subsidiair de vordering te herleiden tot 1.978,81 euro, exclusief BTW.

2. Beoordeling

2.1. Krachtens art. 51.5 Wegverkeersreglement, ingevoerd bij KB van 27 april 2007, zorgt de bevoegde persoon ambtshalve voor de verplaatsing van de voertuigen wanneer dat voertuig de veiligheid of de vlotheid van het verkeer op autosnelwegen in het gedrang brengt en gebeurt het verplaatsen van het voertuig op risico en kosten van de bestuurder en de burgerlijke aansprakelijke persoon.

Ten onrechte voert de h. L. aan dat de kosten van het verplaatsen van het voertuig hem niet ten laste kunnen worden gelegd. In art. 51.5 van het Wegverkeersreglement wordt deze verplichting aan de bestuurder van het voertuig opgelegd.

Huidige vordering betreft echter niet het verplaatsen van het voertuig, maar de stalling en het onder toezicht houden ervan.

Uit de voorliggende stukken blijkt dat de h. L. de factuur voor het stallen en onder toezicht houden van de trekker heeft voldaan. Het is hierbij niet van belang dat deze kosten die aan hem werden gefactureerd door een derde zouden zijn betaald. Alleszins blijkt hieruit dat hij door het doen betalen van het aangerekende bedrag de verschuldigdheid ervan erkent.

Ten onrechte betwist de h. L. zijn contractuele gehoudenheid tot het betalen van stallingskosten. Door het betalen van een deel van de aangerekende stallingskosten zonder voorbehoud heeft hij zijn contractuele verplichting tot het betalen van stallingskosten erkend. Hij kan thans niet aanvoeren dat hij geen stallingskosten m.b.t. de oplegger is verschuldigd, terwijl die voor de trekker werden betaald. Er is derhalve geen sprake van bewaargeving uit noodzaak, maar wel van een contractuele relatie tussen partijen.

Bovendien blijkt uit een brief van zijn verzekeraar van 3 oktober 2013 dat de h. L. op de hoogte was van het gegeven dat de stallingskosten van de oplegger te zijnen laste waren.

De beweerde verkoop van de oplegger aan B. S. ontslaat de h. L. niet van de verplichting om de stallingskosten ten aanzien van de BVBA S. te betalen.

2.2. De h. L. beweert de ingevorderde facturen en de ingebrekestellingen niet te hebben ontvangen.

BVBA S. voert aan de facturen per post te hebben verstuurd en op 22 januari 2014 per e-mail een herinnering te hebben gestuurd.

Op 27 januari 2014 werd de h. L. in gebreke gesteld bij brief van de raadsman van BVBA S. Ook deze brief ontkent de h. L. te hebben ontvangen.

Ter staving van verzending en ontvangst van de facturen lengt BVBA S. een uittreksel uit haar boekhouding voor m.b.t. de jaren 2013 en 2014. Bovendien toont zij ook aan dat alleszins de facturen en de ingebrekestelling door haar raadsman aan het correcte adres van de h. L. werden geadresseerd.

Dat de eerste aanmaning van 22 januari 2014 door de h. L. werd ontvangen, is niet bewezen, omdat hij aantoont dat hij een ander e-mailadres gebruikt.

De verzending en ontvangst van deze facturen te zijner tijd wordt op basis van deze stukken vermoed te hebben plaatsgevonden en het tegenbewijs wordt door de h. L. niet geleverd.

2.3. De facturen werden niet geprotesteerd en worden vermoed te zijn aanvaard. Het tegenbewijs wordt niet geleverd.

Daar de factuur door de h. L. werd aanvaard, wordt ook zijn aanvaarding vastgesteld dat hij het gevorderde aan BVBA S. verschuldigd is.

Ook de algemene voorwaarden, die de toepassing van interesten wegens laattijdige betaling overeenkomstig de intrestvoet van de Wet Bestrijding Betalingsachterstand bij handelstransacties bedingen evenals een schadebeding van 10%, zijn van toepassing wegens de verwijzing ernaar op de facturen.

2.4. Het hof stelt vast – hetgeen ter zitting werd bevestigd – dat de oplegger nog steeds bij BVBA S. gestald staat.

De h. L. heeft ondanks de veroordeling tot betalen – uitvoerbaar bij voorraad – geen enkele maatregel genomen tot beperking van de oplopende kosten, noch heeft hij stappen ondernomen jegens de beweerde koper.

Ook voor de periode waarvoor geen facturen werden uitgeschreven, zijn onder dezelfde voorwaarden stallingskosten verschuldigd, met dien verstande dat hierop de wettelijke interesten worden toegepast, zoals blijkt uit de afrekening van BVBA S.

...

Noot: 

Art. 2244 B.W. bepaalt dat een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting vormen. Buiten de zich te dezen niet voordoende gevallen van hoofdelijkheid en ondeelbaarheid en tenzij de wet anders bepaalt, heeft de stuiting van de verjaring die het gevolg is van één van deze daden, enkel gevolgen voor de personen die daarbij partij zijn geweest en komt de door één van de schuldeisers verkregen verjaring derhalve de andere schuldeisers niet ten goede.

Indien de betaling niet op vrijwillige basis gebeurt, maar het gevolg is van een gedwongen uitvoering, is er geen sprake van een stuitende schulderkenning. (Arbh. Brussel 28 juni 2012, JTT 2012) Een vrijwillige betaling onder de loutere dreiging van uitvoeringsmaatregelen volstaat daarentegen niet om het vrijwillig en dus stuitend karakter van de betalingen weg te nemen. (Gent 16 oktober 2012, P&B 2013, 83) Centraal staat bijgevolg telkens de vraag in welke omstandigheden de betaling is gebeurd, en een schuldenaar die wil vermijden dat een (gedeeltelijke) betaling als een stuitende schulderkenning zal gelden, dient een dergelijke betaling steeds te laten vergezellen van zijn ondubbelzinnig voorbehoud om het verschuldigde karakter ervan te betwisten. (M. DE Ruysscher, Burgerlijke stuiting van de bevrijdende verjaring, een stand van zaken, RW 2013-2014, 843).

Het cassatiearrest van 22/06/2017, gaat een stap verder en stelt dat de loutere erkenning van de schuld, geen afstand van verjaring inhoudt.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 10/03/2017 - 13:55
Laatst aangepast op: vr, 10/03/2017 - 14:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.