-A +A

Een ziekenfonds valt binnen de werkingssfeer van de Richlijn oneerlijke handelspraktijken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Justitie
Datum van de uitspraak: 
don, 03/10/2013
A.R.: 
C59/12

Ook een ziekenfonds kan zich schuldig maken aan oneerlijke handelspraktijken of misleidende reclame

Om vast te stellen of een nationale instelling die een publiekrechtelijke vorm heeft en is belast met het beheer van een verplichte ziekteverzekering, moet worden beschouwd als een „onderneming” in de zin van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken en zij in die hoedanigheid is onderworpen aan de voorschriften van die richtlijn indien zij, misleidende informatie verstrekt aan haar leden, moet eerst in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof met het oog op de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel als algemene regel dient te gelden dat de bewoordingen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de gehele Europese Unie autonoom en op eenvormige wijze moeten worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de context van de bepaling en met het doel van de betrokken regeling.

De kwalificatie, rechtsvorm en specifieke kenmerken van de betrokken instelling naar nationaal recht zijn dus niet relevant voor de uitlegging van deze richtlijn door het Hof of om de prejudiciële vraag van de verwijzende rechter te kunnen beantwoorden.

Voor een dergelijk antwoord zij vastgesteld dat waar de richtlijn oneerlijke handelspraktijken steeds het begrip „consument” gebruikt, zij de andere partij bij een commerciële transactie met betrekking tot een product aanduidt met „onderneming” of „handelaar”.

Zo bepaalt artikel 3, lid 1, van die richtlijn dat zij „van toepassing [is] op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten [...] vóór, gedurende en na een [...] transactie”.

Artikel 2, sub d, van die richtlijn bepaalt dat het begrip „handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten” betrekking heeft op „iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten”. Het begrip „product” wordt in hetzelfde artikel, sub c, gedefinieerd als een goed of dienst, waarbij dus geen enkele sector wordt uitgesloten.

Dat artikel 2, sub b, definieert het begrip „handelaar” als „een natuurlijke persoon of rechtspersoon die die handelspraktijken verricht die onder [die] richtlijn vallen en die betrekking hebben op zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit, alsook degene die in naam van of voor rekenschap van hem optreedt”.

Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat voor de toepassing van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken de begrippen „onderneming” en „handelaar” dezelfde betekenis en juridische draagwijdte hebben. Voor het overige wordt het laatste begrip het meest gebruikt in de bepalingen van die richtlijn.

In dat verband blijkt meteen uit de formulering van artikel 2, sub b, van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken dat de Uniewetgever een bijzonder ruime opvatting van het begrip „handelaar” huldigt, namelijk „[elke] natuurlijke persoon of rechtspersoon” zodra deze een activiteit tegen betaling uitoefent, waarbij instellingen met een taak van algemeen belang of met een publiekrechtelijke vorm niet worden uitgesloten.

Bovendien moeten, gelet op de bewoordingen van de in artikel 2, sub a en b, van die richtlijn neergelegde definities, de betekenis en de draagwijdte van het daarin bedoelde begrip „handelaar” worden bepaald in verhouding tot het correlatieve, maar tegengestelde begrip „consument”, dat verwijst naar elke niet bedrijfs‑ of beroepsmatig handelende particulier (zie naar analogie arrest van 19 januari 1993, Shearson Lehman Hutton, C‑89/91, Jurispr. blz. I‑139, punt 22).

Publicatie
tijdschrift: 
DCCR
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016
Pagina: 
63
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

3 oktober 2013 (*)

„Richtlijn 2005/29/EG – Oneerlijke handelspraktijken – Werkingssfeer – Misleidende informatie verspreid door ziekenfonds van wettelijk socialezekerheidsstelsel – Fonds in vorm van publiekrechtelijke instelling”

In zaak C‑59/12,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) bij beslissing van 18 januari 2012, ingekomen bij het Hof op 6 februari 2012, in de procedure

BKK Mobil Oil Körperschaft des öffentlichen Rechts

tegen

Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs eV,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, M. Berger, A. Borg Barthet, E. Levits en J.‑J. Kasel (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs eV, vertegenwoordigd door C. von Gierke, Rechtsanwältin,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door W. Ferrante, avvocato dello Stato,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. van Beek en V. Kreuschitz als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 juli 2013,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB L 149, blz. 22).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen BKK Mobil Oil Körperschaft des öffentlichen Rechts (hierna: „BKK”) en de Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs eV (vereniging ter bestrijding van oneerlijke mededinging; hierna: „Wettbewerbszentrale”) over informatie die BKK onder haar leden had verspreid.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De punten 5 tot en met 8, 11, 12 en 14 van de considerans van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken luiden:

„(5) [...] [De] belemmeringen voor het grensoverschrijdend verrichten van diensten, het vrije verkeer van goederen en de vrijheid van vestiging [...] moeten [...] worden weggenomen. Dat kan alleen door op communautair niveau uniforme regels vast te stellen die een hoog niveau van consumentenbescherming waarborgen en door bepaalde rechtsbegrippen op communautair niveau te verduidelijken tot het niveau dat noodzakelijk is om de goede werking van de interne markt en de rechtszekerheid te verzekeren.

(6) Daarom wordt de wetgeving van de lidstaten betreffende oneerlijke handelspraktijken, waaronder oneerlijke reclame, die de economische belangen van de consumenten rechtstreeks en aldus de economische belangen van legitieme concurrenten onrechtstreeks schaden, bij deze richtlijn geharmoniseerd. [...]

(7) Deze richtlijn betreft handelspraktijken die rechtstreeks verband houden met het beïnvloeden van beslissingen van de consument over transacties met betrekking tot producten. [...]

(8) Deze richtlijn beschermt de economische belangen van de consument op rechtstreekse wijze tegen oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten. Daarnaast beschermt zij indirect legitieme ondernemingen tegen concurrenten die de regels in de richtlijn niet in acht nemen; hierdoor is binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn een eerlijke concurrentie gewaarborgd. [...]

[...]

(11) Het hoge niveau van convergentie dat door de onderlinge afstemming van de nationale bepalingen door deze richtlijn wordt bereikt, zorgt voor een hoog gemeenschappelijk niveau van consumentenbescherming. Deze richtlijn voorziet in één algemeen verbod op oneerlijke handelspraktijken die het economische gedrag van consumenten verstoren. [...]

(12) Door de harmonisatie zullen zowel consumenten als ondernemingen aanzienlijk meer juridische zekerheden krijgen. Zij zullen zich kunnen verlaten op één regelgevend kader op basis van duidelijk omschreven rechtsbegrippen dat alle aspecten van oneerlijke handelspraktijken in de gehele Europese Unie regelt. [...]

[...]

(14) Het is wenselijk dat onder misleidende handelspraktijken die praktijken worden verstaan waarbij de consument wordt bedrogen en hem wordt belet een geïnformeerde en dus efficiënte keuze te maken, inclusief misleidende reclame. [...]”

4 Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt:

„Het doel van deze richtlijn is om bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en om een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, te harmoniseren.”

5 Artikel 2 van deze richtlijn is als volgt geformuleerd:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) consument: een natuurlijke persoon die die handelspraktijken verricht die onder deze richtlijn vallen en die buiten zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit vallen;

b) handelaar: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die die handelspraktijken verricht die onder deze richtlijn vallen en die betrekking hebben op zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit, alsook degene die in naam van of voor rekenschap van hem optreedt;

c) product: een goed of dienst [...];

d) handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten (hierna ,de handelspraktijken’ genoemd): iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten;

[...]”

6 Artikel 3, lid 1, van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken luidt:

„Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.”

7 Artikel 5 van die richtlijn, „Verbod op oneerlijke handelspraktijken”, bepaalt:

„1. Oneerlijke handelspraktijken zijn verboden.

2. Een handelspraktijk is oneerlijk wanneer zij:

a) in strijd is met de vereisten van professionele toewijding,

en

b) het economische gedrag van de gemiddelde consument die zij bereikt of op wie zij gericht is of, indien zij op een bepaalde groep consumenten gericht is, het economisch gedrag van het gemiddelde lid van deze groep, met betrekking tot het product wezenlijk verstoort of kan verstoren.

[...]

4. Meer in het bijzonder zijn handelspraktijken oneerlijk die:

a) misleidend zijn in de zin van de artikelen 6 en 7,

[...]”

8 In artikel 6, lid 1, van die richtlijn is bepaald:

„Als misleidend wordt beschouwd een handelspraktijk die gepaard gaat met onjuiste informatie en derhalve op onwaarheden berust of, zelfs als de informatie feitelijk correct is, de gemiddelde consument op enigerlei wijze, inclusief door de algemene presentatie, bedriegt of kan bedriegen ten aanzien van een of meer van de volgende elementen, en de gemiddelde consument er zowel in het ene als in het andere geval toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen:

[...]”

Duits recht

9 De richtlijn oneerlijke handelspraktijken is in Duits recht omgezet bij het Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb (wet tegen oneerlijke mededinging, BGBl. 2004 I, blz. 1414; hierna: „UWG”).

10 § 2 UWG luidt:

„(1) In deze wet wordt verstaan onder:

1. ,handelstransactie’: elke gedraging van een persoon ten gunste van zijn eigen of een andere onderneming, vóór, gedurende of na een commerciële transactie die objectief verband houdt met de bevordering van de verkoop of aankoop van goederen of diensten of met het sluiten of uitvoeren van een overeenkomst betreffende goederen of diensten; onder goederen worden ook onroerende goederen begrepen en onder diensten ook rechten en verplichtingen;

[...]

6. ,ondernemer’: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelstransacties verricht in het kader van zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit, alsook degene die in naam van of voor rekening van hem optreedt;

[...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

11 BKK is een ziekenfonds van het Duitse wettelijke stelsel, in de vorm van een publiekrechtelijke instelling.

12 De vordering in eerste aanleg van de Wettbewerbszentrale strekte ertoe BKK de verspreiding van de volgende, in december 2008 op haar website verschenen informatie te doen staken:

„Wanneer u BKK [...] nu verlaat, dient u 18 maanden bij het nieuwe [wettelijke ziekenfonds] te blijven. Hierdoor kunt u niet profiteren van aantrekkelijke aanbiedingen die BKK [...] u volgend jaar zal doen en uiteindelijk zal u misschien moeten bijbetalen, wanneer uw nieuwe ziekenfonds niet toekomt met de hem toegewezen middelen en daarom een extra premie heft.”

13 Volgens de Wettbewerbszentrale is die informatie misleidend en dus verboden op grond van zowel de richtlijn oneerlijke handelspraktijken als het interne mededingingsrecht. BKK heeft immers niet vermeld dat naar Duits recht de verzekeringnemer in geval van heffing van een extra premie een bijzonder opzeggingsrecht heeft.

14 De Wettbewerbszentrale heeft daarom bij brief van 17 december 2008 BKK aangemaand die informatie niet meer te verspreiden en haar verzocht een verklaring in die zin met een boetebeding te ondertekenen en de buitengerechtelijke kosten te vergoeden.

15 BKK heeft daarop de betrokken informatie van haar website verwijderd. Bij brief van 6 januari 2009 heeft zij erkend dat zij onjuiste informatie had gepubliceerd en toegezegd niet langer reclame voor haar diensten te maken met de betwiste mededeling. BKK heeft evenwel meegedeeld dat zij niet bereid was, de Wettbewerbszentrale de gevraagde verklaring met een boetebeding af te geven of de buitengerechtelijke kosten te vergoeden.

16 Volgens BKK zijn de bepalingen van het UWG of de richtlijn oneerlijke handelspraktijken niet van toepassing op het hoofdgeding. Krachtens artikel 2, sub d, van die richtlijn geldt deze immers enkel voor „handelspraktijken” van een „handelaar” in de zin van artikel 2, sub b, van de richtlijn en artikel 2, lid 1, punten 1 en 6, UWG is in wezen in dezelfde bewoordingen geformuleerd als die bepalingen van bovengenoemde richtlijn. Die vereisten zijn in casu niet vervuld, aangezien BKK als publiekrechtelijke instelling niet met winstoogmerk handelt.

17 De rechter in eerste aanleg heeft BKK op straffe van een dwangsom gelast de verspreiding van de betrokken informatie als reclame en voor mededingingsdoeleinden in het kader van haar werkzaamheden te staken, en haar veroordeeld tot betaling van 208,65 EUR, vermeerderd met rente, aan de Wettbewerbszentrale.

18 Het door BKK tegen de beslissing in eerste aanleg ingestelde hoger beroep is verworpen. Met het door de appelrechter toegestane beroep in „Revision” verzoekt BKK om de vordering van de Wettbewerbszentrale af te wijzen.

19 Het Bundesgerichtshof is van oordeel dat de door BKK verspreide reclame een oneerlijke handelspraktijk in de zin van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken vormt en moet worden verboden wegens schending van het UWG.

20 Van een dergelijke schending is echter slechts sprake als de betrokken praktijk kan worden getoetst aan de voorschriften van die richtlijn, die de grondslag vormt voor het UWG.

21 Het is onduidelijk of de richtlijn oneerlijke handelspraktijken aldus moet worden uitgelegd dat een marktdeelnemer zoals BKK, die als publiekrechtelijke instelling taken in het kader van de wettelijke ziekteverzekering vervult, heeft gehandeld als „onderneming” bij de verspreiding van de betwiste informatie. Betoogd kan immers worden dat een dergelijke instelling geen economische activiteit uitoefent, maar een zuiver sociaal doel nastreeft.

22 In die omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet artikel 3, lid 1, juncto artikel 2, sub d, van [de richtlijn oneerlijke handelspraktijken] aldus worden uitgelegd, dat ook van een – als handelspraktijk van een onderneming jegens consumenten te beschouwen – gedraging van een handelaar sprake kan zijn wanneer een wettelijk ziekenfonds zijn leden (misleidende) informatie verschaft over de nadelen die voor deze leden gepaard gaan met een overstap naar een ander wettelijk ziekenfonds?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

23 Vooraf zij opgemerkt dat blijkens de stukken het Bundesgerichtshof van oordeel is dat de mededeling die aanleiding heeft gegeven tot het hoofdgeding moet worden gekwalificeerd als een misleidende praktijk in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken en dat het voornemens is deze te verbieden overeenkomstig artikel 5, lid 1, van die richtlijn en het UWG.

24 Daartoe vraagt de verwijzende rechter zich evenwel af of de verstrekker van die informatie, in casu BKK, onder de personele werkingssfeer van die richtlijn valt, hoewel het een publiekrechtelijke instelling betreft die is belast met een taak van algemeen belang zoals het beheer van een verplichte ziekteverzekering.

25 Om vast te stellen of een nationale instelling zoals BKK, die een publiekrechtelijke vorm heeft en is belast met het beheer van een verplichte ziekteverzekering, moet worden beschouwd als een „onderneming” in de zin van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken en zij in die hoedanigheid is onderworpen aan de voorschriften van die richtlijn indien zij, zoals in casu, misleidende informatie verstrekt aan haar leden, moet eerst in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof met het oog op de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel als algemene regel dient te gelden dat de bewoordingen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de gehele Europese Unie autonoom en op eenvormige wijze moeten worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de context van de bepaling en met het doel van de betrokken regeling (zie onder meer arresten van 19 september 2000, Linster, C‑287/98, Jurispr. blz. I‑6917, punt 43; 11 maart 2003, Ansul, C‑40/01, Jurispr. blz. I‑2439, punt 26, en 30 juni 2011, VEWA, C‑271/10, Jurispr. blz. I‑5815, punt 25).

26 De kwalificatie, rechtsvorm en specifieke kenmerken van de betrokken instelling naar nationaal recht zijn dus niet relevant voor de uitlegging van deze richtlijn door het Hof of om de prejudiciële vraag van de verwijzende rechter te kunnen beantwoorden.

27 Voor een dergelijk antwoord zij vastgesteld dat waar de richtlijn oneerlijke handelspraktijken steeds het begrip „consument” gebruikt, zij de andere partij bij een commerciële transactie met betrekking tot een product aanduidt met „onderneming” of „handelaar”.

28 Zo bepaalt artikel 3, lid 1, van die richtlijn dat zij „van toepassing [is] op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten [...] vóór, gedurende en na een [...] transactie”.

29 Artikel 2, sub d, van die richtlijn bepaalt dat het begrip „handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten” betrekking heeft op „iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten”. Het begrip „product” wordt in hetzelfde artikel, sub c, gedefinieerd als een goed of dienst, waarbij dus geen enkele sector wordt uitgesloten.

30 Dat artikel 2, sub b, definieert het begrip „handelaar” als „een natuurlijke persoon of rechtspersoon die die handelspraktijken verricht die onder [die] richtlijn vallen en die betrekking hebben op zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit, alsook degene die in naam van of voor rekenschap van hem optreedt”.

31 Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat voor de toepassing van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken de begrippen „onderneming” en „handelaar” dezelfde betekenis en juridische draagwijdte hebben. Voor het overige wordt het laatste begrip het meest gebruikt in de bepalingen van die richtlijn.

32 In dat verband blijkt meteen uit de formulering van artikel 2, sub b, van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken dat de Uniewetgever een bijzonder ruime opvatting van het begrip „handelaar” huldigt, namelijk „[elke] natuurlijke persoon of rechtspersoon” zodra deze een activiteit tegen betaling uitoefent, waarbij instellingen met een taak van algemeen belang of met een publiekrechtelijke vorm niet worden uitgesloten.

33 Bovendien moeten, gelet op de bewoordingen van de in artikel 2, sub a en b, van die richtlijn neergelegde definities, de betekenis en de draagwijdte van het daarin bedoelde begrip „handelaar” worden bepaald in verhouding tot het correlatieve, maar tegengestelde begrip „consument”, dat verwijst naar elke niet bedrijfs‑ of beroepsmatig handelende particulier (zie naar analogie arrest van 19 januari 1993, Shearson Lehman Hutton, C‑89/91, Jurispr. blz. I‑139, punt 22).

34 Zoals met name blijkt uit artikel 1 en punt 23 van de considerans van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken, strekt deze ertoe een hoog gemeenschappelijk niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de regels inzake oneerlijke handelspraktijken – oneerlijke reclame van handelaars jegens consumenten daaronder begrepen –, die de economische belangen van de consument schaden, volledig te harmoniseren (zie in die zin arrest van 9 november 2010, Mediaprint Zeitungs‑ und Zeitschriftenverlag, C‑540/08, Jurispr. blz. I‑10909, punt 27).

35 Deze doelstelling van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken, die erin bestaat de consument ten volle te beschermen tegen dergelijke praktijken, komt voort uit de omstandigheid dat de consument zich tegenover een handelaar in een zwakkere positie bevindt, in die zin dat hij als de economisch zwakkere en juridisch minder ervaren contractpartij moet worden beschouwd (zie naar analogie arrest Shearson Lehman Hutton, reeds aangehaald, punt 18).

36 Voorts heeft het Hof reeds geoordeeld dat voor de uitlegging van deze richtlijn het begrip consument een doorslaggevende rol speelt en dat de bepalingen ervan voornamelijk zijn opgesteld met het oog op de consument als bestemmeling en slachtoffer van de oneerlijke handelspraktijken (zie in die zin arresten van 12 mei 2011, Ving Sverige, C‑122/10, Jurispr. blz. I‑3903, punten 22 en 23, en 19 september 2013, CHS Tour Services, C‑435/11, punt 43).

37 In een situatie zoals die in het hoofdgeding lopen de leden van BKK, die duidelijk moeten worden beschouwd als consumenten in de zin van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken, het risico te worden misleid door de misleidende informatie die deze instelling heeft verspreid en hen belet een geïnformeerde keuze te maken (zie punt 14 van de considerans van die richtlijn), zodat zij ertoe worden gebracht een besluit te nemen dat zij zonder die informatie niet hadden genomen, zoals is bepaald in artikel 6, lid 1, van die richtlijn. In dat verband is irrelevant of het gaat om een publiekrechtelijke of particuliere instelling en welke specifieke taak zij behartigt.

38 Gelet op een en ander moet een instelling zoals BKK worden beschouwd als een „handelaar” in de zin van die richtlijn.

39 Deze uitlegging is immers de enige die de volle werking van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken verzekert, daar zij waarborgt dat, overeenkomstig het vereiste van een hoog niveau van consumentenbescherming, oneerlijke handelspraktijken doeltreffend worden bestreden.

40 Een dergelijke uitlegging is ook in overeenstemming met de ruime materiële werkingssfeer die al aan die richtlijn is toegekend (zie in die zin arrest Mediaprint Zeitungs‑ und Zeitschriftenverlag, reeds aangehaald, punt 21).

41 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat de richtlijn oneerlijke handelspraktijken aldus moet worden uitgelegd dat een publiekrechtelijke instelling die is belast met een taak van algemeen belang, zoals het beheer van een verplichte ziekteverzekering, binnen de personele werkingssfeer ervan valt.

Kosten

42 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) moet aldus worden uitgelegd dat een publiekrechtelijke instelling die is belast met een taak van algemeen belang, zoals het beheer van een verplichte ziekteverzekering, binnen de personele werkingssfeer ervan valt.

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL Y. BOT
van 4 juli 2013(1)
Zaak C‑59/12

BKK Mobil Oil Körperschaft des öffentlichen Rechts
tegen
Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs eV
[verzoek van het Bundesgerichtshof (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Bescherming van consument – Oneerlijke handelspraktijken – Richtlijn 2005/29/EG – Personele werkingssfeer – Misleidende informatie verspreid door ziekenfonds in vorm van publiekrechtelijke instelling – Begrip ,handelaar’”

 

 

1. Met deze prejudiciële vraag verzoekt het Bundesgerichtshof (Duitsland) het Hof om het begrip „handelaar” in de zin van richtlijn 2005/29/EG(2) betreffende oneerlijke handelspraktijken uit te leggen en op die manier de werkingssfeer van de daarin opgenomen regels af te bakenen. Meer bepaald is de vraag of misleidende reclame die een met een taak van algemeen belang belaste publiekrechtelijke instelling, zoals een ziekenfonds, verspreidt, een oneerlijke handelspraktijk van een handelaar ten aanzien van een consument kan vormen en dus kan worden verboden door de lidstaten.

2. Deze vraag is gerezen in het kader van een geding tussen BKK Mobil Oil Körperschaft des öffentlichen Rechts (hierna: „BKK”), een Duits ziekenfonds, en de Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs eV (vereniging ter bestrijding van oneerlijke mededinging; hierna: „Wettbewerbszentrale”) over reclame die BKK onder haar leden had verspreid en die als misleidend werd beschouwd.

3. Het is duidelijk wat het belang is van het antwoord op de vraag van de verwijzende rechter. Het gaat erom het toepassingsgebied van de richtlijn af te bakenen en in het bijzonder te bepalen welke concrete omvang de Uniewetgever heeft willen geven aan de begrippen handelaar en onderneming, die hij zonder onderscheid door elkaar gebruikt. Het doel is duidelijk, namelijk overeenkomstig de in artikel 169 VWEU neergelegde doelstelling een hoog niveau van consumentenbescherming te verzekeren, door te waarborgen dat de in de richtlijn bedoelde oneerlijke handelspraktijken efficiënt en samenhangend worden bestreden, en met name te verhinderen dat de consument geen bescherming geniet wegens de rechtsvorm die de betrokken entiteit aanneemt.

4. In de onderhavige conclusie geef ik het Hof in overweging te kiezen voor de uitlegging die wordt voorgesteld door de verwijzende rechter evenals de Italiaanse regering en de Europese Commissie in hun schriftelijke opmerkingen.

5. Ik zal namelijk betogen dat de aard en het gewicht van het algemeen belang waarop de bescherming van de consument berust, rechtvaardigen dat de betrokken bepalingen van toepassing kunnen zijn op het gedrag van een instelling die, ongeacht haar rechtsvorm of de haar toebedeelde taak van algemeen belang, haar plicht tot professionele toewijding niet nakomt en in haar sector gebruikmaakt van oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten. Ik geef het Hof bijgevolg in overweging te oordelen dat zoals elke andere marktdeelnemer met een dergelijke activiteit een instelling zoals die in het hoofdgeding kan worden gekwalificeerd als „handelaar” in de zin van de betrokken bepalingen wanneer zij commerciële reclame onder consumenten verspreidt.

6. Deze beoordeling is gebaseerd op de rechtspraak van het Hof inzake het begrip onderneming in het mededingingsrecht, de bewoordingen van artikel 2, sub b, van de richtlijn en het doel van deze richtlijn.

I – Toepasselijke bepalingen

A – Unierecht

7. Krachtens artikel 1 van de richtlijn, gelezen in samenhang met punt 14 van de considerans ervan, heeft deze tot doel een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de nationale wettelijke regelingen inzake oneerlijke handelspraktijken volledig te harmoniseren.

8. De door de Uniewetgever gebruikte begrippen worden gedefinieerd in artikel 2 van de richtlijn. Krachtens dat artikel 2, sub b, moet onder „handelaar” worden verstaan „een natuurlijke persoon of rechtspersoon die die handelspraktijken verricht die onder [de] richtlijn vallen en die betrekking hebben op zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit, alsook degene die in naam van of voor rekenschap van hem optreedt”.

9. Voorts wordt in artikel 2, sub d, van de richtlijn onder „handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten” verstaan „iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten”.

10. Artikel 3, lid 1, van de richtlijn bepaalt dat deze „van toepassing [is] op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten [...] vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product”.

11. Tot slot bevat artikel 5, lid 1, van de richtlijn een principieel verbod op oneerlijke handelspraktijken. Lid 2 van die bepaling bepaalt wat betreft de constitutieve bestanddelen van een dergelijke praktijk het volgende:

„Een handelspraktijk is oneerlijk wanneer zij:

a) in strijd is met de vereisten van professionele toewijding,

en

b) het economische gedrag van de gemiddelde consument die zij bereikt of op wie zij gericht is [...] met betrekking tot het product wezenlijk verstoort of kan verstoren.”

B – Duits recht

12. De richtlijn is in Duits recht omgezet bij het Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb(3) (wet tegen oneerlijke mededinging).

13. De begrippen handelspraktijk en handelaar zijn gedefinieerd in § 2 UWG, terwijl de §§ 3 en 5 UWG het verbod op oneerlijke, respectievelijk misleidende handelspraktijken bevatten.

II – Hoofdgeding en prejudiciële vraag

14. Het hoofdgeding heeft betrekking op reclame die BKK onder haar leden heeft verspreid in december 2008 en die luidde:

„Wanneer u BKK [...] nu verlaat, dient u 18 maanden bij het nieuwe [ziekenfonds] te blijven. Hierdoor kunt u niet profiteren van aantrekkelijke aanbiedingen die BKK [...] u volgend jaar zal doen en uiteindelijk zal u misschien moeten bijbetalen, wanneer uw nieuwe ziekenfonds niet toekomt met de hem toegewezen middelen en daarom een extra premie heft.”

15. Wettbewerbszentrale heeft voor de nationale rechter betoogt dat BKK misleidende reclame verspreidt. Zij verlangt met name dat deze reclame wordt ingetrokken en dat de buitengerechtelijke kosten worden terugbetaald. Volgens BKK valt haar actie niet onder de bepalingen van de richtlijn op grond dat zij in haar hoedanigheid van publiekrechtelijke instelling die is belast met een taak van algemeen belang geen winstoogmerk heeft en dus niet kan worden gekwalificeerd als „handelaar” in de zin van artikel 2, sub b, van de richtlijn.

16. De verwijzende rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, vraagt naar het toepassingsgebied van de richtlijn. Hij vraagt zich af of BKK zich, door zo te handelen ten aanzien van haar leden, heeft gedragen als een „handelaar” in de zin van artikel 2, sub b, van de richtlijn, zodat haar gedrag een oneerlijke handelspraktijk zou kunnen vormen die is verboden krachtens artikel 5, lid 1, van de richtlijn en § 3 UWG.

17. Gezien zijn twijfel over de uitlegging van de betrokken bepalingen, heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende vraag gesteld:

„Moet artikel 3, lid 1, [van de richtlijn] juncto artikel 2, sub d, van [de richtlijn] aldus worden uitgelegd, dat ook van een – als handelspraktijk van een onderneming jegens consumenten te beschouwen – gedraging van een handelaar sprake kan zijn wanneer een wettelijk ziekenfonds zijn leden (misleidende) informatie verschaft over de nadelen die voor deze leden gepaard gaan met een overstap naar een ander wettelijk ziekenfonds?”

18. Wettbewerbszentrale, de Italiaanse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend bij het Hof.

III – Analyse

19. Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of artikel 3, lid 1, van de richtlijn juncto artikel 2, sub d, daarvan, aldus moet worden uitgelegd dat een publiekrechtelijke instelling die is belast met het beheer van een verplichte ziekteverzekering kan worden gekwalificeerd als „handelaar” of „onderneming” wanneer zij aan haar leden misleidende reclame richt die, in dat geval, een oneerlijke handelspraktijk kan uitmaken.

20. De vraag is dus of in de context van het consumentenrecht een publiekrechtelijke instelling die is belast met een taak van algemeen belang, zoals een ziekenfonds, kan worden gekwalificeerd als „handelaar” of „onderneming”, of dat die instelling, gelet op de regeling die haar handelen beheerst en de taak die haar is toebedeeld, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de richtlijn.

21. Alvorens de vraag van het Bundesgerichtshof te onderzoeken, wens ik drie opmerkingen te maken.

22. In de eerste plaats zou het antwoord op de vraag van de verwijzende rechter moeten leiden tot een autonome en uniforme uitlegging van het begrip handelaar in de gehele Europese Unie. Zoals duidelijk blijkt uit punt 14 van de considerans van de richtlijn beoogt de Uniewetgever immers een volledige harmonisatie van de regels inzake bestrijding van oneerlijke handelspraktijken en laat hij aan het recht van de lidstaten enkel de vaststelling over van het stelsel van toepasselijke sancties in geval van schending van de in de richtlijn neergelegde maatregelen.(4) In dit verband moet het Hof dus de betekenis en de draagwijdte van dit begrip vaststellen, in het bijzonder rekening houdend met de context waarin het wordt gebruikt en de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarvan het deel uitmaakt.(5)

23. In de tweede plaats moet de van het Hof gevraagde uitlegging leiden tot een coherentere en uniformere toepassing van het begrip handelaar in de ruimere context van het consumentenrecht. Hoewel de Uniewetgever en het Hof voortdurend de doelstelling van consumentenbescherming nastreven, wordt de handelaar niet duidelijk gedefinieerd, wat paradoxaal is. Dat begrip kent namelijk geen eenduidige definitie, hoewel het een fundamenteel begrip betreft voor de verwezenlijking van de rechten van de consument, dat gemeenschappelijk is aan alle teksten inzake consumentenrechten.(6) Zoals de Commissie heeft opgemerkt in haar groenboek van 8 februari 2007 inzake de herziening van het consumentenacquis(7), kan voor die verschillen geen echte rechtvaardiging worden gevonden in het specifieke voorwerp van de betrokken richtlijnen en wordt de onzekerheid die daardoor ontstaat nog vergroot doordat de lidstaten minimumclausules gebruiken om de vage definities van het begrip handelaar op verschillende manieren uit te breiden.(8)

24. In de derde plaats stelt de verwijzende rechter de vraag voor zover het Hof op het gebied van het mededingingsrecht heeft geoordeeld dat het begrip onderneming geen entiteiten omvat die activiteiten met een zuiver sociaal doel uitoefenen, zoals de activiteiten van de Duitse ziekenfondsen of de instellingen die meewerken aan het beheer van de openbare dienst van de sociale zekerheid.(9) Die uitlegging betreft weliswaar een ander soort geschillen dan die welke hier in casu aan de orde zijn, maar kan een lezing aanreiken die relevant is voor mijn analyse. Om die reden begin ik in mijn onderzoek met deze rechtspraak.

25. In het mededingingsrecht definieert het Hof de onderneming als „elke eenheid [...] die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd”.(10) Het begrip onderneming is dus een functioneel begrip. De onderneming wordt voornamelijk bepaald door haar economische activiteit, die volgens het Hof moet bestaan in het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt.(11) Het begrip onderneming wordt niet gedefinieerd door de rechtsvorm van de entiteit en zelfs niet de wijze waarop zij wordt gefinancierd. Die uitlegging is noodzakelijk voor een efficiënte tenuitvoerlegging van de in de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU neergelegde regels, omdat zo wordt vermeden dat marktdeelnemers zich aan de mededingingsregels onttrekken door een rechtsvorm aan te nemen die hen van de werkingssfeer daarvan zou uitsluiten.

26. In zijn arrest Commissie/Italië(12) heeft het Hof een overheidsinstelling, de Amministrazione autonoma dei monopoli di Stato, die afhangt van het Italiaanse ministerie van Financiën, gekwalificeerd als „onderneming”. Het Hof heeft er rekening mee gehouden dat die instelling economische activiteiten van industriële of commerciële aard verrichtte, die bestonden in het aanbieden van goederen en diensten op de markt, waarbij volgens het Hof de vraag of de instelling krachtens het nationale recht over een eigen, van de staat onderscheiden rechtspersoonlijkheid beschikte irrelevant was om vast te stellen of zij moest worden aangemerkt als een onderneming. Met die rechtspraak beoogt het Hof dus overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan speciale of exclusieve rechten zijn toegekend en ondernemingen die zijn belast met het beheer van diensten van algemeen belang.

27. In de zin van het mededingingsrecht moet een overheidsinstelling dus worden beschouwd als een onderneming wanneer vaststaat dat de staat door middel van die entiteit economische activiteiten van industriële of commerciële aard uitoefent die erin bestaan dat goederen of diensten op een bepaalde markt worden aangeboden.

28. Het Hof heeft daarentegen twee soorten activiteiten uitgesloten van het begrip onderneming, namelijk die welke de uitoefening van overheidsprerogatieven inhouden(13) en die welke een zuiver sociaal doel nastreven(14). Wanneer de betreffende activiteit dus samenhangt met de uitoefening van overheidsgezag of de verwezenlijking van een zuiver sociale opdracht, is zij niet economisch van aard, zodat de betrokken instelling niet als „onderneming” kan worden gekwalificeerd.

29. In dat verband is het arrest AOK Bundesverband e.a., reeds aangehaald, bijzonder interessant. In de zaak die heeft geleid tot dat arrest was het Hof immers verzocht de activiteit te kwalificeren van Duitse ziekenfondsen, zoals die in het hoofdgeding, in het licht van de in de artikelen 101 VWEU, 102 VWEU en 106 VWEU neergelegde regels. In eerste instantie heeft het Hof geoordeeld dat ziekenfondsen of instellingen die meewerken aan het beheer van de openbare dienst van de sociale zekerheid een zuiver sociale functie uitoefenen waardoor zij niet mogen worden gelijkgesteld met ondernemingen. Het Hof heeft zich voor die conclusie gebaseerd op de omstandigheid dat de aansluiting bij het socialezekerheidsstelsel verplicht was en op het solidariteitsbeginsel, dat de grondslag van dat stelsel vormt. Verderop in zijn oordeel heeft het Hof echter aanvaard dat het beslist mogelijk is dat „de ziekenfondsen [...] naast hun uitsluitend sociale taken in het kader van het beheer van het Duitse socialezekerheidsstelsel, ook handelingen verrichten die geen sociaal doel hebben, maar van economische aard zijn”.(15) Het Hof heeft uitdrukkelijk erkend dat in dat geval de beslissingen die ziekenfondsen in dat kader nemen eventueel als besluiten van ondernemingen kunnen worden aangemerkt.(16) Op basis van die beginselen heeft de Unierechter in het arrest Aéroports de Paris/Commissie(17) een onderscheid gemaakt tussen enerzijds zuiver administratieve activiteiten, met name de bestuursopdrachten waarmee de entiteit is belast, en anderzijds activiteiten inzake beheer en exploitatie van de Parijse luchthavens, waarvoor commerciële vergoedingen worden betaald en die dus een economische activiteit vormen.

30. Die zaken tonen bijzonder goed de dualiteit van de functies van bepaalde ondernemingen die zijn belast met taken van algemeen belang, ongeacht of het gaat om de levering van water en energie, transport, afvalbeheer, sociale diensten en gezondheidszorg, onderwijs of postdiensten.

31. Zoals gezegd lijkt de benadering van de Unierechter in die zaken mij relevant voor mijn analyse.

32. Het mededingingsrecht en het consumentenrecht verschillen natuurlijk substantieel wat betreft aard en werkingssfeer. Zij hebben ook onderscheiden doelstellingen en de Uniewetgever heeft er daarom zorg voor gedragen een onderscheid te maken tussen de in de artikelen 101 VWEU tot en met 106 VWEU neergelegde regels die gelden voor ondernemingen in het kader van het mededingingsrecht en de regels inzake consumentenbescherming die zijn opgenomen in artikel 169 VWEU. Zowel het mededingingsrecht als het consumentenrecht behoren echter tot het economische recht en dragen bij tot marktregulering door preventie en bestrijding van de excessen die inherent zijn aan de vrije werking van de markt en waar de consument en concurrerende ondernemingen het slachtoffer van zijn. Het begrip onderneming in het kader van het mededingingsrecht is een functioneel begrip, dat wordt gedefinieerd door de uitsluitende uitoefening van een economische activiteit, maar van het begrip handelaar in het kader van het consumentenrecht kan volgens mij hetzelfde worden gezegd. Daarvoor baseer ik mij op de bewoordingen van artikel 2 van de richtlijn – dat de concrete draagwijdte van artikel 3, lid 1, van de richtlijn nader omschrijft – en het doel van de richtlijn.

33. Zoals gezegd wordt de handelaar krachtens artikel 2, sub b, van de richtlijn gedefinieerd als „een natuurlijke persoon of rechtspersoon die die handelspraktijken verricht die onder [de] richtlijn vallen en die betrekking hebben op zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit”.

34. Het is duidelijk dat de Uniewetgever de medecontractant van de consument bijzonder ruim definieert. Enerzijds neemt hij door gebruik van de uitdrukking „een natuurlijke persoon of rechtspersoon” zowel de privaatrechtelijke als de publiekrechtelijke rechtspersonen op in de groep van betrokken entiteiten. Het is overbodig aan te geven dat de publiekrechtelijke rechtspersonen doorgaans zijn opgericht om een doel van algemeen belang na te streven.

35. Anderzijds wordt de handelaar gedefinieerd op basis van zijn commerciële activiteit. Ik herinner eraan dat de richtlijn enkel „handelspraktijken” van ondernemingen betreft, die in artikel 2, sub d, van de richtlijn worden gedefinieerd als „iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, [...] die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten”.

36. In dat verband is het interessant op te merken dat de definitie van het begrip handelaar die de Uniewetgever geeft in artikel 2, sub b, van de richtlijn identiek is aan die welke hij gebruikt om de handelaar te definiëren in het kader van colportagerichtlijn 85/577/EEG.(18)

37. Onder handelaar moet gelet op bovenvermelde bepalingen dus worden verstaan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de betreffende context en ongeacht zijn publieke of particuliere aard handelt in het kader van een commerciële activiteit.

38. Het is eveneens nuttig op te merken dat in de Engelse versie van de richtlijn voor het begrip handelaar de term „trader” wordt gehanteerd en voor onderneming „business”. Het begrip „business” heeft geen equivalent in het Frans. Wanneer het echter betrekking heeft op de activiteit van een persoon, wordt het door elkaar vertaald met de uitdrukking „activité professionnelle ou commerciale” (professionele of commerciële activiteit) of met „commerce” (handel). Wanneer het degene die deze activiteit uitoefent, beoogt, wordt het vertaald door „professionnel” (verkoper) of „commerçant” (handelaar).(19)

39. Volgens mij kan op grond van de bewoordingen van artikel 2, sub b en d, van de richtlijn het begrip handelaar worden beschouwd als een functioneel begrip, dat wordt bepaald door de uitoefening van een commerciële activiteit en losstaat van de rechtsvorm en de taken van de entiteit. Een dergelijke definitie omvat dus met een taak van algemeen belang belaste entiteiten die, zoals reeds uiteengezet, mogelijk economische activiteiten van lucratieve aard verrichten waarbij bepaalde oneerlijke gedragingen aan de orde kunnen zijn.

40. Uiteraard verlangt deze kwalificatieoefening een benadering van geval tot geval. Voor een instelling zoals die welke hier aan de orde is, moet worden gekeken naar de aard van de activiteit waarmee de betrokken handeling in verband staat en moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de handelingen die een zuiver sociaal doel nastreven – die niet commercieel zijn en dus zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de richtlijn – en anderzijds de handelingen in het kader van een economische of commerciële activiteit, zoals de reclame in casu, die, hoewel bijkomstig, onder dat toepassingsgebied kunnen vallen.

41. Deze uitlegging van het begrip handelaar strookt met die van de Uniewetgever in het ruimere kader van de richtlijnen inzake consumentenrechten. Zo wordt in richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten(20) de verkoper gedefinieerd als „iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die [...] handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit”(21) en in richtlijn 98/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten(22) als „iedere natuurlijke of rechtspersoon die producten verkoopt of te koop aanbiedt in het kader van zijn handels-, beroeps- of bedrijfsactiviteit”.(23) In de nieuwe richtlijn 2011/83/EU(24) heeft de Uniewetgever de handelaar gedefinieerd als „iedere natuurlijke persoon of iedere rechtspersoon, ongeacht of deze privaat of publiek is, die met betrekking tot onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt, mede via een andere persoon die namens hem of voor zijn rekening optreedt, in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit”.(25)

42. Al die richtlijnen hebben gemeen dat de handelaar zowel een natuurlijke persoon als een – privaat- of publiekrechtelijke – rechtspersoon kan zijn die in zijn verhouding met de consument handelt in het kader van zijn commerciële of professionele activiteit, wat veronderstelt dat hij optreedt in het kader van een regelmatige winstgevende activiteit.

43. Gelet op de bewoordingen van artikel 2, sub b, van de richtlijn, zie ik dus geen reden om publiekrechtelijke rechtspersonen die zijn belast met een taak van algemeen belang, zoals een ziekenfonds, uit te sluiten van het toepassingsgebied van de richtlijn wanneer zij gebruikmaken van een handelspraktijk.

44. Ik ben bovendien van mening dat het begrip handelaar conform het doel van de richtlijn zich moet uitstrekken tot een dergelijke instelling.

45. De richtlijn beoogt immers een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen en te verzekeren dat de handelstransacties eerlijk verlopen door preventie en bestrijding van oneerlijke handelspraktijken.(26)

46. Om die doelstellingen te bereiken heeft de Uniewetgever ervoor gekozen de nationale wettelijke regelingen volledig te harmoniseren en heeft hij geopteerd voor een bijzonder ruim toepassingsgebied van de richtlijn. Artikel 3, lid 1, ervan bepaalt immers dat zij zich uitstrekt tot alle transacties tussen handelaars en consumenten, in alle sectoren en niet alleen van toepassing is op de fases van reclame of verkoop, maar ook gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.

47. De ratio legis van de richtlijn wordt uitgedrukt in artikel 5, dat oneerlijke handelspraktijken in beginsel verbiedt. Die bepaling moet dus handelingen in het kader van een commerciële activiteit voorkomen of bestraffen die in strijd zijn met de vereisten van de professionele toewijding en het economische gedrag van de consument wezenlijk kunnen veranderen. De richtlijn strekt er dus toe te verzekeren dat consumenten niet worden misleid of blootgesteld aan agressieve marketing en dat elke bewering van een handelaar in het kader van zijn commerciële activiteit duidelijk, juist en gewettigd is, zodat de consument geïnformeerde en oordeelkundige keuzes kan maken.

48. Om te verzekeren dat een dergelijke bepaling doeltreffend is en oneerlijke handelspraktijken op termijn efficiënt en coherent worden bestreden, lijkt het mij niet enkel legitiem, maar zelfs noodzakelijk dat een instelling zoals die in het hoofdgeding als „handelaar” kan worden gekwalificeerd wanneer zij jegens de consument – in casu haar leden – een commerciële handeling verricht. Volgens mij kan niets rechtvaardigen dat de rechtsvorm van die instelling of de taken waarmee zij is belast de consument alle bescherming ontnemen ten aanzien van een handeling waarmee hij is misleid of bedrogen.

49. In de eerste plaats betekent de omstandigheid dat een publiekrechtelijke instelling is belast met een taak van algemeen belang niet a fortiori dat zij geen commerciële of economische activiteit uitoefent in haar sector. Zoals reeds vermeld, is in dat verband de beoordeling van het Hof in zijn arrest AOK Bundesverband e.a., reeds aangehaald, bijzonder illustratief, aangezien de zaak die heeft geleid tot dat arrest betrekking had op de taken en activiteiten van Duitse ziekenfondsen. Ik breng in herinnering dat in dat arrest het Hof uitdrukkelijk heeft erkend dat ziekenfondsen ook handelingen kunnen verrichten die geen sociaal doel hebben, maar van economische aard zijn.(27) Het is noodzakelijk dat die handelingen van economische aard voldoen aan de in de richtlijn neergelegde regels, zoals alle handelingen van dezelfde aard die een particuliere aanbieder kan stellen.

50. In de tweede plaats kan niet worden gerechtvaardigd dat een publiekrechtelijke instelling die is belast met een taak van algemeen belang dermate essentiële regels als die van de professionele toewijding niet hoeft te respecteren of wegens de haar toebedeelde taken mag liegen tegen de consument of zich oneerlijk mag gedragen tegenover andere marktdeelnemers. Het spreekt voor zich dat de beperkingen waarmee een dergelijke instelling wordt geconfronteerd ingevolge haar taak van algemeen belang haar niet ontheft van de verplichting, blijk te geven van goede trouw in haar sector en te handelen met zorg en bekwaamheid jegens de consument, aangezien de professionele toewijding geldt voor alle soorten activiteiten, en misschien nog meer in domeinen die onder het algemeen belang vallen, zoals dat van de gezondheidszorg. Ik zie dus geen reden om een dergelijke instelling, voor wat haar commerciële activiteit betreft, te onderwerpen aan andere regels dan die waaraan een privaatrechtelijke instelling is onderworpen.

51. Gelet op een en ander ben ik er dus van overtuigd dat de aard en het gewicht van het algemeen belang waarop de bescherming van de consument berust, rechtvaardigen dat artikel 5 van de richtlijn ook geldt voor handelingen van ondernemingen die – ongeacht hun vorm en de taak van algemeen belang die hen is toebedeeld – hun plicht van professionele toewijding niet nakomen en in hun sector gebruikmaken van oneerlijke handelspraktijken.

52. Bijgevolg, wanneer de handeling in casu aan de uitdrukkelijk in artikel 5 van de richtlijn neergelegde voorwaarden voldoet – namelijk dat het gaat om een handelspraktijk die in strijd is met de vereisten van professionele toewijding en het economische gedrag van de consument wezenlijk kan veranderen – vormt zij per definitie een oneerlijke handelspraktijk, ongeacht de privaat- of publiekrechtelijke regeling die de betrokken instelling beheerst en de taak van algemeen belang die haar is toebedeeld.

53. Indien dergelijke instellingen van het toepassingsgebied van de richtlijn waren uitgesloten, zou het nuttig effect van de richtlijn in het gedrang komen omdat het toepassingsgebied ervan significant zou worden ingeperkt.

54. Bovendien zou, indien de regels van de richtlijn werden toegepast naargelang de aard van de regeling waaronder de handelaar optreedt en de taken die hem zijn toebedeeld, een asymmetrische consumentenbescherming ontstaan in de Unie, wat de harmonisatie die de Uniewetgever nastreeft in gevaar kan brengen. De manier waarop de diensten van algemeen belang worden beheerd verschilt immers tussen de lidstaten, aangezien zij het beheer ervan kunnen toevertrouwen aan een overheidsonderneming of kunnen delegeren aan een particuliere onderneming. Voorts kan het geheel van activiteiten die onder het algemeen belang vallen ook verschillen per lidstaat, wat overigens naar voren is gekomen door het effect van het openstellen van diensten van algemeen belang voor mededinging en de snelheid waarmee lidstaten daartoe overgaan. De grens tussen activiteiten die behoren tot diensten van algemeen belang sensu stricto en daarmee samenhangende activiteiten die aan de mededinging zijn onderworpen, is dus veranderlijk en fluctueert, wat vanzelfsprekend geen beoordelingscriterium kan vormen.

55. Bijgevolg ben ik van mening, gelet op de doelstellingen die de Uniewetgever nastreeft, dat het begrip „handelaar” in artikel 2, sub b, van de richtlijn zich moet uitstrekken tot publiekrechtelijke rechtspersonen die zijn belast met een taak van algemeen belang, zoals een ziekenfonds, wanneer deze gebruikmaken van een handelspraktijk.

56. Op grond van het voorgaande moet artikel 3, lid 1, van de richtlijn, juncto artikel 2, sub d, daarvan volgens mij bijgevolg aldus worden uitgelegd dat een publiekrechtelijke instelling die is belast met een taak van algemeen belang, zoals een ziekenfonds, kan worden gekwalificeerd als „handelaar” wanneer zij commerciële reclame onder consumenten verspreidt.

IV – Conclusie

57. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de vraag van het Bundesgerichtshof als volgt te beantwoorden:

„Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (‚richtlijn oneerlijke handelspraktijken’), juncto artikel 2, sub d, van richtlijn 2005/29, moet aldus worden uitgelegd dat een publiekrechtelijke instelling die is belast met een taak van algemeen belang, zoals een ziekenfonds, kan worden gekwalificeerd als ‚handelaar’ wanneer zij commerciële reclame onder consumenten verspreidt.”

1 – Oorspronkelijke taal: Frans.

2 – Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB L 149, blz. 22; hierna: „richtlijn”).

3 – BGBl. 2004 I, blz. 1414; hierna: „UWG”.

4 – Artikel 13 van de richtlijn.

5 – In herinnering zij gebracht dat, volgens thans vaste rechtspraak, de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel vereisen dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Unie autonoom en uniform worden uitgelegd met inachtneming van de context van de bepaling en de doelstelling van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arrest van 21 december 2011, Ziolkowski en Szeja, C‑424/10 en C‑425/10, Jurispr. blz. I-14035, punten 32 en 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

6 – In dat verband is het interessant erop te wijzen dat in het ruimere kader van het consumentenrecht de Uniewetgever geen uniforme terminologie gebruikt om de medecontractant van de consument aan te duiden. Deze wordt wisselend aangeduid met de benaming handelaar of onderneming, zoals in de richtlijn, of verkoper, leverancier of vervreemder, terwijl in de Engelstalige versies van de richtlijnen inzake consumentenrecht de termen „trader”, „seller”, „supplier”, „vendor” en „business” worden gebruikt.

7 – COM(2006) 744 definitief.

8 – Punten 4.1 en 4.2 van bijlage I.

9 – Arrest van 16 maart 2004, AOK Bundesverband e.a. (C‑264/01, C‑306/01, C‑354/01 en C‑355/01, Jurispr. blz. I‑2493).

10 – Arrest van 23 april 1991, Höfner en Elser (C‑41/90, Jurispr. blz. I‑1979, punt 21).

11 – Arrest van 11 juli 2006, FENIN/Commissie (C‑205/03 P, Jurispr. blz. I‑6295, punt 25).

12 – Arrest van 16 juni 1987 (118/85, Jurispr. blz. 2599).

13 – Arrest van 19 januari 1994, SAT Fluggesellschaft (C‑364/92, Jurispr. blz. I‑43).

14 – Arrest Höfner en Elser, reeds aangehaald, en arrest van 17 februari 1993, Poucet en Pistre (C‑159/91 en C‑160/91, Jurispr. blz. I‑637).

15 – Arrest AOK Bundesverband e.a., reeds aangehaald (punt 58).

16 – Idem.

17 – Arrest van het Gerecht van 12 december 2000 (T‑128/98, Jurispr. blz. II‑3929).

18 – Richtlijn van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (PB L 372, blz. 31). Artikel 2 van richtlijn 85/577 definieert de handelaar als „een natuurlijk of rechtspersoon die de betrokken transactie sluit in het kader van zijn commerciële of beroepsactiviteit alsmede een persoon die namens of voor rekening van een handelaar optreedt”.

19 – IATE, Europese interactieve terminologische database.

20 – PB L 95, blz. 29.

21 – Artikel 2, sub c, van richtlijn 93/13. Cursivering van mij.

22 – PB L 80, blz. 27.

23 – Artikel 2, sub d, van richtlijn 98/6. Cursivering van mij.

24 – Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 304, blz. 64).

25 – Zie artikel 2, punt 2, van richtlijn 2011/83. Cursivering van mij.

26 – Punten 1, 8 en 11 van de considerans van de richtlijn.

27 – Punt 58.

Noot: 

Caroline Caufman, De ene onderneling is e andere niet. De interpretatie van het begrip "onderneming" in de richtlijn oneerlijke handelspraktijken en de verhouding tot het het gelijkluidende begrip in het mededingingsrecht, DCCR 2014, 64


VZW die palliatieve zorgen verstrekt is een onderneming, Rb. Eerste Aanlag Oost-Vlaanderen-Afdeling Gent, 27 april 2015, NJW 2016, 640

Vzw palliatieve thuiszorg Gent Eeklo, eiseres

tegen

ADG verweerder

[…]

II Feiten en vordering

De eiseres is een vereniging zonder winstoogmerk. Zij runt een multidisciplinaire begeleidingéqupe die instaat voor de begeleiding van palliatieve patiënten die thuis verblijven, meer bepaald door het bieden van advies en ondersteuning aan andere zorgverstrekkers.

Zoals de andere bestaande palliatieve thuiszorgequipes die ressorteren onder een van de 15 regionale samenwerkingsverbanden inzake palliatieve zorg, wordt de eiseres in hoofdzaak gesubsidieerd door de bevoegde overheid.

Daarnaast is de eiseres voor de financiering van haar werking ook afhankelijk van giften (schenkingen en legaten).

De schenkingen aan de eiseres zijn voor de schenkers in principe fiscaal aftrekbaar, daartoe dient de eiseres evenwel een (periodiek hernieuwbare) erkenning te bekomen van de FOD financiën, die telkens geldig is voor een periode van drie jaar.

De verweerster is de gewezen accountant van de eiseres. Naar eigen zeggen heeft de eiseres in het verleden op de verweerster ook een beroep gedaan om voor haar het fiscaal erkenningsdossier te beheren en de nodige aanvragen te doen.

De eiseres voert aan dat de verweerder zich niet (behoorlijk) van deze opdracht heeft gekweten, want sinds 2012 bleek zijn geen erkenning meer te hebben voor het afleveren van fiscale attesten voor de aftrek van giften.

[…]

3. Volgens de termen van zijn synthesebesluiten, neergelegd ter griffie op 27 februari 2015, vraagt de verweerder van zijn kant de rechtbank in eerste plaats om zich (materieel) onbevoegd te verklaren en de zaak te verwijzen naar de rechtbank van koophandel te Gent, afdeling Gent, nu het om een geschil tussen ondernemingen gaat. […]

III Beoordeling

In principe neemt de rechtbank van eerste aanlegkennis van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep in het Hof van Cassatie komen (zie artikel 568, eerste lid Gerechtelijk Wetboek). Dit noemt men de zogenaamde volheid van bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg.

Het is echter de rechtbank van koophandel die in eerste aanleg kennis neemt van (onder meer) de geschillen tussen ondernemingen, namelijk tussen alle personen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven, die betrekking heeft op een handeling welke is verricht in het kader van de verwezenlijking van dat doen en die niet onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges vallen (zie artikel 573, eerste lid, ten eerste Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel twee wet 26 maart 2014 tot wijziging van het gerechtelijk wet en de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij andere stand is met het oog op de toekenning van de bevoegdheid aan de natuurlijke rechter in diverse materies (hierna de wet natuurlijke rechter) inwerkinggetreden op 1 juli 2014 (zie artikel 17)).

Het begrip onderneming is evenwel niet eenduidig. Aan de suggestie van de Raad van State (in zijn advies bij het voorontwerp van wet dat geleid heeft tot de voormelde wet natuurlijke rechter) om, ter wille van de rechtszekerheid, aan dit begrip een meer uniforme en ondubbelzinnige invulling te geven (zie parlementaire stukkenkamer 2013 - 14, nummer 53-3076/1, pagina 22 - 26) werd door de wetgever geen gevolgen verleend (zie parlementaire stukkenkamer 2013 - 14 nummer 53-307611, pagina 13).

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet natuurlijke rechter valt niettemin af te leiden dat het hier bedoelde conceptonderneming voortbouwt op het begrip onderneming uit de toenmalige wet marktpraktijken derhalve hoofdzakelijk is gesteund op het duurzaam nastreven van een economisch doen, wat ruimer is dan het vroegere criterium “winstbejag” en op die manier beter aansluit bij het begrip onderneming zoals dat zowel in het nationaal recht als in het recht van de Europese Unie bestaat (zie parlementaire stukkenkamer 2013 - 14 nummer 53-3076/1 pagina 7-8 en nummer 53-3076/4, pagina vijf)..

Het gaat om een nieuw centraal begrip in het economisch recht dat overeenstemt met de definitie van artikel I. 1 van het (recent ingevoerde) wetboek van economisch recht (zie parlementaire stukken 2013 - 14, nummer 53-3076/4 pagina 14).

Volgens de algemene definities van het wetboek van economisch recht is een onderneming (inderdaad) elke natuurlijke of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen (zie artikel I,1.1° wetboek economisch recht).

Die definitie is rechtstreeks ontleend aan deze van artikel 2.1° van de (toenmalige) wet marktpraktijken (zie parlementaire stukken 2012-2 1013 nummer 53-2836/1, pagina vijf), die een onderneming eveneens omschrijft als: elke natuurlijke of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft alsmede zijn verenigingen (zie artikel 2,1° wet marktpraktijk een).

Uit de parlementaire voorbereiding van die laatste wetten volgt dat een onderneming moet worden begrepen als een zelfstandige en duurzame organisatie waarbinnen een of meerdere personen met behulp van de materiële en immateriële middelen, goederen of diensten produceren of verdelen, zodat als criterium voor het bestaan van een “onderneming” uitsluitend de aard van de activiteit geldt, waarmee de wetgever overigens uitdrukkelijk wilde aansluiten bij recente cassatieuitspraak over het (oude) begrip “verkoper” (zie parlementaire stukken 2009-2010, nummer 52-2340/1, pagina 12 - 13 en parlementaire stukkenkamer 2012-2013, nummer 53-2836/1, pagina vijf).

Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie waarnaar de wetgever destijds expliciet verwees, iemand die een dienst te koop aanbiedt of verkoopt niet te handelen met winstoogmerk om te kunnen worden beschouwd als verkoper in de zin van de toenmalige handelspraktijkenwet, maar is de aard zelf van de activiteit of gestelde handeling ter zake determineren, en dit zelfs ongeacht of er een tegenprestatie verschuldigd is door degene aan wie de dienst ten goede komt, zodat ook iemand die gratis diensten aanbiedt onder de definitie van een verkoper kan vallen (zie onder meer cassatie 13 september 2002, A.C. 2002, nummer 449).

Bij de invoering van de wet natuurlijke rechter zocht de wetgever ook nadrukkelijk aansluiting bij het begrip onderneming uit het Europees recht (zie hoger). Volgens het Europees Hof van Justitie is een “onderneming” elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd, waarbij onder “economische activiteit” moet worden verstaan iedere activiteit bestaande in het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt (zie onder meer: of van Justitie 19 februari 2002, C-309199, Wouters en andere op curia.be).

Actoren uit de zogenaamde social profit sector, zoals ziekenhuizen, zullen derhalve meestal onder het begrip “onderneming” en (dus) voortaan onder de algemene bevoegdheid van de rechtbank van koophandel vallen. Ook ziekenhuizen streven immers op een duurzame wijze een economisch doel na, zij het vaak ter ondersteuning van hun principiële altruïstische doelstellingen (zie onder meer: Allemeersch en T. Reingraber, “de bevoegdheidherverdeling” in B Allemeersch, P. Taelman e.a. (eds), Nieuwe Justitie, Antwerpen, Intersentia, 2014, pagina (47) 66, nummer 30). Dat zulke actoren in hoofdzaak of zelfs uitsluitend zijn aangewezen op fondsen van overheidswege om hun werking te financieren, verandert daaraan niets.

2. Uit dit alles volgt dat ook de eiseres wel degelijk kan/moet worden opgevat als een onderneming in de zin van artikel 573 eerste lid,1° (nieuw) van het Gerechtelijk Wetboek. Ook de eiseres is immers een (rechts)persoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft in de zin van diezelfde wetsbepaling.

De eiseres levert een aanvullende bijdrage in de ondersteuning en palliatieve verzorging van terminale patiënten die hun laatste levensfase thuis willen doorbrengen en thuis willen sterven, teneinde deze verzorging in het thuismilieu dezelfde kwaliteitsgaranties te geven als de verzorging van zulke patiënten bij opname in het ziekenhuis. Meer bepaald levert de eiseres deze aanvullende bijdrage door het geven van adviezen over palliatieve verzorging aan de zorgverstrekkers van de eerste lijnen, ondergeschikt, ook effectieve ondersteuning aan de patiënt zelf en die andere zorgverstrekkers.

Op die manier biedt de eiseres onmiskenbaar diensten aan op een bepaalde markt, namelijk de markt van de palliatieve thuiszorg-en ontplooit zij, anders dan op het eerste gezicht mag lijken, wel degelijk economische activiteiten.

Dat de eiseres de rechtsvorm heeft van een vereniging zonder winstoogmerk en (dus) geen winst nastreeft met haar activiteiten, doet daaraan geen afbreuk.

Zelfs het feit dat de eiseres voor haar tussenkomsten geen enkele vergoeding mag aanrekenen, noch aan de betrokken zorgverstrekkers, noch aan de patiënt zelf of zijn omgeving, met andere woorden haar diensten gratis aanbiedt, verandert daaraan niets.

Wat telt, is, dat de eiseres diensten aanbiedt op een bepaalde markt (zie hoger)-en derhalve economisch actief is. De uitgebreide overeenkomst die de eiseres op 27 januari 2011 een gesloten met het RIZIV (die ook voor haar tal van rechten en verplichtingen bevat), toont dit overigens op zich reeds aan.

De wijze waarop de eiseres haar werking financiert, met name niet door middel van rechtstreekse tegenprestaties vanwege de ontvangers van de door haar verstrekte diensten, maar wel door subsidies van overheidswege (die weliswaar gelimiteerd zijn, maar blijkbaar worden aangevuld met particuliere giften), is daarbij niet relevant.

Ook het feit dat de eiseres haar activiteiten slechts kan/mag ontplooien binnen een specifiek en vrij strikt wettelijk en reglementair kader (onder meer in een welbepaalde geografische sector, zodat ook elke concurrentie uitgesloten is), maakt geen verschil: die activiteiten zijn en blijven hoe dan ook economisch van aard (zie hoger).

Samen met de eiseres wil de rechtbank gerust aannemen dat de “de echte vzw’s”(sic), dit wil zeggen de vzw’s die niet actief op de markt opereren en geen rentabiliteit van de uitgeoefende activiteit (mogen) ogen maar alleen maatschappelijke waarden ter har te willen nemen, geen ondernemingen zijn.

Maar anders dan zijzelf willen (doen) geloven is de eiseres niet zo een “echte vzw’s”. De eiseres behartigt immers niet alleen maatschappelijke waarden, maar biedt ook diverse diensten aan op een bepaalde markt, namelijk de markt van de palliatieve thuiszorg

Als zodanig is de eiseres wel degelijk een onderneming-ook al heeft zij geen winstoogmerk en stelt ze haar diensten gratis ter beschikking aan wie daarvan gebruik wenst te maken.

Dat de eiseres blijkbaar ook ingeschreven is in de kruispuntbank van ondernemingen (onder het nummer 0439.787.706), is op zichzelf weliswaar niet doorslaggevend-maar wel indicatief. Wie vaststelling bevestigt alleen maar de juistheid van de bovenstaande analyse. Ook het feit dat de eiseres in het verleden blijkbaar een beroep heeft gedaan (en nog steeds doet?) .

Op een accountant (met name de verweerder, althans tot voor kort) om haar boekhoudkundige en fiscale verplichtingen te vervullen, is evenmin determinerend-maar zet de kwalificatie van de eiseres als onderneming (die op duurzame wijze “economische activiteiten” ontplooit nogmaals graag bij.

3. Samen met de verweerder dient de rechtbank dan ook te besluiten dat de eiseres wel degelijk op duurzame wijze een economisch doel nastreeft en (dus) kan/moet worden beschouwd als een onderneming in de zin van artikel 573 eerste lid,,1° (nieuw) van het gerechtelijk wetboek.

Ook de verweerder is, als accountant een onderneming in de zin van de voormelde wetsbepaling (niet betwist). Het huidige geschil heeft bovendien betrekking op een (beweerde) handeling die de verweerder heeft verricht in het kader van de verwezenlijking van zijn economisch doel.

In de gegeven omstandigheden is (inderdaad) de rechtbank van koophandel materieel bevoegd om kennis te nemen van dit geschil. De door de verweerder opgeworpen exceptie van onbevoegdheid is derhalve gegrond. De rechtbank die de zaak te verwijzen naar de rechtbank van koophandel te Gent, afdeling Gent, die de vordering te gronde zal beoordelen en zich vervolgens ook zal uitspreken over de gerechtskosten (zie artikel 660 gerechtelijk met).

Op deze gronden,
de rechtbank,

[…]

Verklaart zich materieel om bevoegd om kennis te nemen van de huidige vordering van de vzw palliatieve zorgen Gent Eeklo tegen ADG;

verwijst de zaak naar de rechtbank van koophandel te Gent, afdeling Gent, die over deze vordering zal oordelen, inclusief over de kosten

Noot: Claudia Van Severen, het ondernemingsbegrip als aanknopingspunt van de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel, NJW 2016 pagina 642

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 15/08/2017 - 14:55
Laatst aangepast op: di, 15/08/2017 - 14:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.