-A +A

Ereloon advocaat partijbeslissing met marginaal toetsingsrecht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
maa, 11/06/2012

Het werk van een advocaat maakt aanneming van werk of diensten uit. Behoudens ereloonovereenkomst is dit een aanneming in vrije rekening waarbij het ereloon wordt bepaald door de advocaat bij partijbeslissing conform de gebruikelijke tarieven voor dergelijke prestaties en ondermeer rekening houdende met zijn specialisaties. De cliënt heeft een controlerecht. Enkel buitesporige afrekeningen kan de rechter verminderen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2012-2013
Pagina: 
147
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

H. Van H. t/ CVBA J.

I. De procedure

1. In deze zaak oordeelt het hof over het hoger beroep ingesteld tegen een vonnis gewezen na tegenspraak door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel op 19 april 2010 (...).

II. De feiten

5. De heer H. Van H., hierna aangeduid als “de heer HVH”, is beter bekend onder zijn artiestennaam “P.”. Mevrouw E.H. is zijn echtgenote. Hierna worden zij samen aangeduid als “de echtgenoten HVH”.

In 2005 wensten de echtgenoten HVH de artiestennaam “P.” als merknaam te laten registreren. Zij hadden gemerkt dat de rechten van de heer HVH werden geschonden door een website die was ontwikkeld zonder zijn toestemming. Hij nam contact met het bureau “N.”, waarvoor mevrouw L.-A. J.-van W. optrad. Deze laatste voerde een EU-merkenonderzoek naar het voorkomen van “P.”.

Mevrouw J.-van W. heeft op een bepaald ogenblik aangeraden om desbetreffend juridisch advies in te winnen en heeft het advocatenkantoor J. aangeraden. Volgens de echtgenoten HVH zei mevrouw J.-van W. duidelijk dat een “kennismakingsgesprek” gratis zou zijn.

Vast staat dat op vrijdag 9 december 2005 er een bijeenkomst plaatsvond te Brakel, in de woning van de echtgenoten HVH. Waarom dit gesprek niet plaatsvond in het advocatenkantoor, blijft onbeantwoord in de conclusies van de partijen.

Op deze bijeenkomst waren aanwezig: de echtgenoten HVH, mevrouw J.-van W. en mr. P. van het advocatenkantoor J., hierna aangeduid als “het advocatenkantoor”.

Mevrouw J.-van W. omschrijft deze eerste bijeenkomst, net zoals de echtgenoten HVH, als een “kennismakingsgesprek”. Het advocatenkantoor heeft het over een “oriënterend gesprek”. Volgens de echtgenoten HVH duurde dit gesprek ongeveer anderhalf uur en werd er vrijblijvend gepraat over allerlei aspecten verbonden aan de registratie van een merknaam. Uit de later voorgelegde detailweergave van het advocatenkantoor blijkt dat voor dit oriënterend gesprek, inclusief de verplaatsing heen en weer, vijf uren prestatie werden aangerekend aan 250 euro per uur of in totaal 1.250 euro.

In een brief die mevrouw J.-van W. later, op 22 september 2006, richtte aan het advocatenkantoor getuigt zij dat tijdens het kennismakingsgesprek de volgende problemen aan de orde kwamen:

– de inbreuk op de intellectuele rechten van de heer HVH door een niet met zijn toestemming ontwikkelde website;

– de overdracht van domeinnamen;

– de mogelijke oprichting van een vzw in verband met het huis van de heer HVH in Antwerpen.

Volgens mevrouw J.-van W. wensten de echtgenoten HVH geholpen te worden door mr. P. met betrekking tot al deze problemen. Zij maakt geen melding van enige concrete financiële afspraak tussen de echtgenoten HVH en mr. P. Het advocatenkantoor beweert ook niet dat het tijdens dit eerste gesprek of kort daarna zou hebben meegedeeld hoe en op welke basis de te leveren prestaties in rekening zouden worden gebracht. Het staat bijgevolg vast dat er tussen de echtgenoten HVH en het advocatenkantoor geen financiële afspraak werd gemaakt, laat staan enige duidelijke.

6. Op maandag 12 december 2005 verstuurde mr. P. een e-mail naar E.H., waarin hij louter mededelingen deed: hij had een afspraak gemaakt met een derde, de heer M., om de oprichting van de vzw en de schenking van het huis in Antwerpen aan het M. te bespreken. Op te merken valt dat deze domeinen niet onder de specialisatie van mr. P. vallen. Voorts zou hij informatie verzamelen over de websites en de domeinnamen.

E.H. bedankte in een e-mail van dinsdag 13 december 2005 mr. P. voor zijn inzet.

In de weken en maanden nadien was er e-mailverkeer tussen mr. P. en de echtgenoten HVH. Dit e-mailverkeer was divers van aard. Kort samengevat kwam daarin het volgende aan bod:

– project van een brief aan een inbreukpleger;

– informatie in verband met de site “p.”;

– advies tot de oprichting van een bvba in plaats van een vzw;

– het nalezen van de ontwerpakte voor de oprichting van de vzw P. en de vragen hierover;

– de aanpassing van de statuten in het belang van de echtgenoten HVH;

– vragen over rechten en plichten in verband met de veiling van een aantal werken via “C.”;

– brieven in verband met de domeinnaam en de website (overdracht – ontwerp);

– het opvragen van een attest bij C.

Met een brief van 21 december 2005 deelde het advocatenkantoor twee memo’s mee:

– een memo van tien bladzijden over de “bescherming van het patrimonium van P.”;

– een memo van vier bladzijden waarin diverse problemen aan de orde werden gesteld die verband houden met de reeds opgerichte vzw, met de schenking van het “P.” aan het M. en met de NV A.

7. Op 10 februari 2006 verstuurde het advocatenkantoor een e-mail aan E.H. met als onderwerp: “prestaties”. Deze mail luidde: “(...). Onze boekhouding wijst me op het aantal uren dat ik in de dossiers voor u heb gewerkt. Ik denk dat het inderdaad raadzaam is dat we eens samenzitten zoals we eerder in januari hadden afgesproken. Kan u mij enkele data geven die gepast zijn? (...)”.

Op 13 februari 2006 informeerde E.H. naar het aantal uren dat het advocatenkantoor reeds gewerkt had. Zij liet meteen verstaan dat, “ongeacht de grootte van de kost”, er nadien niet op dezelfde manier zou worden voortgewerkt. Zij stelde het volgende voor: “Indien we vragen of problemen hebben in de toekomst, waarvoor we u willen raadplegen, geeft u dan een prix fix op (per uur) zodanig dat we weten waar we staan”.

Naar aanleiding van een treffen van mr. P. en mevrouw H. op 23 februari 2006, te Z., legde mr. P. een staat van ereloon en kosten voor voor een bedrag van 18.045,34 euro. Waarom dit gesprek niet plaatsvond in het advocatenkantoor, blijft onbeantwoord in de conclusies van de partijen.

De detailweergave van de geleverde prestaties, die in de procedure door het advocatenkantoor wordt opgenomen in de conclusies, was niet als zodanig gevoegd bij de factuur van 23 februari 2006.

Op 26 april 2006 bracht het advocatenkantoor deze ereloonnota per brief in herinnering, maar tevergeefs.

III. De vorderingen en de bestreden beslissing

A. Eerste aanleg

8. Op 5 februari 2007 dagvaardde het advocatenkantoor de heer HVH en zijn echtgenote H. teneinde hen “hoofdelijk en ondeelbaar, de ene bij gebrek aan de andere” te horen veroordelen tot het betalen van 18.045,34 euro plus, zoals later geformuleerd, de conventionele verwijlinteresten aan de interestvoet bepaald in uitvoering van art. 5 van de wet van 2 augustus 2002 vanaf 23 maart 2006;

...

De echtgenoten HVH besloten tot de ongegrondheid van de vordering en vorderden minstens te zeggen voor recht dat de staat van kosten en ereloon moest worden gereduceerd.

...

De eerste rechter veroordeelde de echtgenoten HVH conform het gevorderde.

B. Hoger beroep

9. De echtgenoten HVH stellen hoger beroep in en hernemen hun verweer.

Het advocatenkantoor besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

IV. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

A. Het bestaan van de overeenkomst en haar voorwerp

10. Een advocaat verbindt zich tot het leveren van bepaalde diensten, waarbij hij niet onder gezag en toezicht staat van zijn cliënt. De overeenkomst tussen de advocaat en zijn cliënt is bijgevolg een aannemingsovereenkomst.

Een aannemingsovereenkomst is aan geen bijzondere vormen onderworpen en is onderworpen aan de algemene geldigheidsvoorwaarden inzake contracten. Aanneming is een consensueel, wederkerig contract onder bezwarende titel dat op een geldige wijze ontstaat doordat bekwame partijen overeenstemming bereiken over een bepaald of bepaalbaar voorwerp.

De aannemingsovereenkomst kan mondeling worden aangegaan.

11. Het bestaan van de overeenkomst moet, naargelang van de partijen, volgens het burgerlijk recht of het handelsrecht worden geleverd. In casu is het gemene recht van toepassing.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de echtgenoten HVH diensten hebben besteld van advocaat P. en dat zij wisten dat zij voor deze diensten een vergoeding zouden moeten betalen.

Zij voeren aan dat mevrouw J.-van W. formeel duidelijk vermeldde dat “het kennismakingsgesprek”, dat plaatsvond op 9 december 2005, “gratis” zou zijn. A contrario moet hieruit worden afgeleid dat zij wisten dat prestaties verricht na 9 december 2005 betalend zouden zijn. Zij betogen weliswaar dat tijdens het eerste gesprek “de indruk werd gewekt dat het om een soort vriendendienst ging”, maar deze indruk is minstens evengoed aan hen toerekenbaar. Het volstond om desbetreffend de nodige informatie te vragen om zekerheid te hebben.

Het past te vermelden:

– dat E.H. op 13 februari 2006 informeerde naar het aantal uren dat het advocatenkantoor reeds gewerkt had;

– dat de echtgenoten HVH in hun conclusies schrijven dat zij op het ogenblik dat zij kennis kregen van de ereloonnota van 23 februari 2006 besprekingen voerden om de staat van kosten en ereloon te “reduceren”.

Het discours van de echtgenoten HVH is overigens desbetreffend niet eenduidig: zij schrijven in hun conclusies dat zij niet konden vermoeden dat er voor de verschafte informatie “exuberante” bedragen zouden worden aangerekend. Anders gezegd, zij hadden zich verwacht aan “normale” bedragen.

De omstandigheid dat nadien de contacten steeds plaatsvonden tussen mr. P. en E.H., verandert hieraan niets. Deze laatste is de echtgenote van de heer HVH en trad, zo blijkt uit de briefwisseling, op voor de huwgemeenschap.

B. Het te betalen ereloon

12. Te dezen werd noch het juiste voorwerp van de prestaties, noch de bepaling van het ereloon vooraf schriftelijk afgesproken. Evenmin werden eenheidsprijzen bepaald, bijvoorbeeld de prijs per werkuur. De partijen sloten bijgevolg een “aanneming in vrije rekening”, waarbij de aannemer de prijs te goeder trouw moet bepalen.

Bij aanneming kan de prijsbepaling nadien bij wijze van partijbeslissing gebeuren onder marginale toetsing van de rechter. Er is sprake van een partijbeslissing telkens wanneer aan één van de partijen in de overeenkomst de bevoegdheid wordt verleend om de inhoud van de rechten en de plichten van de wederpartij nader te bepalen.

Het komt aan de advocaat toe, net zoals aan iedere dienstverlener of aannemer, om, bij een partijbeslissing, een passende en verantwoorde prijs te becijferen. Art. 446ter, eerste lid Ger.W. voegt eraan toe dat de advocaten hun ereloon begroten “met de bescheidenheid die van hun functie moet worden verwacht”. Bij het vaststellen van de prijs moet de advocaat, net zoals de aannemer, volgens de regels van de goede trouw handelen, met inachtneming van wat gebruikelijk en billijk is (art. 1134-1135 BW). Het beginsel van art. 1134 BW dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd, verbiedt immers een partij misbruik te maken van de rechten die de overeenkomst haar toekent. De begroting van het ereloon door de advocaat moet bovendien met een “billijke gematigdheid” worden vastgesteld en kan aanleiding geven tot vermindering met inachtneming van, onder meer, de belangrijkheid van de zaak en de aard van het werk (art. 446ter, tweede lid Ger.W.).

Bij de begroting van het ereloon kan de advocaat rekening houden met onder meer de volgende criteria:

– het spoedeisend karakter van het dossier;

– de moeilijkheidsgraad van het dossier;

– het resultaat;

– de ervaring van de advocaat;

– de onderlegdheid van de advocaat in de behandelde materie;

– de bestede tijd;

– de financiële draagkracht van de cliënt.

De begroting van het ereloon binnen de balie heeft traditioneel aanleiding gegeven tot het hanteren van verschillende berekeningsmethodes, die samengevat werden in drie methodes, die werden opgenomen in richtlijnen en aanbevelingen (zowel door verschillende arrondissementele raden van de Orde als door de Nationale Orde van Advocaten), namelijk de vergoeding per uur, de vergoeding naargelang van de waarde van de zaak en de vergoeding per prestatie, waarbij telkens aanvaard werd dat het in principe de advocaat is die bepaalt welke berekeningsmethode hij aanwendt.

13. Bij “aanneming in vrije rekening” moet de advocaat zijn ereloon naar redelijkheid en billijkheid vaststellen, in overeenstemming met de gebruikelijke erelonen voor soortgelijk werk. Daarbij komt het de advocaat toe om een passend en verantwoord ereloon te “becijferen”. Deze becijfering, die bestaat in het verschaffen van de elementen die hebben geleid tot de uiteindelijke prijsvorming, is vereist om de opdrachtgever-cliënt in staat te stellen zijn controlerecht op een redelijke wijze uit te oefenen.

Het is gebruikelijk bij aanneming in vrije rekening (zoals ook bij aanneming in regie) van kleinere opdrachten dat de aannemer, kort na het beëindigen van de werken, een afrekening opstelt ter controle door de opdrachtgever. Deze verplichting voor de aannemer vloeit voort uit de tussen partijen bestaande samenwerkingsverplichting. Bij grotere opdrachten of opdrachten bestaande uit diverse duidelijk onderscheiden onderdelen, moet deze afrekening plaatsvinden op regelmatige tijdstippen of kort na de uitvoering van ieder onderdeel.

Het door de advocaat begrote ereloon kan worden verminderd door de Raad van de Orde (die bovendien disciplinair kan optreden), een scheidsrechter of het gerecht (art. 446ter, tweede lid Ger.W.).

De rechterlijke toetsing aan de eisen van de goede trouw en aan de bescheidenheid die van de functie moet worden verwacht, is, in het licht van de bovenstaande beginselen, nagenoeg marginaal, wat in dit geval betekent dat de rechter de prijs slechts kan verminderen wanneer de opgemaakte rekening klaarblijkelijk overdreven is of wanneer de afrekening een abnormale prijs oplevert. Daarbij slaat de rechter acht op de bovenvermelde criteria.

Onder “de omstandigheden van de zaak” valt onder meer de deontologische plicht voor de advocaat om zijn cliënt de nodige informatie te verschaffen m.b.t. de wijze waarop de kosten en het ereloon zullen worden berekend. Voor zoveel als nuttig verwijst het hof hier ook naar de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen, en meer bepaald naar de ratio legis van art. 12, 13 en 14.

14. De kritiek van de echtgenoten HVH op de aangerekende ereloonstaat kan als volgt worden samengevat:

– het is pas nadat het merendeel van de prestaties reeds verricht was (10 februari 2006) dat een ongedetailleerde ereloonnota werd overgemaakt (23 februari 2006) en dat het aangerekende basisuurtarief mondeling werd meegedeeld; er werd geen provisie gevraagd en de echtgenoten HVH konden bijgevolg de omvang van het ereloon niet inschatten door een gebrek een informatie van de zijde van het advocatenkantoor; hierdoor werd hen de kans ontnomen om, bij de aanvang van de samenwerking of kort nadien, te beslissen of zij nog een verdere samenwerking wensten;

– bepaalde prestaties zijn “uitgelokt”;

– de aangerekende bedragen zijn exuberant; het ereloon is buitensporig en niet in evenredigheid met de prestaties;

– voor de bijeenkomst van 9 december 2005 wordt ten onrechte vijf uur in rekening gebracht.

Uit nazicht van de overgelegde stukken blijkt dat het advocatenkantoor volgende prestaties leverde:

– het maken van een ontwerp van een brief aan een inbreukpleger;

– het leveren van diverse informatie in verband met de site “p.”;

– het geven van een advies tot de oprichting van een bvba in plaats van een vzw;

– het nalezen van de ontwerpakte voor de oprichting van de vzw P. en de vragen hierover;

– de aanpassing van de statuten in het belang van de echtgenoten HVH;

– het beantwoorden van vragen over rechten en plichten in verband met de veiling van een aantal werken via “C.”;

– het voeren van briefwisseling in verband met de domeinnamen en de website (overdracht – ontwerp);

– het opvragen van een attest bij C.;

– het opstellen van een memo van tien bladzijden over de “bescherming van het patrimonium van P.”;

– het opstellen van een memo van vier bladzijden waarin diverse problemen aan de orde werden gesteld die verband hielden met de reeds opgericht vzw, met de schenking van het “P.” aan het M. en met de NV A.

De echtgenoten HVH voeren terecht aan dat zij slechts na dagvaarding schriftelijk in kennis werden gesteld van het detail van de geleverde prestaties.

De kritiek van de echtgenoten HVH dat het advocatenkantoor is tekortgeschoten aan zijn informatieplicht is terecht, zeker in de omstandigheid dat de eerste bijeenkomst plaatsvond te B., in de woning van de echtgenoten HVH. Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat andere personen die betrokken waren bij de oprichting van de vzw P. dit op vriendschappelijke basis deden of uit sympathie voor de kunstenaar. In de gegeven omstandigheden moest het advocatenkantoor onmiddellijk duidelijkheid verschaffen over de wijze waarop de kosten en het ereloon zouden worden berekend. Door dit niet te doen, komt de verontwaardiging van de echtgenoten HVH, na het vernemen van het aangerekende ereloon, oprecht voor. Het advocatenkantoor bewijst niet dat de echtgenoten HVH op de hoogte waren of moesten zijn van het aangerekende basisuurtarief van 250 euro.

Volgens het advocatenkantoor hebben de echtgenoten HVH zijn ereloonnota van 23 februari 2006 nooit betwist. Deze bewering blijft onbewezen en is bovendien niet dienend, gelet op de hoedanigheid van de echtgenoten HVH in deze zaak.

Het advocatenkantoor betoogt ten onrechte dat de echtgenoten HVH het aangerekende basisuurtarief niet betwisten. De echtgenoten HVH beschouwen de aangerekende bedragen als exuberant en het ereloon als buitensporig en niet in evenredigheid met de prestaties. In hun conclusies betogen de echtgenoten dat een basisuurtarief van 250 euro per uur in se niet abnormaal is, maar dan wel uitsluitend voor prestaties die betrekking houden met de specialisatie van de raadsman, maar niet voor de andere prestaties.

...

16. Het hof overloopt de aangerekende prestaties:

– De bijeenkomst van 9 december 2005: het advocatenkantoor rekent daarvoor vijf uren aan en komt aldus tot een verschuldigd bedrag van 250 euro x 5 u = 1.250 euro; daarnaast wordt eveneens een verplaatsingskost aangerekend.

Dit ereloon is abnormaal hoog. Kennelijk wordt niet alleen het gesprek zelf, maar ook de tijd doorgebracht door de advocaat in de wagen aangerekend aan 250 euro per uur. Zoals reeds geschreven, wordt geen uitleg gegeven bij de omstandigheid dat de advocaat zich van het oosten van B. verplaatste naar B. In de regel ontvangt een advocaat zijn cliënten op kantoor. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zouden de echtgenoten HVH, indien zij hadden geweten dat 250 euro per uur “verplaatsingstijd” zou worden aangerekend, naast de eigenlijke verplaatsingskosten, voor een andere oplossing hebben gekozen. Het rijden met de wagen kan niet worden beschouwd als een gespecialiseerde prestatie die een ereloon rechtvaardigt van 250 euro per uur.

– VZW-advies: het advocatenkantoor brengt hiervoor 27,25 uur in rekening, eveneens aan 250 euro per uur.

Dit advies behoort niet tot de specialisatie van de geraadpleegde advocaat, zodat een uurtarief van 250 euro niet gepast is. Bovendien werden de statuten niet opgesteld door de advocaat, maar louter nagelezen. Het aantal in rekening gebrachte uren en het uurtarief zijn niet redelijk verantwoord.

– Telefoons en e-mails: de telefonische gesprekken en de e-mails worden eveneens in rekening gebracht aan 250 euro per uur.

Terecht betogen de echtgenoten HVH dat het vooral de advocaat was die hen opbelde en e-mailberichten stuurde. De noodzaak van deze prestaties, die zeker niet altijd onder de noemer “advies van een specialist” vallen, is niet altijd duidelijk.

– Memo’s van 21 december 2005: het advocatenkantoor brengt hiervoor in totaal (6,35 + 2 + 6 + 2 + 6 + 2=) 24,35 u in rekening of 6.087,50 euro.

De aangerekende uren voor de memo “bescherming van het patrimonium van P.” is overdreven voor een specialist in de materie. De memo die betrekking heeft op diverse problemen die verband houden met de reeds opgerichte vzw, met de schenking van het “P.” aan het M. en met de NV A. valt gedeeltelijk niet onder de specialisatie van de advocaat en bevat een overzicht van mogelijke problemen en mogelijk te nemen stappen, zonder veel juridische diepgang.

– Verplaatsing naar A.: het advocatenkantoor rekent daarvoor drie uren aan en komt aldus tot een verschuldigd bedrag van 250 euro x 3 u = 750 euro; daarnaast wordt eveneens een verplaatsingskost aangerekend. Wordt ook vermeld in dit verband: “tractatie van ongeveer 34 euro”.

Zelfde opmerking als hierboven voor de bijeenkomst van 9 december 2005.

Gelet op de bovenstaande overwegingen en opmerkingen past het het aangerekende ereloon in billijkheid te herleiden tot 9.000 euro. Er is geen grond om de aangerekende kosten te herleiden (207,87 euro).

Evolutie:

• Vred. Westerlo 24 juni 2015, RW 2015-2016, 436

samenvatting:

De relatie tussen cliënt en advocaat is contractueel, rekening houdend met het WER kan geen advocaten ereloon worden ingevorderd zonder contractuele grondslag (lees een contract tussen cliënt en advocaat, minstens over de tarieven)

tekst vonnis

D. t/ V.

Aangezien de vordering van eisende partij ertoe strekt, op basis van een factuur van 25 november 2014, verwerende partij te veroordelen tot betaling aan eisende partij van de som van 1.660,61 euro, te vermeerderen met de interesten.

...

Overwegende dat de samenstelling van de gevorderde hoofdsom van 1.660,61 euro afdoende blijkt uit de door eisende partij verschafte toelichting, vervat in de conclusies.

Overwegende dat er in het onderhavige geval geen voorafgaand akkoord tussen de beide gedingvoerende partijen voorligt over de wijze waarop het ereloon en de kosten in rekening worden gebracht. Dit strookt niet met de bepalingen van het Wetboek van Economisch Recht (WER), waaronder de advocatuur nu onbetwistbaar ressorteert (zie J. Stevens in De Juristenkrant 10 juni 2015, p. 8).

Overwegende dat art. XIV. 18, § 2 van het Wetboek van Economisch Recht (Invoeging Boek XIV “Marktpraktijken en consumentenbescherming betreffende de beoefenaars van een vrij beroep”) in werking trad op 31 mei 2014 en dus van toepassing was op 25 november 2014 (datum van de redactie van de in casu betwiste staat).

Overwegende dat de recente rechtspraak en rechtsleer er evenzeer de nadruk op leggen dat de verhouding tussen de advocaat en zijn cliënt een contractuele grondslag heeft en een voorafgaand akkoord noodzakelijk is (Rb. Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 27 oktober 2014, AR nr. 14/830/A, niet gepubliceerd; H. Lamon, “Advocatenhonorarium en Wetboek Economisch Recht”, NJW 2015, 378).

Overwegende dat de kwestieuze staat betrekking heeft op door eisende partij geleverde prestaties over de periode einde 2013 – einde november 2014, dus voor ongeveer de helft vóór de inwerkingtreding van de hierboven vermelde WER-bepaling. Maar thans geldt ook nog steeds de gemeenrechtelijke regeling van art. 446ter Ger.W., dat bepaalt dat de advocaten hun ereloon begroten “met de bescheidenheid die van hun functie moet worden verwacht”. Daaruit blijkt dat het de advocaat is die zélf zijn honorarium bepaalt, waaruit rechtspraak en rechtsleer hebben afgeleid dat het om een “partijbeslissing” gaat: er is geen geconcretiseerde wijze vastgelegd voor het bepalen van de omvang van het honorarium.

Overwegende dat in het onderhavige geval kan worden aanvaard dat eisende partij zich op het ogenblik van de redactie van de betwiste staat nog niet ten volle bewust was van het gegeven dat het oude gebruik van het systeem van de eenzijdige partijbeslissing door de advocaat, niet te rijmen valt met het WER en de dwingende Europeesrechtelijke bepalingen (bv. Richtlijn 2011/823/EU van de Raad van 25 oktober 2011 en Richtlijn 1993/13/EEG van de Raad van 5 april 1993). Dit bewustzijn is er zelfs heden ten dage nóg niet, zoals blijkt uit H. Lamon, “Advocatenhonorarium en Wetboek Economisch Recht”, NJW 2015, 378).

Overwegende dat Ons Ambt daarom in casu geen gevolg zal geven aan de soms geopperde suggestie, om geen rechtsgevolg meer te verbinden aan een vordering die, zoals in casu, de veroordeling beoogt van advocatenhonoraria die gestoeld zijn op een partijbeslissing. Ons Ambt maakt daarentegen gebruik van het door de thans nog bestaande wettelijke regeling (art. 446ter Ger.W.) aan de rechtbanken toegekende “marginaal toetsingsrecht”, maar dan wel geplaatst in het nieuwe hiervoren geschetste perspectief. Aldus is het passend de voorliggende vordering voor de helft gegrond te verklaren, en voor de andere helft ongegrond.

Noot: 

Wanneer in 2001 een uurloon van 100 euro algemeen aanvaard werd, geldt voor 2012 een uurloon van 125 euro tot 140 euro euro als meer dan aanvaardbaar zoals dit thans in de provincie voor gewone gemiddelde zaken wordt toegepast.

De advocaat begroot bij partijbeslissing zijn ereloon, behoudens andersluidende voorafgaande afspraken. De rechter kan bij een eventuele betwisting een kennelijk overdreven ereloon verminderen maar ter zake zijn er geen vaste tarieven of een vast tarievenboek aan de hand waarvan u een advocaat kan verplichten om te laten werken. Indien een voorafgaande ereloonovereenkomst werd opgesteld is deze niet onderworpen aan het marginale toetsingsrecht van de rechter.

Inkomende briefwisseling brengt kosten mee die bestaan uit de administratieve verwerking mede, die kan begroot worden op 2,5 tot 4 euro.

Wanneer een brief, fax  of een mailbericht binnen komt op een professioneel kantoor wordt zending  niet alleen geopend, maar wordt onmiddellijk de brief in het computersysteem ingebracht. Voor zover de brief niet voorzien is van een referentie, wordt op het secretariaat de referentie aangebracht aan het dossier. Het dossier wordt dan manueel uit het klassement gehaald. Er wordt nagezien wie de verantwoordelijke is voor het dossier. Hiertoe leest het secretariaat oppervlakkig de briefwisseling. Hierna volgt de lectuur van de brief door de behandelende advocaat waarbij de brief wordt opgeslagen in digitale systemen die eveneens gebackupped worden in een archiefsysteem. Het ICT-park voor de behandeling van een gemiddelde van 7.000 dossiers, waarvan 1.500 actieve dossiers, kost ongeveer alleen al een kleine 10.000 € per jaar. Hetgeen wij in rekening brengen is niets meer en niets minder dan de kostprijs hiervan.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 16/09/2012 - 13:39
Laatst aangepast op: di, 27/06/2017 - 13:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.