-A +A

Eis en tegeneis gedwongen uitsluiting - Wie biedt meeste garanties voor vennootschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 12/10/2015

De gegronde reden voor een gedwongen overdracht op grond van artikel 334 wetboek van vennootschappen moet niet noodzakelijk bestaan uit een foutief gedrag, dat aan de tegenpartij kan worden verweten.

De uitsluiting kan ook in het belang van de vennootschap worden bevolen indien er sprake is van een voldoende ernstige en duurzame onenigheid die het voortbestaan van de vennootschap in het gedrang brengt of dreigt te brengen.

Wanneer een vordering tot uitsluiting op grond van onenigheid wordt beantwoord door een tegenvordering tot uitsluiting op grond van onenigheid en het niet duidelijk is aan wie de onenigheid te wijten is, besluit de rechter de zaak op grond van een onderzoek naar de vennoot die de meeste garanties biedt voor het voortbestaan van de vennootschap

 

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017
Pagina: 
280
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV TRIMA, appellante
Tegen
1. Monroe Beach BVBA, eerste geïntimeerde
2. VHG
3. D.A.D.
tweede en derde geïntimeerden

Feiten en procedurele eerste aanleg

BVBA Monroe Beach (hierna “de vennootschap”) werd op 4 april 2012 opgericht door de NV TRIMAX (hierna “appellante”) en anderzijds het paar VHG en D.A.D., (hierna “tweede en derde geïntimeerden”).

Het kapitaal van de vennootschap bedraagt € 200.000 en wordt vertegenwoordigd door 100 aandelen. Appellante enerzijds en tweede en derde geïntimeerden anderzijds zijn voor de helft houders van de aandelen dus elk 50 aandelen. Het doel van de vennootschap is de uitbating van een strandbar “Monroe Beach” in Knokke-Heist gelegen tussen het Albertplein en het Van Bunnenplein.

Bij dagvaarding betekend op 28 juli 2014 vorderde appellante de uitsluiting van tweede en derde geïntimeerden op grond van artikel 334 wetboekvennootschappen. Als gegronde redenen voor de uitsluiting roept appellante in: duurzame, diepgaande en onherroepelijke onenigheid tussen de aandeelhouders, waardoor elke samenwerking onmogelijk wordt en de normale werking van de vennootschap wordt lamgelegd. Ze wijt dit volledig aan fouten vanwege tweede en derde geïntimeerden.

Partijen hebben op 3 april 2014 een samenwerkingsovereenkomst gesloten en appellante verwijt haar medevennoten gebrek aan wil tot overleg met betrekking tot de uitvoering van die overeenkomst en de niet correcte uitvoering ervan. Er ontstond een discussie omtrent inzage van de bankrekening en boekhouding, de keuze van leveranciers en producten, het zichtbare plaatsen van tv-scherm met advertenties van de sponsors, het niet betalen van de maandelijkse vergoeding, en tal van andere twistpunten.

Appellante vorderde de veroordeling van tweede en derde geïntimeerden om hun 50 aandelen in de vennootschap aan haar over te dragen, tegen betaling door appellante van een provisioneel bedrag gelijk aan de helft van het eigen vermogen van de vennootschap, zijnde de som van € 112.172,50. Verder vorderde appellante de waardebepaling van de aandelen door een deskundige.

Tweede en derde geïntimeerden betwisten de vordering en bij tegeneis stellen ze zelf een vordering tot uitsluiting van appellante. Volgens hen komt appellante haar verplichtingen niet na en maakt zij (haar gedelegeerd bestuurder C.T.) fouten die de verdere samenwerking van de vennoten onder elkaar onmogelijk maakt, onder andere door autoritair en eenzijdig te beslissen. Appellante zou enkel haar eigen belang dienen, namelijk de bedoeling om het aandelenpakket te verwerven en de handelszaak te verkopen tegen een hogere prijs.

[…]

Beoordeling

Elke partij vult tientallen bladzijden conclusies met feitelijkheden en voert volle kaften tukken aan om aan te tonen waarin de tegenpartij zou zijn tekort gekomen.

Uit hun argumentatie blijkt duidelijk dat de verstandhouding tussen de vennoten zeer ernstig is verstoord, zodat een verdere samenwerking uitgesloten is.

De gegronde reden voor een gedwongen overdracht op grond van artikel 334 wetboek van vennootschappen moet niet noodzakelijk bestaan uit een foutief gedrag, dat aan de tegenpartij kan worden verweten (Gent 4 februari 2008, nieuw juridisch weekblad 2008,888; Brussel 8 juni 2001, JMLB 2002,13150).

De uitsluiting kan ook in het belang van de vennootschap worden bevolen indien er sprake is van een voldoende ernstige en duurzame onenigheid die het voortbestaan van de vennootschap in het gedrang brengt of dreigt te brengen.

Er zijn diverse bemiddelingspogingen geweest om de relaties tussen partijen terug te normaliseren die telkens op niets zijn uitgedraaid. Het wantrouwen tussen partijen tast de continuïteit van de vennootschap aan en is dermate dat de uitsluiting de enige mogelijke oplossing biedt.

Op basis van de feitelijkheden besluit het Hof (zoals de eerste rechter) dat de oorzaak van de onenigheid niet uitsluitend bij een partij kan worden gelegd.

Wanneer een vordering tot uitsluiting op grond van onenigheid wordt beantwoord door een tegenvordering tot uitsluiting op grond van onenigheid en het niet duidelijk is aan wie de onenigheid te wijten is, besluit de rechter de zaak op grond van een onderzoek naar de vennoot die de meeste garanties biedt voor het voortbestaan van de vennootschap. (Gent 21 februari 2011, TGR-TW VR 2011,369; Gent 25 juni 2007, NJW 2008,33).

Samen met de eerste rechter is het Hof van oordeel dat tweede en derde geïntimeerden de meeste garanties bieden voor dit voortbestaan, dit op volgende gronden:

Appellante is wellicht de meest kapitaalkrachtige vennoot, maar tweede en derde geïntimeerden tonen aan dat zij het meest betrokken zijn bij de verdere exploitatie van de strandbar en dus ook bij het voortbestaan van de vennootschap. Zij zijn steeds de effectieve uitbaters ter plaatse geweest en dit tot op heden.

Reeds voor het instellen van de procedure voerde appellant de onderhandelingen met tweede en derde geïntimeerden om aan deze laatsten haar aandelen over te dragen. Ook na de inleiding van de huidige vorderingen leek appellante nog bereid eventuel haar aandelen over te dragen aan tweede en derde geïntimeerden. De door appellante voor haar aandelen gevraagde prijs werd echter te hoog bevonden. De houding van appellante is niet deze van een vennoot die enkel tot doel heeft het voortbestaan van de vennootschap na te streven.

Appellante bezit nog drie andere stranduibatingen. Mochten de vordering in haar voordeel worden beslecht, zal zij niet zelf de strandbar “Monroe Beach” feitelijk exploiteren maar dit opnieuw laten doen door een derde, zoals zij met tweede en derde geïntimeerden heeft gedaan. Laatst genoemde willen integendeel met de uitbating hun broodwinning behouden en hebben dus het meeste belang bij het voortbestaan van de vennootschap.

In de aandeelhoudersovereenkomst tussen partijen werd bedongen dat appelant de stille vennoot werd en een maandelijkse forfaitaire vergoeding zou ontvangen van € 5000, dit in ruil voor de afstand van haar recht op winstdeelname (alhoewel er betwisting bestaat omtrent de rechtsgeldigheid van dergelijk beding).

Deze regeling bewijst dat tweede en derde geïntimeerden de dagelijkse leiding van de exploitatie verder volledig op zich nemen en het meest gemotiveerd zijn om het belang van de vennootschap te behartigen. Appellante nam toen zelfs ontslag als zaakvoerder. Zij beschouwden de vennootschap eerder als een onderdeel van haar vermogen, als een belegging.

Voor het geval de vordering aan haar zou worden toegewezen, bood appellante aan een provisie van € 112.172,50 te betalen, zijnde de helft van het eigen vermogen van de vennootschap. Omtrent de hoegrootheid van deze provisie bestaat er tussen partijen geen discussie, waardoor de eerste rechter tweede en derde geïntimeerden heeft veroordeeld tot het betalen van dezelfde provisie.

Het hoger beroep is ongegrond. De zaak dient verder behandeld worden voor de eerste rechter alwaar de expertise tot waardebepaling van de aandelen werd bevolen (artikel 1068, ten tweede Gerechtelijk Wetboek).
 

Noot: 

Sarah De Geyter, Geschillenregeling en duurzame onenigheid tussen vennoten, NJW 2017, 282

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 02/07/2017 - 09:45
Laatst aangepast op: zo, 02/07/2017 - 09:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.