-A +A

Ereloon advocaat verplichting tot tijdig protest door ondernemer

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
don, 22/09/2016

Een ereloonfactuur van een advocaat van 4 september 2014 gericht aan een ondernemer wordt laattijdig geprotesteerd wanneer het eerste protest geformuleerd wordt op 23 december 2014 naar aanleiding van een oproeping in verzoening.

Met een brief opgesteld door een opvolgende advocaat gedateerd van voor de ereloonstaat zelf, het weze op 1 september 2014 en met tekst "om de ereloonstaat aan de werkelijkheid te toetsen" kan geen rekening gehouden worden als geldig protest.

Het protest van 23/12/2014 is niet dienend bij gebreke aan opgave wat juist betwist wordt

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
227
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

S. t/ BVBA S.-H.

...

Beoordeling

1. Geïntimeerde is van oordeel dat de ereloonfactuur van 8 september 2014 tijdig werd geprotesteerd door middel van een brief van de opvolgend advocaat van 1 september 2014.

Voorts is geïntimeerde van oordeel dat appellant geen gedetailleerde afrekening voorlegt over de aangerekende uren, zodat de appellant zijn kosten- en ereloonstaat onvoldoende staaft.

Geïntimeerde meent voorts dat de berekening van het ereloon van de advocaat in overeenstemming dient te zijn met art. X.3.4.1 van de Codex Deontologie voor Advocaten en met art. 466ter Ger.W. Volgens geïntimeerde werd de staat van kosten en erelonen niet met billijke gematigdheid opgesteld, wegens de beperkte expertise van appellant in de betrokken procedure en gelet op het negatieve resultaat.

2. Appellant merkt terecht op dat beide partijen ondernemers zijn, zodat van hen verwacht wordt dat wanneer één van de partijen niet akkoord gaat met een factuur, op een korte en redelijke termijn gemotiveerd tegen deze factuur wordt geprotesteerd. De ereloonnota bij de factuur van 8 september 2014 opgesteld, gaat weliswaar uit van een niet-handelaar (maar wel ondernemer) en houdt een aanspraakbevestiging in ten aanzien van een ondernemer-handelaar. Op deze verhouding kan art. 25, tweede lid W. Kh. per analogie worden toegepast.

3. In casu ligt geen tijdig en gemotiveerd protest voor tegen de factuur van 8 september 2014.

Niet betwist wordt dat de factuur op of omstreeks 9 september 2014 ontvangen werd. De factuur bevatte een detail van de prestaties en de onkosten en was geïntimeerde bekend, omdat geïntimeerde rechtstreeks betrokken was bij de procedure.

Nadat appellant op 26 september 2014 het volledige dossier aan de opvolgend advocaat bezorgde, volgde evenmin protest. Pas naar aanleiding van de oproeping in verzoening betwistte geïntimeerde op 23 december 2014 voor het eerst de ereloonstaat. Dit protest is te laat geformuleerd.

Geïntimeerde verwijst voorts ten onrechte naar een brief van 1 september 2014 waarin de opvolgend raadsman aankondigde geraadpleegd te zijn «om de ereloonstaat aan de werkelijkheid te toetsen». Allereerst dateert deze vermeende protestbrief van vóór de factuur van 8 september 2014. Voorts wordt het protest niet inhoudelijk onderbouwd noch gespecificeerd. Met deze vermeende protestbrief kan evenmin een geldig en tijdig protest aangenomen worden.

4. Bovendien is het protest ongegrond, omdat geïntimeerde in haar protestbrief van 23 december 2014 niet aangeeft wat juist betwist wordt en er enkel een verwijzing naar de taxatiecommissie wordt gevraagd. Er ligt derhalve geen inhoudelijk gemotiveerd en concreet protest voor.

5. Appellant legt overigens een gedetailleerde afrekening voor en dit zowel wat de kosten als het ereloon betreft. Als ereloon rekent appellant 43 uren aan, op grond van een uurtarief van 125 euro per uur. Appellant heeft hiervoor prestaties verricht in een procedure in eerste aanleg en in hoger beroep en heeft de voorziening in cassatie mee begeleid. Voorts werd een deskundigenonderzoek gevolgd. De prestaties werden meer in detail uiteengezet. Appellant legt ook zijn volledige dossier van de procedure neer (...).

Er wordt weliswaar niet vermeld welke precieze tijd aan elke onderscheiden prestatie is besteed, wat voor het hof de controle bemoeilijkt of de aangerekende som in overeenstemming is met de gedane prestaties. Het opgegeven detail en de omvang van de prestaties geven echter aan dat het dossier arbeidsintensief is geweest. Er bestaat geen reden om appellant te bevelen een gedetailleerd overzicht van de door hem geleverde prestaties en de daarvoor aangerekende uren bij te brengen. Het hof acht zich voldoende geïnformeerd op grond van de voorliggende stukken.

6. Geïntimeerde betoogt voorts ten onrechte dat de berekening van het ereloon van de advocaat niet in overeenstemming is met art. X.3.4.1 van de Codex Deontologie voor Advocaten en met art. 466ter Ger.W.

Art. X.3.4.1 Codex Deontologie voor Advocaten luidt als volgt: «De advocaat moet de cliënt de nodige inlichtingen geven met betrekking tot het gevraagde honorarium en het bedrag ervan dient billijk en gerechtvaardigd te zijn met de wet en de beroeps- en gedragsregels waaraan de advocaat onderworpen is.»

Art. 446ter Ger.W. luidt als volgt: «De advocaten begroten hun ereloon met de bescheidenheid die van hun functie moet worden verwacht.»

Zoals in randnr. 5 uiteengezet, heeft appellant heel wat prestaties verricht. Het enkele feit dat het resultaat negatief was, rechtvaardigt geen herleiding van de ereloonstaat, omdat deze, rekening houdende hiermee, reeds met billijke gematigdheid werd opgesteld.

Het geschil, voorwerp van de ereloonfactuur, betrof de invordering van een saldo van een rekening-courant en was niet uitermate complex, hoewel arbeidsintensief. Dat appellant hieromtrent slechts een beperkte expertise had, wordt niet bewezen.

7. Er bestaat, gelet op het bovenstaande, geen reden om een taxatie door de taxatiecommissie bij de orde van advocaten aan te vragen noch om de aanstelling van een gerechtsdeskundige te bevelen.

8. Het ereloon dat door appellant werd aangerekend kan worden behouden.

Het hoger beroep is in die zin gegrond. De eerste rechter kende ten onrechte slechts een provisioneel bedrag toe. Het vonnis wordt in die zin hervormd.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 02/10/2017 - 17:34
Laatst aangepast op: ma, 02/10/2017 - 17:34

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.