-A +A

Eenzijdige wijziging arbeidscontract mogelijke houding werknemer

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 19/01/2015
A.R.: 
S.1S.12.0140.F

De arbeidsovereenkomst loopt in de regel verder na de kennisgeving van het ontslag gedurende de opzegging en eindigt slechts na afloop daarvan; niettemin kan de vrijstelling van het verrichten van prestaties, die eenzijdig door de werkgever beslist wordt, een eenzijdige en belangrijke wijziging vormen van een essentiële voorwaarde van de arbeidsovereenkomst, die als een ontslag kan beschouwd worden. In dat geval eindigt de beëindiging van de overeenkomst niet noodzakelijk op het tijdstip van de wijziging en kan de beëindiging afhangen van de houding die de werknemer daarna heeft aangenomen. Laatstgenoemde kan immers zijn werkgever meedelen dat volgens hem de arbeidsovereenkomst verbroken is, zodat de overeenkomst eindigt op het tijdstip van die kennisgeving.

Ook kan hij de overeenkomst voorlopig onder de nieuwe voorwaarden verder uitvoeren en de werkgever binnen een redelijke termijn aanmanen om de overeengekomen voorwaarden binnen een bepaalde termijn te herstellen, op straffe van de arbeidsovereenkomst als beëindigd te beschouwen, zodat zij eindigt bij het verstrijken van de toegestane termijn als de werkgever de wijziging handhaaft. Als hij de verbreking van de overeenkomst niet aanvoert, dan loopt zij verder tot zij op een andere wijze eindigt.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. S.12.0140.F
J.-P. G.,
,
tegen
1. A. d'I.,
2. Ch. V. B.,
3. I. V. D. M.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 3 januari 2012.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de Grondwet;
- de artikelen 1134, 1315, inzonderheid tweede lid, 2220, 2221, 2223 en 2224 van het Burgerlijk Wetboek;
- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek;
- artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
- het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk afstand van recht niet wordt vermoed en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere in-terpretatie vatbaar zijn;
- het algemeen rechtsbeginsel waarvan met name artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek toepassing maakt, krachtens hetwelk de rechter gehouden is om, mits hij het recht van verdediging eerbiedigt, de rechtsnorm te bepalen die van toepassing is op de voor hem ingestelde rechtsvordering en ze daarop toe te passen.

Aangevochten beslissingen

Nadat het arrest het volgende heeft vastgesteld:

"De gefailleerde vennootschap waarvan de verweerders curatoren zijn, heeft op 26 oktober 1992 de eiser ontslagen mits een opzeggingstermijn van achttien maanden met ingang van 1 november 1992. De eiser werd eenzijdig vrijgesteld van elke prestatie vanaf 26 oktober 1992. Op 9 februari 1993 en 14 juli 1993 werden een overeenkomst en aanvullende overeenkomst ondertekend. De overeenkomst van 9 februari 1993 voorzag in het toekennen van een pensioenkapitaal van 1.063.454 frank binnen de maand van het vertrek met pensioen of brugpensioen. Die overeenkomst stelde duidelijk dat de partijen mits die betaling afzien van elke vordering die ontstaan is of kan ontstaan door hun arbeidsovereenkomst. De overeenkomst van 14 juli 1993 voorzag in de terbeschikkingstelling van een voertuig en het aangaan door de gefailleerde vennootschap van een 'financiële leasing' tegen een maandelijkse kostprijs van 22.654 frank. Op 27 oktober 1993 heeft de gefailleerde vennootschap het volgende aan de eiser geschreven: 'Wij verwijzen naar uw vraag van heden waarbij u het ontslag wenst te wijzigen dat u op 26 oktober 1992 betekend werd in het kader van de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 december 1992 tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 mei 1984, gewijzigd bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 december 1990, tot invoering van een bijzonder stelsel van aanvullende vergoeding aan sommige oudere werknemers in geval van ontslag. Wij hebben het genoegen u ter kennis te brengen dat de gefailleerde vennootschap hiermee heeft ingestemd. Bijgevolg is uw wettelijke opzegging op 1 november 1992 ingegaan. Wij verbinden ons ertoe u de conventionele brugpensioenvergoeding te storten die geldt vanaf de eerste maand volgend op het tijdstip waarop uw opzegging eindigt tot het einde van de maand van uw drieënzestigste verjaardag'. De eiser heeft die brief voor akkoord ondertekend",
verklaart het bestreden arrest het hoger beroep van de eiser niet-gegrond en het beroep van de verweerders gegrond. Het wijzigt de in eerste aanleg gewezen vonnissen inzake de werkzekerheidsvergoeding en de achterstallen van brugpensioenvergoeding en "zegt dat geen enkele geldsom uit dien hoofde nog verschuldigd is". Het bevestigt de vonnissen in zoverre ze de andere vorderingen van de eiser afwijzen en, na vaststelling "dat de partijen zich niet voldoende uitgesproken hebben over de uitvoering van de overeenkomst van 9 februari 1993", beveelt het de heropening van het debat louter over die kwestie, zonder een nieuwe zittingsdatum vast te stellen.

De beslissing om meerdere punten van de vordering van de eiser niet-ontvankelijk te verklaren, steunt op twee soorten redenen:

1. "De eiser is op 27 april 1995 in rechte opgetreden. De dagvaarding was de eerste verjaringsstuitende akte. Op die dag was de arbeidsovereenkomst sinds meer dan een jaar beëindigd. De gefailleerde vennootschap had de eiser immers eenzijdig vrijgesteld van elke prestatie vanaf 26 oktober 1992 [...]. In zijn brief van 7 april 1995 schreef de raadsman van de eiser trouwens dat "de eiser eigenlijk onmiddellijk de toegang tot de lokalen was ontzegd. De arbeidsovereenkomst werd dus op 26 oktober 1992 beëindigd, en niet op 1 mei 1994 zoals de arbeidsrechtbank heeft beslist". (eerste soort redenen);

2. "Ten overvloede, voert de curatele terecht aan dat de eis van de eiser indruist tegen het beding van afstand die in de overeenkomst van 9 februari 1993 geldig gesloten werd na het einde van de arbeidsovereenkomst: op die datum kon de eiser afstand doen van het eventuele recht op een werkzekerheidsvergoeding " (tweede soort redenen).

De eerste twee onderdelen van het middel komen op tegen de eerste soort redenen, het derde onderdeel tegen de tweede soort.

Grieven
(...)

Tweede onderdeel

Artikel 15 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalt dat de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, één jaar na het eindigen van deze overeenkomst verjaren of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden. Als artikel 39bis wordt toegepast, verjaart de rechtsvordering die uit de niet-betaling van de opzeggingsvergoeding ontstaat, één jaar na de laatste effectieve maandelijkse betaling door de werkgever.

In geval van ontslag met opzegging, stemt de beëindiging van de overeenkomst, in de zin van het voornoemde artikel 15, overeen met het verstrijken van de opzeggingstermijn, zelfs als de partijen een vrijstelling van prestaties zijn overeengekomen of hebben aanvaard, zolang de werkgever de overeengekomen maandelijkse bezoldiging blijft betalen. Wanneer de werkgever de werknemer eenzijdig vrijstelt van elke prestatie gedurende de volledige opzeggingstermijn of een gedeelte ervan en hem de toegang tot de werkplek ontzegt, heeft de werknemer het recht de onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst vast te stellen, krachtens de theorie van de met een onmiddellijke beëindiging gelijkgestelde handeling. De werknemer is daartoe evenwel niet verplicht. Als hij zich ervan ont-houdt de onmiddellijke beëindiging vast te stellen, wordt de overeenkomst voortgezet tot het einde van de door de werkgever ter kennis gebrachte opzeggingstermijn.

Het bestreden arrest stelt in zijn eerste reeks redenen vast dat de gefailleerde vennootschap de eiser eenzijdig vrijgesteld had van elke prestatie vanaf 26 oktober 1992 en dat de raadsman van de eiser heeft aangevoerd dat die onderneming hem onmiddellijk de toegang tot de lokalen had ontzegd. Het bestreden arrest stelt echter niet vast dat de eiser de met een onmiddellijke beëindiging gelijkgestelde handeling zou hebben vastgesteld die het onmiddellijke einde van de arbeidsbetrekkingen tot gevolg heeft, noch dat de werkgever zou hebben opgehouden te voldoen aan zijn andere verplichtingen dan de verplichting de eiser toe te laten de overeengekomen arbeid uit te voeren en, inzonderheid, dat hij vanaf 26 oktober 1992 of zelfs vanaf 1 november 1992 zou hebben opgehouden de overeengekomen maandelijkse bezoldiging te betalen.

Wel integendeel, het bestreden arrest stelt vast dat de partijen op 14 juli 1993 zijn overeengekomen om een voertuig ter beschikking van de eiser te stellen, hetgeen niet anders kan beschouwd worden als de toekenning van een voordeel in natura, als aanvulling op de bezoldiging of om deze gedeeltelijk te vervangen, door een financiële leasing ten laste van de gefailleerde vennootschap "tegen een maandelijkse kostprijs van 22.654 frank".

Het bestreden arrest stelt bovendien vast dat de gefailleerde vennootschap op 27 oktober 1993 ermee heeft ingestemd de ontslagvoorwaarden te wijzigen "in het kader van de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 december 1992 tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 mei 1984, gewijzigd bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 december 1990, tot invoering van een bijzonder stelsel van aanvullende vergoeding aan sommige oudere werknemers in geval van ontslag" en zich ertoe verbonden heeft een conventionele brugpensioenvergoeding te storten "vanaf de eerste maand volgend op de dag" waarop de op 1 november 1992 ingegane opzeggingstermijn van achttien maanden moest eindigen, met name op 1 mei 1994.

Aangezien het arrest niet vaststelt dat de eiser de met een onmiddellijke beëindiging gelijkgestelde handeling had vastgesteld, noch dat de gefailleerde vennootschap zou hebben opgehouden de overeengekomen maandelijkse bezoldiging te betalen, en daarentegen vaststelt dat de gefailleerde vennootschap zich op 27 oktober 1993 ertoe verbonden had een conventionele brugpensioenvergoeding te storten vanaf de eerste dag volgend op het verstrijken van de opzeggingstermijn van achttien maanden, namelijk op 1 mei 1994, verantwoordt het niet naar recht zijn beslissing dat de "beëindiging van de overeenkomst" in de zin van artikel 15 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, op 26 oktober 1992 heeft plaatsgevonden, namelijk de dag van de beslissing van de werkgever om de werknemer vrij te stellen van prestaties gedurende de duur van zijn opzeggingstermijn en niet op 1 mei 1994, bij het verstrijken van de op 1 november 1992 ingegane opzeggingstermijn van achttien maanden (schending van artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten).
Doordat het niet vaststelt dat de eiser de met een onmiddellijke beëindiging gelijkgestelde handeling vanaf 26 oktober 1992 zou hebben vastgesteld of dat de gefailleerde vennootschap zou zijn opgehouden met de maandelijkse betaling van de bezoldiging of van de geldsommen ter aanvulling van de bezoldiging zoals de financiële kostprijs van het aan de eiser ter beschikking gestelde voertuig, maakt het bestreden arrest het minstens het Hof onmogelijk om de wettigheid na te gaan van de beslissing die de verjaringstermijn vanaf 26 oktober 1992 doet ingaan en verantwoordt het bijgevolg deze beslissing niet naar recht (schending van artikel 149 van de Grondwet).
(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF
(...)

Gegrondheid van het middel voor het overige

Tweede onderdeel

Artikel 15, eerste lid, Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat de rechtsvorderin-gen die uit de overeenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden.

Naar luid van artikel 37, § 1, eerste lid, van die wet heeft, wanneer de overeen-komst voor onbepaalde tijd is gesloten, ieder der partijen het recht om die te be-eindigen door opzegging aan de andere.

De arbeidsovereenkomst wordt in de regel voortgezet na de kennisgeving van het ontslag gedurende de opzeggingstermijn en eindigt slechts bij het verstrijken daarvan.

Evenwel kan de vrijstelling van het verrichten van prestaties die eenzijdig door de werkgever beslist wordt, een eenzijdige en belangrijke wijziging vormen van een essentiële voorwaarde van de arbeidsovereenkomst, die als een ontslag kan wor-den beschouwd.

In dat geval geschiedt de beëindiging van de overeenkomst niet noodzakelijk op het tijdstip van de wijziging en kan zij afhangen van de houding die de werknemer daarna heeft aangenomen. Deze kan immers zijn werkgever meedelen dat hij ervan uitgaat dat de arbeidsovereenkomst verbroken is, in welk geval de overeenkomst eindigt op het tijdstip van die kennisgeving. Ook kan hij voorlopig de uitvoering van de overeenkomst onder de nieuwe voorwaarden voortzetten en de werkgever binnen een redelijke termijn aanmanen om de overeengekomen voorwaarden binnen een bepaalde termijn te herstellen, op straffe van de arbeidsovereenkomst als beëindigd te beschouwen, waarbij deze eindigt bij het verstrijken van de vastgestelde termijn als de werkgever de wijziging handhaaft. Hij kan ook ervan afzien om de onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst in te roepen, waarbij deze wordt voortgezet tot ze op een andere wijze eindigt.

Het bestreden arrest citeert artikel 15, eerste lid, Arbeidsovereenkomstenwet. Het oordeelt dat "te dezen, het eventuele recht op een werkzekerheidsvergoeding ont-staan is op het tijdstip van het op 26 oktober 1992 ter kennis gebrachte ontslag", dat de eiser op 27 april 1995 de eerste verjaringsstuitende daad heeft gesteld en dat "op die dag de arbeidsovereenkomst sinds meer dan een jaar beëindigd was. [De gefailleerde vennootschap die de eiser tewerkstelde en waarvan de verweer-ders de curatoren zijn], had [de eiser] immers eenzijdig vrijgesteld van iedere prestatie vanaf 26 oktober 1992 [en de raadsman van de eiser had geschreven] dat [hem] de toegang tot de lokalen onmiddellijk was ontzegd". Het leidt daaruit af dat de vorderingen van de eiser wegens de miskenning van het werkzeker-heidsbeding "verjaard zijn, aangezien ze meer dan één jaar na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geformuleerd werden".

Uit die redenen volgt dat de beslissing van het bestreden arrest om de vorderingen van de eiser verjaard te verklaren steunt op de overweging dat de beëindiging van de overeenkomst op 26 oktober 1992 heeft plaatsgevonden.

Door de voornoemde overweging af te leiden uit de loutere vaststelling dat zijn werkgever de eiser die dag kennis heeft gegeven van een ontslag met opzegging en hem eenzijdig van elke prestatie heeft vrijgesteld, schendt het bestreden arrest het voornoemde artikel 15, eerste lid.

In zoverre het ontvankelijk is, is het onderdeel gegrond.
(...)

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest van 3 januari 2012 in zoverre het beslist dat geen enkele geldsom meer verschuldigd is aan de eiser als werkzekerheidsvergoeding en het, met bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, de vordering van de eiser verwerpt tot betaling van een morele schadevergoeding wegens schending van het werkzekerheidsbeding.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Vernietigt het arrest van 26 juni 2012.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest en van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Luik.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel

Noot: 

 Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] DEMEDTS, Marijke; Noot 'Opzegging van de arbeidsovereenkomst en eenzijdige vrijstelling van prestaties' 2015, nr. 13, p. 923-933.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 11/10/2016 - 11:35
Laatst aangepast op: di, 11/10/2016 - 11:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.