-A +A

Eenzijdige opzegging krediet aansprakelijkheid bankier

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
woe, 18/11/2015

De controle die de rechter uitoefent op de toepassing van een uitdrukkelijk ontbindend beding moet zich niet beperken tot een louter formele controle naar het verenigd zijn van de voorwaarden voor de toepassing van het beding.

Zoals alle rechten, is ook het recht om toepassing te maken van een uitdrukkelijk ontbindend beding vatbaar voor misbruik. Indien derhalve wordt aangevoerd dat misbruik werd gemaakt van het recht om het uitdrukkelijk ontbindend beding toe te passen, kan de rechter dit vaststellen en er een sanctie aan verbinden.

De bank dient te handelen als een goede huisvader. Van de bank kan verwacht worden dat zij de economie ondersteunt en desbetreffend haar verantwoordelijkheid opneemt.

Het zonder enige reden opzeggen van belangrijke kredieten toegekend aan gezonde bedrijven, kan de economie in een neerwaartse spiraal drijven en oorzaak zijn van – nochtans vermijdbare – faillissementen.

Minstens kan de bank, door op die manier kredieten op te zeggen, aan deze bedrijven grote schade berokkenen, aangezien deze laatsten daardoor genoodzaakt zijn op korte termijn elders gelden op te halen tegen – hoogstwaarschijnlijk slechtere – voorwaarden.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1152
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV B.P.F. t/ G.K., NV B.K. en NV L.

I. De rechtspleging

Bij vonnis van 17 oktober 2014 werd huidige zaak verwezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, naar de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen. De voorzitter van de rechtbank verwees op 7 januari 2015 de zaak naar de afdeling Gent. (...)

II. De vorderingen

De vordering van de eiseres strekt er bij syntheseconclusie van 1 augustus 2014 toe om: “verweerder te veroordelen om te betalen aan mijn verzoekster:

– uit hoofde van de borgstelling ten behoeve van de NV L., het bedrag van 36.205,04 euro, vermeerderd met de conventionele interesten vanaf 27 oktober 2013 tot de algehele betaling aan 15,40% op de hoofdsom;

– uit hoofde van de borgstelling ten behoeve van de NV B.K., het bedrag van 46.082,01 euro, vermeerderd met de conventionele interesten vanaf 27 oktober 2013 tot de algehele betaling aan 15,40% op de hoofdsom; (...)”.

De verweerder en vrijwillig tussenkomende partijen vragen de vordering af te wijzen als ongegrond. Zij stellen een tegenvordering in, die luidt als volgt:

“– de eiseres te veroordelen om aan concludant en de vrijwillig tussenkomende partij NV B.K. te betalen de som van 11.307,19 euro te vermeerderen met de interesten aan 8% (interestvoet Wet Bestrijding Betalingsachterstand) vanaf 1 augustus 2012 tot de datum van volledige betaling.

– subsidiair de eiseres te veroordelen om aan concludant en de vrijwillig tussenkomende partij NV B.K. te betalen de som van 10.931,84 euro te vermeerderen met de interesten aan 8% (interestvoet Wet Bestrijding Betalingsachterstand) vanaf 4 juni 2010 tot de datum van volledige terugbetaling;

– wat de vordering ten aanzien van de concluant en de vrijwillig tussenkomende partij NV L. betreft, deze te begroten op respectievelijk 2.789,52 euro en 2.528,78 euro. Dit bedrag moet dan nog verminderd worden met twee betalingen waarmede de eiseres geen rekening heeft gehouden, zijnde respectievelijk 121,97 euro en 349,33 euro.

...

III. De beoordeling

1. Ter zake lijkt het de rechtbank raadzaam om eerst de tegenvordering van de verweerder en vrijwillig tussenkomende partijen te onderzoeken.

De eiseres vordert de terugbetaling van het openstaande saldo mermeerderd met interest met betrekking tot het kaskrediet dat zij toestond aan enerzijds de NV L. en anderzijds de NV B.K. Deze kredieten werden gewaarborgd door met name de solidaire borgstelling van de h. K.

Aan de aan deze vennootschappen toegekende kredietopeningen en straight loans werd door de eiseres begin 2011 – met inachtneming van een opzegtermijn van negentig dagen – een einde gemaakt op grond van art. 19, § 1 van de algemene voorwaarden voor kredietopeningen aan ondernemingen. Voor de terugbetaling van het openstaande saldo werd de h. K. als borg aangesproken.

De verweerder en vrijwillig tussenkomende partijen voeren aan dat vermeld art. 19 niet met de nodige goede trouw is toegepast. Zij gaan derhalve niet akkoord dat de rente van 15,40% wordt aangerekend op het openstaande saldo. Zij voeren ook aan dat de eiseres de kosten van de omzetting van de hypothecaire volmacht in een hypotheek niet kan doorrekenen.

De eiseres betoogt dat zij de kredietopeningen zonder meer kon opzeggen, zonder daarvoor een reden te moeten opgeven. Zij verwijst naar vermeld art. 19, § 1, dat bepaalt: “De bank heeft het recht, zonder daarvoor een reden te moeten meedelen, de gebruikmaking van de kredietopening te schorsen of de kredietopening te beëindigen door het betekenen ervan per aangetekende brief met een voorbericht van dertig dagen ingaand op de datum van verzending. De schorsing of de beëindiging met voorbericht kan slaan op de kredietopening in haar geheel of op één of meer gebruiksvormen of maximum opneembare bedragen en dit zowel voor het benutte als voor het niet-benutte deel van de kredietopening of de gebruiksvorm ervan. (...) Door de beëindiging met voorbericht worden alle door de kredietnemer in de door de beëindiging getroffen gebruiksvormen opgenomen bedragen onmiddellijk opeisbaar op het ogenblik dat de beëindiging ingaat, behalve voor gebruiksvormen waarbij er een looptijd werd bedongen voor terugbetaling van de opnemingen, in welk geval de looptijd voor terugbetaling onverminderd behouden blijft.”

2. Het beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw ten uitvoer moeten worden gebracht, verbiedt een partij misbruik te maken van de rechten die de overeenkomst haar toekent. Rechtsmisbruik bestaat in het uitoefenen van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en zorgvuldig persoon.

De rechter moet de verhouding onderzoeken tussen het voordeel dat de houder van dat recht beoogt of verkregen heeft en de schade die aan de andere partij berokkend wordt. Bij de beoordeling van de voorhanden zijnde belangen moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.

Er kan sprake zijn van rechtsmisbruik, zelfs als het bedoelde recht van openbare orde of van dwingend recht is.

De aanwending van een recht voor een ander doel dan dat waarvoor het werd ingevoerd, vormt een misbruik van recht (Cass. 19 maart 2015 C.13.0218.F., Arr.Cass. 2015, 785. Zie ook: Cass. 12 februari 2014, P.13.1304.F, Arr.Cass. 2014, 394).

De controle die de rechter uitoefent op de toepassing van een uitdrukkelijk ontbindend beding moet zich niet beperken tot een louter formele controle naar het verenigd zijn van de voorwaarden voor de toepassing van het beding. Zoals alle rechten, is ook het recht om toepassing te maken van een uitdrukkelijk ontbindend beding vatbaar voor misbruik. Indien derhalve wordt aangevoerd dat misbruik werd gemaakt van het recht om het uitdrukkelijk ontbindend beding toe te passen, kan de rechter dit vaststellen en er een sanctie aan verbinden.

3. De eiseres betwist niet (noch in conclusie, noch ter zitting) de door de verweerder en vrijwillig tussenkomende partijen aangevoerde volgende feiten:

– reeds meer dan tachtig jaar bestaat er een bankrelatie tussen de bedrijven van de h. K. en de eiseres (en haar rechtsvoorgangsters):

– de eiseres dagvaarde enkel de h. K. in persoon en niet de vennootschappen die de kredietcontracten met de eiseres hebben ondertekend (niettegenstaande zij solvabel zijn);

– de kredietopeningen, aangegaan voor een totale som van 3.400.000 euro, zijn aangegaan in het kader van de professionele activiteiten van de NV L. en de NL B.K., namelijk de bouwpromotie;

– tegenover deze kredieten stonden voldoende valabele waarborgen;

– de overeengekomen terugbetalingsmodaliteiten waren 180.000 euro per verkocht appartement, rechtstreeks door de notaris in te houden en over te maken aan de eiseres als afkorting op de hoofdsom. Er waren op het moment van de opzegging van de kredietopeningen nog zeven appartementen en garages te verkopen voor een totale geschatte verkoopwaarde van 2.500.000 euro. De interesten en de kosten werden per maand betaald, wat blijkt uit de bankuittreksels;

– de kredietnemers hebben zich steeds strikt gehouden aan de gemaakte afspraken;

– de kredietnemers hadden geen belastingschulden of RSZ-schulden.

Noch in conclusie, noch ter zitting, geeft de eiseres (zelfs op expliciete vraag van de rechtbank), enige reden op voor de opzegging van de kredietopeningen.

4. De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden de eiseres duidelijk misbruik heeft gemaakt van haar recht de kredietovereenkomsten te ontbinden. Dat de bank – om zich in te dekken – in art. 19 § 1 van de algemene voorwaarden voor kredietopeningen aan ondernemingen bepaalt dat zij kredieten kan opzeggen zonder daar enige reden voor te moeten opgeven, doet daaraan niet af.

De bank dient te handelen als een goede huisvader. Van de bank kan verwacht worden dat zij de economie ondersteunt en desbetreffend haar verantwoordelijkheid opneemt. Het zonder enige reden opzeggen van belangrijke kredieten toegekend aan gezonde bedrijven (zoals ter zake de vrijwillig tussenkomende partijen), kan de economie in een neerwaartse spiraal drijven en oorzaak zijn van – nochtans vermijdbare – faillissementen. Minstens kan de bank, door op die manier kredieten op te zeggen, aan deze bedrijven grote schade berokkenen, aangezien deze laatsten daardoor genoodzaakt zijn op korte termijn elders gelden op te halen tegen – hoogstwaarschijnlijk slechtere – voorwaarden.

...

5. De tegenvordering ter zake is gegrond in die mate dat de interest aan 15,40% per jaar door de eiseres niet kan worden aangerekend op de openstaande vorderingen. Ter zitting kan de eiseres geen antwoord verschaffen op de vraag wat de exacte toepasselijke rentevoet was voor het ter beschikking stellen van het kapitaal (in de vorm van de straight loans en de kredietopeningen).

Daarenboven voeren de verweerder en de vrijwillig tussenkomende partijen terecht aan dat de kosten van de omzetting van de hypothecaire volmacht in een hypotheek (zijnde 10.931,84 euro) niet aan hen kunnen worden aangerekend, aangezien er geen enkele reden was om tot omzetting over te gaan. Deze kosten blijven ten laste van de eiseres.

De verweerder en de vrijwillig tussenkomende partijen voeren eveneens aan dat er nog rekening dient te worden gehouden met extra bedragen die op de rekening zijn gekomen na de opeisbaarstelling van het krediet, zijnde 653,28 euro op 5 juni 2012, 9.857,38 euro op 1 augustus 2012 en 11.516,03 euro op 29 november 2012. De eiseres ontkent dit niet. Toch blijkt niet duidelijk uit de samenstelling van het openstaande saldo dat met deze bedragen rekening is gehouden.

6. Teneinde de eiseres de mogelijkheid te geven duiding te geven bij de toepasselijke conventionele rentevoeten voor het ter beschikking stellen van het kapitaal, past het het debat te heropenen. Aan de partijen wordt gevraagd aan de rechtbank een gedetailleerde afrekening te maken van de ter zake nog te betalen bedragen, rekening houdend met wat hierboven is geoordeeld.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 24/03/2017 - 15:04
Laatst aangepast op: vr, 24/03/2017 - 15:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.