-A +A

Ereloonstaten en toepasselijkheid wet bestrijding betalingsachterstand bij handelstransacties

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Tongeren
Datum van de uitspraak: 
maa, 14/11/2011

In handelszaken dienen kosten- en ereloonstaten van een advocaat als aanvaard te worden beschouwd bij gebrek aan betwisting.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
1521
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

L. t/ BVBA V.I.G.

...

Mr. L. trad in het verleden op als juridisch raadsman van de BVBA V.I.G. in een aantal dossiers.

Volgens mr. L. werden een aantal van zijn kosten- en ereloonstaten, ondanks het feit dat ze nooit betwist werden, niet betaald, en dit ondanks een aanmaning op 21 oktober 2010.

...

1. Mr. L. argumenteert dat zijn kosten- en ereloonstaten nooit werden betwist, zodat ze als aanvaard en dus als verschuldigd mogen worden beschouwd, aangezien van een handelaar verwacht mag worden dat die tijdig en schriftelijk reageert wanneer hij het niet eens is met bepaalde aanspraken die tegen hem worden geformuleerd.

...

In handelszaken wordt, omwille van een vlot en efficiënt handelsverkeer, algemeen aangenomen dat op een handelaar de verplichting rust om op brieven te reageren wanneer niet wordt ingestemd met de inhoud ervan, zeker wanneer in die brieven aanspraken worden geformuleerd. Het niet reageren bij ontvangst van een brief geldt dan als vermoeden van aanvaarding.

Aangezien in een factuur het bestaan van een verbintenis wordt geponeerd, is deze verplichting nog prangender. Er wordt dan ook aanvaard dat het niet protesteren van een factuur het vermoeden oplevert dat de koper-handelaar het met de factuur en haar bepalingen eens is. Een kosten- en ereloonstaat van een advocaat dient als een factuur te worden beschouwd voor wat deze principes betreft.

De kosten- en ereloonstaten dienen dan ook als aanvaard te worden beschouwd.

2. De vraag is of de wet van 2 augustus 2002 inzake de betalingsachterstand, waarop mr. L. zich beroept voor de interestvoet en de relevante invorderingskost, bij handelstransacties in deze zaak wel van toepassing is.

Deze wet is van toepassing op handelstransacties tussen ondernemingen of tussen ondernemingen of aanbestedende diensten, die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding (zoals transacties met roerende en onroerende goederen, lichamelijke en onlichamelijke goederen, koop, huur, recht van opstal of erfpacht, lening, aanneming, leasing en factoring).

Een onderneming in de zin van de wet is elke organisatie die handelt in het raam van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook wanneer deze slechts door één persoon wordt uitgeoefend (art. 2.2 van de wet van 2 augustus 2002). Door de ruime invulling van het begrip onderneming zal de wet van toepassing zijn van zodra de beide partijen aan de overeenkomst waaruit de factuur voortvloeit, beide optreden in het raam van hun beroepswerkzaamheden. Deze partijen kunnen de klassieke handelaars zijn, vrije beroepsbeoefenaren (zoals advocaten, artsen, architecten), ambachtslieden, landbouwondernemingen, de non-profit-sector (vzw’s) of overheidsinstanties. Het kan zowel gaan om natuurlijke personen als rechtspersonen. Tussen twee overheidsinstanties vindt de wet geen toepassing, en evenmin tussen een onderneming en een persoon die louter te privaten titel handelt (I. Samoy, “De factuur en de wet betalingsachterstand handelstransacties” in G.L. Ballon en I. Samoy (eds.), De factuur en verwante documenten, Brugge, Vanden Broele, 2008, p. 138, nr. 145).

Een advocaat kan zich derhalve op deze wet beroepen voor wat betreft zijn kosten- en ereloonstaten, gericht aan een onderneming in de zin van de wet van 2 augustus 2002.

De toepasselijkheid van deze wet impliceert echter dat geen rechtsplegingsvergoeding kan worden toegekend. De vergoeding voor de relevante invorderingskosten is niet cumuleerbaar met de rechtsplegingsvergoeding. Art. 6 doet echter, zoals hierboven reeds gezegd, geen afbreuk aan het recht op vergoeding van de gerechtskosten, overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek (K. Van Kildonck, “Verhaalbaarheid advocatenhonorarium”, NJW 2005, 189, nr. 35; K. Maenhout, “Verhaalbaarheid van erelonen en kosten van advocaten inzake handelstransacties na de wet van 2 augustus 2002”, RW 2002-03, 614; V. Sagaert en I. Samoy, “De wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties. Een verwittigd wanbetaler is er twee waard...”, RW 2002-03, 329).

3. Een verzending naar de taxatiecommissie bij de balie te Tongeren komt niet raadzaam voor.

De rechtbank kan een zaak niet verzenden naar de balie, aangezien de rechtbank enkel een zaak kan verzenden naar een andere rechtbank indien zij onbevoegd is, en de balie is geen rechtbank.

Er bestaat een gebruik een advies te vragen, of door beide partijen te doen vragen, aan de Raad van de Orde in geval van betwisting van een staat van kosten en erelonen van een advocaat, hoewel de rechtspraak erover akkoord gaat dat het hier enkel om een mogelijkheid gaat voor de rechter, die vrij de opportuniteit ervan beoordeelt en geenszins verplicht is er rekening mee te houden (Luik 5 februari 1999, JLMB 1999, 931, JT 1999, 292; Gent 21 januari 2000, TWVR 2000, 146, noot Stevens). Dit gebruik staat onder druk (Vred. Sint-Gillis 14 juni 1999, T.Vred. 2001, 14; H. Lanon, De advocaat in de 21ste eeuw: een ondernemer?, Orde van advocaten van Hasselt en Tongeren, p. 50).

De gewoonte om advies in te winnen wordt beschouwd als afkeurenswaardig in zoverre ze een feitelijk jurisdictioneel privilege invoert ten gunste van de corporatie van advocaten (E. Brewaeys, “De advocatuur in het geding”, Juristenkrant nr. 26, 27 maart 2001, 10). Deze stelling brengt bepaalde rechtsleer ertoe om ervoor te pleiten om rechters niet meer te vragen advies in te winnen bij de Raad van de Orde, aangezien er vragen gesteld kunnen worden over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de Orde, omdat het advies verleend wordt volgens een procedure die niet volgens de regels van de gerechtelijke expertise verloopt (art. 962 e.v. Ger.W.), terwijl het toch die waarde schijnt te hebben (H. Lamon, De advocaat in de 21ste eeuw: een ondernemer?, p. 51). De vraag wordt gesteld of het in de huidige tijdsgeest nog wenselijk is dat de Orde van Advocaten zelf nog dergelijke adviezen uitbrengt (H. Lamon, Een advocaat in de spiegel, Brugge, die Keure 2004, 127).

In deze omstandigheden werd het verzoek tot verzending reeds afgewezen (Kh. Hasselt 25 februari 2004, inzake AR 04/619, onuitg.; Kh. Hasselt 23 maart 2005, inzake AR 05/91, onuitg.). De rechtbank sluit zich hierbij aan.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 17/04/2012 - 18:24
Laatst aangepast op: di, 17/04/2012 - 18:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.