-A +A

Een nettingsovereenkomst heeft geen uitwerking voor de samenloop van vorderingen waarvan er één zelfs nog niet in de kiem aanwezig is

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 26/02/2013
A.R.: 
 2010/AR/1580

Netting woirdt geregeld door art. 14 WFZ Wet Financiële zekerheden:Wet betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten van 15/12/2004.

Te dezen dooft een schuldvordering uit wanneer een advocaat een ereloon liet prfinancieren. Dit wil zeggen hij vroeg de bank krediet in afwachting van de betaling van de cliënt. De advocaat heeft in deze bank een ereloonrekening en wanneer de cliënt op zijn bankrekening het ereloon stort. Deze overschrijving doet een vordering ontstaan van de rekeninghouder op de rekeningvoerende bank.

Deze vordering is een nieuwe vordering die verschilt van de vordering die de rekeninghouder had op zijn schuldenaar en die door middel van de overschrijving is uitgedoofd.

Een nettingsovereenkomst is mogelijk en heeft volledige uitwerking ook na het ontstaan van een mits vervulling van 2 vooorwaarden:
1. de nettingovereenkomst moet vóór de samenloop gesloten zijn;
2 de schuldvordering en de schuld die het voorwerp zijn van de compensatie moeten bestaan op het ogenblik van de samenloop.
 

 

Publicatie
tijdschrift: 
DAOR
Jaargang: 
2013/107
Pagina: 
314
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(NV ING België/ mrs. M. Vandemeulebroeke, M. Buekens en B. De Moor, q.q.)
[ ... ]
I. Relevante feiten
1. Appellante heeft in 1997 een krediet toegestaan aan geïntimeerde (een advocatenkantoor) voor een bedrag van 2 5 .000.000 BEF. Dit bedrag werd in de loop der jaren een aantal maal gewijzigd. Het krediet werd ter beschikking gesteld in de rekening met nummer 310- 1381100-03.
Bij brief van 7 september 2007 heeft appellante dit krediet opgezegd.

2. Bij akte van 25 september 2007 werd geïntimeerde ontbonden en in vereffening gesteld. Op dat ogenblik vertoonde de rekening met nummer 310-1381100-03 een debetsaldo van 1.489.653,28 EUR.

In het kader van de vereffeningswerkzaamheden verzochten de vereffenaars van geïntimeerde bij het uitsturen van facturen, de schuldenaars van geïntimeerde om de nog verschuldigde bedragen op een rekening te storten bij een andere bank.

Niettemin werden er toch nog bedragen gestort op de rekening van geïntimeerde bij appellante.

De vereffenaars hebben op 15 oktober 2007 appellante in gebreke gesteld om alle sommen die werden gestort op een rekening bij ING ter beschikking te stellen van de vereffenaars en niet te compenseren. Meer bepaald werd appellante in gebreke gesteld om een bedrag van 76.042,82 EUR over te schrijven naar een rekening van geïntimeerde bij KBC Bank.

Bij schrijven van haar raadslieden d.d. 7 november 2007 stelde appellante dat de bedragen die na de invereffeningstelling op rekeningen van appellante bij geïntimeerde werden gestort, het voorwerp kunnen uitmaken van compensatie.

Dit standpunt werd betwist door de vereffenaars in hun schrijven van 22 november 2007. Ondertussen was het bedrag van de stortingen opgelopen tot 15 5. 986, 77 EUR.

Appellante bleef bij haar standpunt dat zij de gestorte bedragen kon compenseren met de schuldvordering die zij uit hoofde van de kredietfaciliteit bezat op geïntimeerde (brief van haar raadslieden van 23 november 2007).
[ ... ]

III. Beoordeling

8. Appellante betoogt dat zij tot compensatie kan overgaan in toepassing van de artikelen 14 en 15 van de Wet Financiële Zekerheden van 15 december 2004 (hierna:
WFZ).

Tussen appellante en geïntimeerde bestaat al gedurende jaren een rekeningovereenkomst. Daarnaast bevat artikel 46 van het Algemeen Reglement der Verrichtingen een uitdrukkelijk compensatiebeding dat luidt als volgt:
"ING is - op elk ogenblik en zelfs na faillissement van de Cliënt - gemachtigd alle schuldvorderingen, al dan niet opeisbaar, in om het even welke munt of rekeneenheid, die zij bezit ten laste van de Cliënt, te verrekenen met alle schuldvorderingen, al dan niet opeisbaar, in om het even welke munt of rekeneenheid, van de Cliënt ten overstaan van ING.

De Cliënt kent ING het recht toe te bepalen welke schuldvorderingen het voorwerp zullen uitmaken van de verrekening. De boeking van die verrekening wordt verwezenlijkt in euro, desgevallend na omzetting van de andere munten en rekeneenheden op basis van de wettelijke koers of van de marktkoers op de bankwerkdag voor de dag van de uitvoering ervan".

De artikelen 14 en 15 WFZ bepalen het volgende:

''Artikel 14 : De nettingovereenkomsten alsook de ontbindende bedingen en voorwaarden of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beèïndiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken, kunnen, zonder voorafgaande ingebrekestelling of gerechtelijke beslissing, niettegenstaande elke overdracht van rechten waarop zij betrekking hebben, in het geval van de opening van een insolventieprocedure of in het geval van het beslag of enig ander geval van samenloop, aan de schuldeisers worden tegengesteld als de schuldvordering en de schuld waarop de schuldvernieuwing- of vergelijking moet worden toegepast, bestaan op het ogenblik waarop de insolventieprocedure, het beslag of een geval van samenloop plaatsvindt, ongeacht de datum van hun opeisbaarheid, hun doel of de valuta waarin zij zijn uitgedrukt.

Artikel 1 S: De zakelijke zekerheidsovereenkomsten en de nettingovereenkomsten zijn geldig en aan derden tegenstelbaar en zij kunnen dus rechtsgevolg hebben, inclusief in het geval van een insolventieprocedure, het beslag of enig ander geval van samenloop, als die overeenkomsten zijn gesloten voor het tijdstip waarop de insolventieprocedure wordt geopend of voor het beslag of de samenloop plaatsvindt, of wanneer die overeenkomsten na dat moment zijn gesloten, als de tegenpartij kan aantonen dat hij, op het ogenblik waarop de betrokken overeenkomst werd gesloten, in de gewettigde onwetendheid verkeerde over de opening of het eerder plaatsvinden van die procedure of samenloop".

Op grond van deze bepalingen kan een tussen partijen bestaande nettingovereenkomst ook na samenloop volledige uitwerking hebben voor zover twee voorwaarden zijn vervuld : de nettingovereenkomst moet vóór de samenloop gesloten zijn en de schuldvordering en de schuld die het voorwerp zijn van de compensatie moeten bestaan op het ogenblik van de samenloop.

9. Partijen zijn het eens dat aan de eerste voorwaarde is voldaan.

Partijen zijn het daarentegen oneens wat het vervuld zijn van de tweede voorwaarde betreft.

10. Appellante betoogt dat de schuldvorderingen die het voorwerp uitmaken van de compensatie die zij wenst door te voeren, reeds bestonden op het ogenblik van de invereffeningstelling, omdat deze schuldvorderingen alle hun oorsprong vinden in de tussen geïntimeerde en haarzelf bestaande contractuele verhouding.

Appellante stelt dat een schuldvordering bestaat zodra de oorzaak van de vordering ontstaat, d.i. het rechtsfeit, de rechtshandeling of de toestand die rechtstreeks aan de vordering ten grondslag ligt. Telkens de rechtsverhouding waaruit de vordering voortvloeit bestaat, bestaat de vordering ook reeds, ten minste in de kiem.

De oorzaak van de schuldvordering van geïntimeerde op appellante is de tussen hen beiden bestaande contractuele verhouding die reeds bestond vóór de invereffeningstelling. Uit de kredietbrieven blijkt dat deze contractuele relatie erin bestond dat appellante aan geïntimeerde kredietfaciliteiten zou toestaan in functie van de openstaande vorderingen van geïntimeerde op haar cliënten.

Appellante zou de erelonen die geïntimeerde nog tegoed had op haar cliënten voorfinancieren zodat geïntimeerde reeds over deze gelden kon beschikken, terwijl zij deze van haar cliënten nog niet had ontvangen. Anderzijds hield dit in dat de betrokken cliënten van geïntimeerde de aan geïntimeerde verschuldigde erelonen zouden betalen op rekening van geïntimeerde bij appellante, zodat de debetstand op de betrokken rekening zou worden aangezuiverd.

Appellante meent dan ook dat er compensatie is tussen enerzijds de schuldvorderingen waarover appellante beschikt ten aanzien van geïntimeerde uit hoofde van de door appellante in de rekening van geïntimeerde verleende kredieten en anderzijds de schuldvorderingen waarover geïntimeerde ten aanzien van appellante beschikt uit hoofde van betalingen die door derden werden verricht op dezelfde rekening van geïntimeerde bij appellante.

Dat deze betalingen werden verricht na de invereffeningstelling zou hieraan geen afbreuk doen. De aan deze betalingen ten grondslag liggende schuldvorderingen (van geïntimeerde op haar cliënten) bestonden reeds voor de samenloop.

11. Geïntimeerde stelt dat de schuldvordering die appellante op geïntimeerde heeft uit hoofde van de kredietovereenkomst dateert van vóór de invereffeningstelling. De vorderingen die geïntimeerde heeft op haar cliënten dateren eveneens van vóór de invereffeningstelling. Na betaling van die vorderingen door haar cliënten op de rekening bij appellante, na de invereffeningstelling, heeft geïntimeerde een vordering op appellante voor die gestorte bedragen, maar die vordering ontstaat pas na de betaling door de cliënten en bijgevolg na de invereffeningstelling.

De voorwaarden voor compensatie zijn dan ook niet vervuld.

In haar syntheseconclusie voor heropening van het debat roept geïntimeerde ook in dat er geen sprake is van samenhang.

De schuld van geïntimeerde aan appellante vloeit voort uit een kredietovereenkomst, terwijl de schuldvordering van geïntimeerde op haar cliënten ontstond uit een aannemingsovereenkomst en, louter toevallig, die cliënten betaalden op de rekening bij appellante.

12. Het hof overweegt als volgt.

De discussie tussen partijen betreft de tegoeden op de rekening van geïntimeerde bij appellante die voortvloeien uit betalingen gedaan door cliënten van geïntimeerde na de invereffeningstelling voor prestaties die door geïntimeerde aan haar cliënten werden verstrekt vóór de invereffeningstelling.

Uit de aard van de kredietverschaffing (asset borrowing base, vrij vertaald door appellante als : de activa, in dit geval de
bestaande en toekomstige vorderingen op klanten, als basis voor het te verstrekken krediet) volgt dat geïntimeerde zich ertoe had verbonden ervoor te zorgen dat haar cliënten de verschuldigde erelonen zouden betalen op de rekening van geïntimeerde bij appellante.

Appellante prefinancierde de erelonen die geïntimeerde nog niet ontvangen had van haar cliënten (al dan niet reeds gefactureerd) en geïntimeerde liet de te ontvangen erelonen storten op haar rekening bij appellante ter aanzuivering van de debetstand.

Deze afspraken die verband houden met de eigen aard van het kredietverleningsmechanisme blijken onder meer uit de kredietbrief van 2 8 november 1997, de kredietbrief van 5 juni 2001 en de brief van 20 juni 2007 van appellante aan geïntimeerde.

Artikel 14 WFZ vereist dat de beide te compenseren schuldvorderingen bestaan op het moment van de samenloop.
De betaling door overschrijving doet een vordering ontstaan van de rekeninghouder op de rekeningvoerende bank. Deze vordering is een nieuwe vordering en verschilt van de vordering die de rekeninghouder had op zijn schuldenaar en die door middel van de overschrijving is uitgedoofd.

De vordering die geïntimeerde als rekeninghouder ten aanzien van appellante heeft tot afgifte van de tegoeden op haar bankrekening is dus een andere vordering dan de vordering die zij bezat ten aanzien van haar cliënten tot betaling van erelonen.

Volgens appellante bestaat een vordering zodra de oorzaak van de vordering ontstaat en die oorzaak is de contractuele relatie tussen partijen.

De stelling van appellante komt erop neer dat omwille van de bestaande contractuele relatie de vorderingen van geïntimeerde tot afgifte van de tegoeden op haar bankrekening reeds in de kiem aanwezig waren vanaf het begin van de contractuele relatie.

In beginsel ontstaat een vordering tot afgifte van de tegoeden op de bankrekening ingevolge een overschrijving pas als de overschrijvingsopdracht onherroepelijk is geworden. In voorliggend geval wordt niet betwist dat al de overschrijvingen/betalingen die de grondslag vormen voor de vordering van geïntimeerde, pas hebben plaatsgevonden na de invereffeningstelling.

Zolang de overschrijvingen niet hebben plaatsgevonden, kan niet worden aangenomen dat in het vermogen van de rekeninghouder (geïntimeerde) reeds in de kiem vorderingen aanwezig zijn ten aanzien van de bank (appellante) voor de tegoeden die later mogelijks worden overgeschreven.

Deze vorderingen hebben weliswaar hun grondslag in een contractuele relatie met de bank maar zijn louter verwachtingen en kunnen niet worden beschouwd als reeds behorend tot het vermogen van geïntimeerde, zelfs niet in de kiem.

De aard van de contractuele relatie tussen partijen (de asset borrowing base) doet hieraan geen afbreuk.

Opdat een vordering bestaat in de zin van artikel 14 WFZ moet zij voor het ontstaan van de samenloop minstens in de kiem aanwezig zijn in het vermogen van de insolvente schuldenaar.

De vordering van geïntimeerde waarmee appellante haar schuldvordering wenst te compenseren, bevond zich niet in het vermogen van geïntimeerde vóór de invereffeningstelling, zelfs niet in de kiem.
Appellante kan zich bijgevolg niet beroepen op de artikelen 14-15 WFZ om de vordering van geïntimeerde af te weren.
[ ... ]

14. Appellante beroept zich ook op haar pandrecht en artikel 9 WFZ.

Artikel 19 van het Algemeen reglement der kredieten van appellante bepaalt dat alle schuldvorderingen van de kredietnemer op de bank voortspruitend uit deposito's in rekeningen zijn verpand ten gunste van de bank.

Artikel 9 WFZ bepaalt dat het de pandhoudende schuldeiser is toegestaan om bij wanprestatie, niettegenstaande een geval van samenloop, het pand op de contanten te realiseren door de in pand gegeven contanten toe te rekenen op zijn schuldvordering in hoofdsom, intresten en kosten.

Artikel 3, 2° WFZ definieert contanten als de rechten die voortvloeien uit op een rekening gecrediteerde gelden in ongeacht welke valuta, met uitzondering van chartaal geld, alsook soortgelijke vorderingen tot restitutie van geld.

Ook de deposito's die voortvloeien uit de creditering van de rekening van geïntimeerde door derden na de samenloop ingevolge de invereffeningstelling zouden in toepassing van artikel 19 van het Algemeen reglement der kredieten in pand zijn gegeven aan appellante zodat appellante deze kan toerekenen op haar schuldvordering op geïntimeerde.

15. Geïntimeerde betoogt dat artikel 19 van het Algemeen reglement der kredieten niet van toepassing is op de aan haar toegestane kredieten.

De initiële kredietverleningsovereenkomst werd bevestigd bij twee brieven van 28 december 1997 gericht door appellante aan geïntimeerde. In de tweede brief wordt het volgende vermeld :

"Zekerheden

Al uw verbintenissen, voortvloeiend uit de zakenrelaties tussen onze Bank en U, worden gewaarborgd door :
- de zekerheden waarvan de details vermeld werden in de brief van 28 november 1997.

Onderhavig krediet wordt geregeld door :

- het Kohier der bijzondere bedingen en voorwaarden van toepassing op investeringskredieten (uitgave 1996) ;

- het Algemeen reglement der verrichtingen (uitgave 1976) en het Algemeen reglement der kredieten (uitgave 1985) van onze Bank".

Aangezien in de andere brief van 28 november 1997 geen inpandgeving staat vermeld, kan volgens geïntimeerde dergelijke zekerheid ook niet worden opgelegd via de toepassing van de algemene voorwaarden. De algemene voorwaarden kunnen geen afbreuk doen aan de bijzondere voorwaarden die steeds primeren.

16. Deze stelling van geïntimeerde kan niet worden bijgetreden.

Uit de oorspronkelijke kredietbrieven van 28 november 1997 blijkt dat er geen enkele bijzondere zekerheid is gevestigd door geïntimeerde als waarborg voor haar verbintenissen ten aanzien van appellante. In beide brieven wordt wel verwezen naar de genoemde reglementen waarmee geïntimeerde uitdrukkelijk haar instemming betuigt. Er zijn geen bijzondere voorwaarden zodat die per definitie ook niet kunnen primeren op de algemene voorwaarden. Uit beide brieven blijkt duidelijk dat de relaties met geïntimeerde worden beheerst door de genoemde reglementen.

Bovendien heeft geïntimeerde pas in haar conclusie na heropening van debat voor de eerste maal de toepassing van artikel 19 van het Algemeen reglement der kredieten betwist. Voordien is er van haar kant nooit enige betwisting geweest dat artikel 19 van toepassing was, ook niet toen dit artikel door appellante werd ingeroepen in haar brieven van juni 2007.

Dat partijen de toepassing van artikel 19 van het Algemeen reglement der kredieten zouden hebben uitgesloten, wordt bijgevolg niet aangetoond.

17. In ondergeschikte orde roept geïntimeerde in dat de inpandgeving enkel van toepassing kan zijn op de bedragen die nog voor de invereffeningstelling het voorwerp hebben uitgemaakt van de specifiek door appellante in pand genomen rekening met nummer 363-0169803-93. Alle betalingen die cliënten gedaan hebben na de invereffeningstelling zijn gebeurd op de rekening met nummer 310- 1381100-03/000 die geen voorwerp uitmaakt van de inpandgeving.

18. Het hof overweegt als volgt.

Naar luid van artikel 19 van het Algemeen reglement der kredieten zijn alle schuldvorderingen van de kredietnemer op de bank voortspruitend uit deposito's in rekeningen, verpand ten gunste van de bank.

In voorliggend geval is de schuldvordering van geïntimeerde op appellante echter pas ontstaan nadat de samenloop is ingetreden. Bij een pand op bankrekeningen wordt de omvang van het pandrecht bepaald op het tijdstip van het ontstaan van de samenloop (DIRIX, E. en DE CüRTE, R., Beginselen van het Belgisch Privaatrecht, deel XII, "Zekerheidsrechten", Antwerpen, Kluwer, 2006, nr. 505, p. 340).

De pandhoudende schuldeiser kan noch bevoordeeld noch benadeeld worden door credit- en debetboekingen die na de samenloop nog in de aan hem verpande rekening gebeuren tenzij die het resultaat zijn van verrichtingen die al in uitvoering waren op het tijdstip van de samenloop (BODDAERT, C., "Pand op een levende bankrekening", in Liber Amicorum Achilles Cuypers, Larcier, 2009, 31). Door de ontbinding van geïntimeerde is er immers een samenloop ontstaan die leidt tot de gelijke behandeling van de schuldeisers en de fixatie van hun rechten ÜANSEN, R. en SAGAERT, V., "Zakelijke zekerheden (2004- 2010)", T.P.R., p. 1278, nrs. 57-58).

Aangezien al de verrichtingen in kwestie plaatsvonden na het ontstaan van de samenloop strekt het pandrecht van appellante ingevolge de inpandgeving van de bankrekeningen zich niet uit tot gelden gestort na de invereffeningstelling.
19. Krachtens artikel 49 van het Algemeen Reglement van de Verrichtingen heeft geïntimeerde al haar schuldvorderingen (waaronder die op haar cliënten) overgedragen aan appellante tot waarborg van de terugbetaling van haar schulden ten aanzien van appellante.

Deze bepaling houdt een fiduciaire eigendomsoverdracht tot zekerheid in.

In zoverre geïntimeerde stelt dat dit artikel 49 niet van toepassing zou zijn om dezelfde redenen als artikel 19 van het Alge-
meen Reglement der Kredieten, wordt dit middel verworpen op basis van de overwegingen uiteengezet in randnummer 16 van dit arrest.

20. In zijn arrest van 3 december 2010 besliste het Hof van Cassatie dat een overeenkomst waarbij een schuldvordering tot zekerheid wordt overgedragen ten aanzien van de schuldeisers in de samenloop nooit meer kan opleveren dat een pandrecht op deze schuldvordering zodat de overnemer van de schuldvordering niet meer rechten kan uitoefenen dan die waarover een pandhouder beschikt (Cass. 3 december 2010, RW2010-11, 1177).

Het wordt niet betwist dat de overeenkomst houdende de fiduciaire eigendomsoverdracht werd gesloten voor de samenloop en alle betalingen die gedaan werden na de invereffeningstelling voortvloeien uit schuldvorderingen die tot zekerheid werden overgedragen vóór de invereffeningstelling.

Het voorrecht van de pandhouder zou zich tot deze sommen uitstrekken.
Het hof stelt vast dat geïntimeerde hieromtrent geen specifiek verweer voert, ook niet nadat zij hiertoe door het hof de kans werd geboden na het tussenarrest.
Het hof besluit op basis hiervan dat het hoger beroep van appellante gegrond is.
[ ... ]
Het hof,
Recht doende na tegenspraak,
[ ... ]
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond,
Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het de voeging heeft bevolen en de vordering van geïntimeerde ontvankelijk heeft verklaard,
Doet dit vonnis teniet voor het overige en opnieuw beslissend,
Verklaart de vordering van geïntimeerde ongegrond.
[ ... ]
 

Noot: 

• Cass. 3 december 2010, RW 2010-11, 1177, noot FRANSIS, R., "De conversie van de fiduciaire eigendomsoverdracht van een schuldvordering in een pand bij samenloop" ;

• Bank Fin. R. 2011, 120, noot PEETERS, I.;

• NjW 2010, 834, concl. DUBRULLE, noot SAGAERT; V., Pas. 2010, 3094.


Wet Financiële zekerheden:Wet betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten van 15/12/2004

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. Deze wet heeft de omzetting tot doel van richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiële-zekerheidsovereenkomsten.

Onverminderd de wetgeving inzake consumentenbescherming, voert zij een specifieke regeling in voor de zakelijke zekerheden met betrekking tot financiële instrumenten of contanten, en voor de nettingovereenkomsten.

Wat de bepalingen van de hoofdstukken II tot X betreft, mag naar deze wet worden verwezen onder het opschrift "Wet betreffende de financiële zekerheden".

HOOFDSTUK II. - Definities.

Art. 3.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :

1° "financieel instrument" : [2 de categorieën van instrumenten als bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, ongeacht of deze verhandelbaar zijn op de kapitaalmarkt]2 , een recht op of ten aanzien van een dergelijk financieel instrument, met inbegrip van een recht van mede-eigendom, van onlichamelijke aard, dat wordt gevestigd op de universaliteit van financiële instrumenten van dezelfde aard in de zin van artikel 2, derde lid, van het gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62 betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten of van artikel 468, vijfde lid, van het Wetboek van vennootschappen of van artikel 3, eerste lid, van de wet van 2 januari 1991 betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetaire beleidsinstrumentarium, of een vordering ten aanzien van een dergelijk financieel instrument;

2° "contanten" : de rechten die voortvloeien uit op een rekening gecrediteerde gelden in ongeacht welke valuta, met uitzondering van chartaal geld, alsook soortgelijke vorderingen tot restitutie van geld;

3° "zakelijke-zekerheidsovereenkomsten" : de volgende overeenkomsten, alsook naar buitenlands recht gesloten soortgelijke overeenkomsten :

a) de pandovereenkomsten;

b) de overeenkomsten die leiden tot eigendomsoverdracht ten titel van zekerheid, inclusief cessieretrocessieovereenkomsten ("repo's");

4° "nettingovereenkomsten" : de overeenkomsten tot schuldvernieuwing of tot bilaterale of multilaterale schuldvergelijking;

5° "insolventieprocedure" : het faillissement, [1 de gerechtelijke reorganisatie]1, de collectieve schuldenregeling of elke andere Belgische of buitenlandse rechterlijke, administratieve of vrijwillige collectieve procedure die de realisatie van de activa en de verdeling van de opbrengst van die realisatie onder, naargelang van het geval, de schuldeisers, de aandeelhouders, de vennoten of de leden behelst, alsook elke saneringsmaatregel die enigerlei optreden van Belgische of buitenlandse administratieve of rechterlijke instanties met zich brengt en die bestemd is om de financiële positie in stand te houden of te herstellen, en van dien aard is dat zij de bestaande rechten van derden aantast, inclusief onder meer elke maatregel die een opschorting van de betalingen, een opschorting van de uitvoeringsmaatregelen of een vermindering van de schuldvorderingen behelst;

6° "partijen" :

a) voor de overeenkomsten bedoeld in punt 3°, a), de pandhoudende schuldeiser, de pandgevende schuldenaar, de derde pandhouder of de derde pandgever;

b) voor de overeenkomsten bedoeld in punt 3°, b), de overdrager en de overnemer, de koper op termijn en de verkoper op termijn.

7° "wanprestatie" : elke wanprestatie alsook elke tussen de partijen van de zakelijke-zekerheidsovereenkomst of van de gewaarborgde verbintenis overeengekomen of bij de wet bepaalde gebeurtenis op grond waarvan de begunstigde van een zakelijkezekerheidsovereenkomst gerechtigd is de zekerheid te realiseren;

8° "gelijkwaardige financiële instrumenten" : financiële instrumenten met dezelfde kenmerken en ter waarde van hetzelfde bedrag of financiële instrumenten die, bij overeenkomst, als dusdanig worden aanvaard;

9° "marge-opvraging" : de financiële instrumenten [2 , bankvorderingen]2 of contanten die als zekerheid worden verschaft of in het kader van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst worden overgedragen, en die bestemd zijn om, tijdens de duur van de overeenkomst, het overeengekomen evenwicht tussen de prestaties van de partijen of van de bij de gewaarborgde verbintenis betrokken partijen te bewaren, hetzij met betrekking tot één bepaalde transactie, hetzij met betrekking tot alle of een deel van hun transacties.

[2 10° "bankvorderingen" : de geldelijke vorderingen voortvloeiend uit een overeenkomst krachtens dewelke :

- een kredietinstelling, zoals gedefinieerd in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingenof een in artikel 2, § 1, 1°, van dezelfde wet bedoelde entiteit;

- een hypotheekonderneming in de zin van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet;

- een persoon of een onderneming die kredieten toestaat bedoeld in artikel 1, 4°, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet;

- iedere andere buitenlandse rechtspersoon die in zijn land van oorsprong tot één van de hierboven bedoelde categorieën behoort;een lening of een krediet toestaat;]2

[2 11° publieke of financiële rechtspersoon" :

a) een kredietinstelling in de zin van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;

b) een beleggingsonderneming in de zin van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen;

c) een verzekeringsonderneming in de zin van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;

d) een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging in de zin van Deel III van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles;

e) een instelling voor collectieve belegging in de zin van Deel II van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles;

f) een centrale tegenpartij, een afwikkelende instantie en een clearing house in de zin van de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen;

g) een financiële instelling in de zin van deze wet;

h) een Belgische of buitenlandse rechtspersoon bedoeld in artikel 5 die in eigen naam, maar voor rekening van begunstigden van zekerheden optreedt;

i) een overheidsinstantie (exclusief ondernemingen met overheidsgarantie), inclusief instellingen behorend tot de overheidssector die belast zijn met of een rol spelen bij het beheer van de overheidsschuld en instellingen behorend tot de overheidssector die zijn gemachtigd om voor klanten rekeningen aan te houden;

j) de Nationale Bank van Belgïe, de Europese Centrale Bank, de Bank voor Internationale Betalingen, een multilaterale ontwikkelingsbank als bedoeld in deel 1, afdeling 4, van bijlage VI bij Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, het Internationaal Monetair Fonds en de Europese Investeringsbank;

k) iedere andere buitenlandse rechtspersoon die in zijn land van oorsprong tot één van de categorieën behoort bedoeld in artikel 1.2 a) tot en met d) van de Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 2 juni 2002 betreffende financiëlezekerheids-overeenkomsten;]2
[2 12° "financiële instelling" : een onderneming die geen kredietinstelling is en waarvan de hoofdbedrijvigheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of de uitoefening van één of meer werkzaamheden bedoeld in de punten 2 tot en met 12 van paragraaf 2 van artikel 3 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, waaronder met name :

a) een hypotheekonderneming in de zin van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet;

b) een onderneming die consumentenkredieten verstrekt in de zin van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet;

c) een onderneming gespecialiseerd in financieringshuur of "leasing" in de zin van het koninklijk besluit nr. 55 van 10 november 1967, tot regeling van het juridisch statuut der ondernemingen gespecialiseerd in financieringshuur;

d) een betalingsinstelling of een instelling voor elektronisch geld in de zin van de wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder, tot de beroepsmatige uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen.]2
----------
(1)<KB 2010-12-19/15, art. 43, 003; Inwerkingtreding : 03-02-2011>
(2)<W 2011-09-26/19, art. 14, 004; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

HOOFDSTUK III. - Toepassingsgebied en algemene bepalingen.

Art. 4.§ 1. Deze wet is van toepassing op de zakelijke-zekerheidsovereenkomsten :

1° op financiële instrumenten die zijn overgemaakt aan de begunstigde van de zekerheid of aan de persoon die voor zijn rekening optreedt;

2° of op contanten die bij overeenkomst in pand zijn gegeven of zijn overgedragen ten gunste van de begunstigde van de zekerheid of aan de persoon die voor zijn rekening optreedt;

[1 3° of op bankvorderingen die bij overeenkomst in pand zijn gegeven of zijn overgedragen ten gunste van de begunstigde van de zekerheid of van de persoon die voor zijn rekening optreedt.]1

Voor de toepassing van het eerste lid, 1° [1 ...]1, volstaat het aan te tonen dat de als zekerheid verschafte activa daadwerkelijk zijn geleverd, overgedragen, gehouden, ingeschreven in een register of anderzijds gekwalificeerd, zodat zij in het bezit of onder de controle komen van de begunstigde van de zekerheid of de persoon die voor rekening van die begunstigde optreedt.

De inbezitstelling van op rekening geboekte financiële instrumenten kan inzonderheid geschieden door de creditering van die instrumenten op een speciale rekening geopend op naam van de zekerheidsverschaffer of van de begunstigde van de zekerheid of van een derde pandhouder. Het feit dat de als zekerheid verschafte activa in de boeken van een bemiddelaar worden ingeschreven, belet die bemiddelaar niet om, met betrekking tot die activa, te handelen als een partij.

[1 voor de toepassing van het eerste lid, 2° en 3°, volstaat het dat de contanten of de bankvordering voldoende bepaald of bepaalbaar zijn op grond van de zakelijke-zekerheidsovereenkomst.]1

§ 2. Deze wet is ook van toepassing op nettingovereenkomsten.

[1 § 3. De artikelen 9, 9/1, 14 en 15 van deze wet kunnen in de hierna genoemde gevallen niet ingeroepen worden, tenzij de schuldeiser zich kan beroepen op een wanbetaling :

a) ongeacht de aard van schuldeisers, vanaf het verzoek tot of de opening van een procedure van gerechtelijke reorganisatie van een andere persoon dan deze bedoeld in artikel 3, 11° van deze wet, tijdens de duur van die procedure;

b) door een schuldeiser die een andere persoon is dan deze bedoeld in artikel 3, 11° van deze wet, vanaf het verzoek tot of de opening van een procedure van gerechtelijke reorganisatie van een publieke of financiële rechtspersoon, tijdens de duur van die procedure.

Het eerste lid is niet van toepassing :

a) wanneer een schuldeiser die zich op schuldvergelijking of schuldvernieuwing beroept op basis van een nettingovereenkomst zich niet eveneens beroept op een ontbindend beding, een ontbindende voorwaarde of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken;

b) bij de realisatie van een zakelijke zekerheidsovereenkomst als bedoeld in de artikelen 8, 12 en 13 van deze wet en wat betreft enig beroep in dat kader op een nettingovereenkomst of de ontbindende bedingen en voorwaarden of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken;

c) op zakelijke zekerheden, nettingovereenkomsten en ontbindende bedingen en voorwaarden of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken, wanneer die zijn overeengekomen naar aanleiding van derivaten of andere financiële verrichtingen zoals omschreven door de Koning bij een met de Nationale Bank van België overlegd besluit. Bij de samenstelling van deze lijst van types van verrichtingen houdt de Koning rekening met het belang van de in het eerste lid geviseerde mechanismes voor de normale werking van de betrokken verrichtingen en voor de markten waarin deze worden aangewend en meer algemeen met de Belgische en internationale marktpraktijken.]1

[1 § 4. Wanneer de Koning een daad van beschikking vaststelt in de zin van artikel 26bis, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, van artikel 57bis, § 1, van wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen of van artikel 23bis, § 1, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, kunnen de artikelen 9, 9/1, 14 en 15 van deze wet niet worden ingeroepen door andere medecontractanten dan deze bedoeld in artikel 3, 11° van deze wet tenzij de medecontractanten zich kunnen beroepen op een wanbetaling.

Het eerste lid is niet van toepassing :

a) wanneer een schuldeiser die zich op schuldvergelijking of schuldvernieuwing beroept op basis van een nettingovereenkomst zich niet eveneens beroept op een ontbindend beding, een ontbindende voorwaarde of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken;

b) bij de realisatie van een zakelijke zekerheidsovereenkomst als bedoeld in de artikelen 8, 12 en 13 van deze wet en wat betreft enig beroep in dat kader op een nettingovereenkomst of de ontbindende bedingen en voorwaarden of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken;

c) op zakelijke zekerheden, nettingovereenkomsten en ontbindende bedingen en voorwaarden en de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken, wanneer die zijn overeengekomen naar aanleiding van derivaten of andere financiële verrichtingen zoals omschreven door de Koning bij een met de Nationale Bank van België overlegd besluit. Bij de samenstelling van deze lijst van types van verrichtingen houdt de Koning rekening met het belang van de in het eerste lid geviseerde mechanismes voor de normale werking van de betrokken verrichtingen en voor de markten waarin deze worden aangewend en meer algemeen met de Belgische en internationale marktpraktijken.]1
----------
(1)<W 2011-09-26/19, art. 15, 004; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

Art. 4/1.[1 § 1. [2 Onverminderd titel III van de wet betreffende het hypothecair krediet, zijn de artikelen 5 en 92, derde lid, van de Hypotheekwet van 16 december 1851 niet van toepassing wanneer een bankvordering, gewaarborgd door een hypotheek of door een onroerend voorrecht, in pand wordt gegeven of wordt overgedragen bij overeenkomst overeenkomstig deze wet, en wanneer artikel 51 § 1 van de wet betreffende hypothecair krediet niet van toepassing is op dat pand of die overdracht]2. De schuldenaar die de schuldvordering in pand geeft of de cedent is ertoe gehouden op verzoek van een derde de nodige informatie met betrekking tot de identiteit van de pandhouder of van de overnemer te verstrekken.

§ 2. Onder voorbehoud van artikel 27 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet en artikel 74 van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, kunnen de schuldenaars van een bankvordering die in pand werd gegeven of werd overgedragen schriftelijk of via elke andere juridisch evenwaardige weg verzaken aan :
- hun rechten op schuldvergelijking ten aanzien van de houders van de bankvorderingen en ten aanzien van de personen ten gunste van wie deze houder een inpandgeving, een overdracht of eender welke andere mobilisering van de als zekerheid verstrekte bankvordering heeft verricht;
- hun rechten voortspruitend uit eventuele regels over bankgeheim die, bij gebreke daaraan, ertoe zouden leiden dat de houder van de bankvordering verhinderd of beperkt is in zijn mogelijkheid inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de bankvordering of de schuldenaar teneinde de in waarborg gegeven bankvordering te gebruiken.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2011-09-26/19, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 10-11-2011>
(2)<W 2012-08-03/23, art. 22, 005; Inwerkingtreding : 03-09-2012>

Art. 5. De zakelijke-zekerheidsovereenkomsten die worden gesloten door een vertegenwoordiger van begunstigden van zakelijke zekerheden, die in eigen naam, maar voor rekening van die begunstigden optreedt, worden beschouwd als geldig en tegenstelbaar aan derden, inclusief aan de betrokken vertegenwoordiger, in zoverre de identiteit van de begunstigden van zakelijke zekerheden kan worden vastgesteld aan de hand van die overeenkomsten. De identiteit van die begunstigden van zakelijke zekerheden kan veranderen in de tijd, zonder dat dit de zakelijke zekerheid, inzonderheid de geldigheid, de tegenstelbaarheid en de rang ervan, aantast.

De vertegenwoordiger geniet alle rechten en prerogatieven die normaliter toekomen aan de begunstigden voor wier rekening hij optreedt.

HOOFDSTUK IV. - Bewijs.

Art. 6. Het sluiten van de in artikel 4 bedoelde zakelijke-zekerheidsovereenkomsten moet schriftelijk worden bewezen, inclusief op elektronische wijze en op elke andere duurzame drager, of via alle rechtsmiddelen die in commerciële aangelegenheden zijn toegestaan. Dit geldt eveneens voor de identificatie van de activa waarop de zakelijke-zekerheidsovereenkomst betrekking heeft en, wat de financiële instrumenten betreft, voor hun verschaffing.

HOOFDSTUK V. - Pand.

Afdeling I. - Voorwaarden voor de geldigheid en de tegenstelbaarheid van het pand.

Art. 7.§ 1. De verplichtingen waarvan sprake in de artikelen 1328 en 2074 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op het burgerlijk pand als bedoeld in artikel 4.

§ 2. [1 Op de marge-opvragingen en op de gelijkwaardige financiële instrumenten, contanten of bankvorderingen die, tijdens de duur van de overeenkomst, in de plaats worden gesteld van de activa die het oorspronkelijke pand vormen, is dezelfde regeling van toepassing als op de laatstgenoemde activa. In geval van bankvorderingen, tast het recht van de pandgever op het innen van de opbrengst de ten gunste van de begunstigde gestelde zekerheid niet aan.]1

TOEKOMSTIG RECHT

Art. 7. § 1. De verplichtingen waarvan sprake in [2 artikel 1328 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 61 van titel XVII, boek III, van het Burgerlijk Wetboek]2 zijn niet van toepassing op het burgerlijk pand als bedoeld in artikel 4.

§ 2. [1 Op de marge-opvragingen en op de gelijkwaardige financiële instrumenten, contanten of bankvorderingen die, tijdens de duur van de overeenkomst, in de plaats worden gesteld van de activa die het oorspronkelijke pand vormen, is dezelfde regeling van toepassing als op de laatstgenoemde activa. In geval van bankvorderingen, tast het recht van de pandgever op het innen van de opbrengst de ten gunste van de begunstigde gestelde zekerheid niet aan.]1

----------
(1)<W 2011-09-26/19, art. 17, 004; Inwerkingtreding : 10-11-2011>
(2)<W 2013-07-11/19, art. 97, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

Afdeling II. - Realisatie.

Art. 8. § 1. Behoudens andersluidende overeenkomst tussen de partijen, is het de pandhoudende schuldeiser toegestaan om, bij wanprestatie, de financiële instrumenten waarop het pand betrekking heeft, binnen de kortst mogelijke termijn en zonder voorafgaande ingebrekestelling of gerechtelijke beslissing, te realiseren, niettegenstaande een insolventieprocedure, het beslag of enig ander geval van samenloop tussen de schuldeisers van de schuldenaar of van de derde pandgever. De opbrengst van de realisatie van die financiële instrumenten wordt, overeenkomstig artikel 1254. van het Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de pandhoudende schuldeiser. Het eventuele saldo komt toe aan de pandgevende schuldenaar of, naargelang van het geval, de derde pandgever.

§ 2. Onverminderd § 1 en voorzover de partijen daarover overeenstemming hebben bereikt en zij daarvoor in de overeenkomst de regels hebben vastgesteld, inzonderheid voor de waardering van de als zekerheid verschafte financiële instrumenten, is het de pandhoudende schuldeiser toegestaan om zich, bij wanprestatie en zonder voorafgaande ingebrekestelling of gerechtelijke beslissing, de in pand gegeven financiële instrumenten toe te eigenen, niettegenstaande een insolventieprocedure, het beslag of enig ander geval van samenloop tussen de schuldeisers van de schuldenaar of van de derde pandgever. Het bedrag dat voortvloeit uit de waardering van de als zekerheid verschafte financiële instrumenten wordt, overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de pandhoudende schuldeiser. Het eventuele saldo komt toe aan de pandgevende schuldenaar of, naargelang van het geval, de derde pandgever.

§ 3. Paragrafen 1 en 2 doen geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de hoven en rechtbanken om achteraf de voorwaarden te controleren voor de realisatie van de als zekerheid verschafte financiële instrumenten of de waardering van die financiële instrumenten of het bedrag van de gewaarborgde schuldvordering.

Art. 9. § 1. Behoudens andersluidende overeenkomst tussen de partijen, is het de pandhoudende schuldeiser toegestaan om, bij wanprestatie, niettegenstaande een insolventieprocedure, het beslag of enig ander geval van samenloop tussen de schuldeisers van de schuldenaar of van de derde pandgever, het pand op de contanten, zonder voorafgaande ingebrekestelling of gerechtelijke beslissing, te realiseren, door de in pand gegeven contanten, overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek en met naleving van de door de partijen vastgestelde regels voor de waardering en de opeisbaarheid van die contanten, toe te rekenen op zijn schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten.

Het eventuele saldo komt toe aan de pandgevende schuldenaar of, naargelang van het geval, de derde pandgever.

§ 2. Paragraaf 1 doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de hoven en rechtbanken om achteraf de voorwaarden te controleren voor de waardering van de in pand gegeven contanten of van het bedrag van de gewaarborgde schuldvordering.

Art. 9/1. [1 § 1. Behoudens andersluidende overeenkomst tussen de partijen, is het de pandhoudende schuldeiser toegestaan om, bij wanprestatie, niettegenstaande een insolventieprocedure, het beslag of enig ander geval van samenloop tussen de schuldeisers van de schuldenaar of van de derde pandgever, de bankvorderingen waarop het pand betrekking heeft, binnen de kortst mogelijke termijn en zonder voorafgaande ingebrekestelling of gerechtelijke beslissing, te realiseren.
De opbrengst van de realisatie van die bankvorderingen wordt, overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de pandhoudende schuldeiser. Het eventuele saldo komt toe aan de pandgevende schuldenaar of, naargelang van het geval, de derde pandgever.

§ 2. Onverminderd § 1 en voor zover de partijen daarover overeenstemming hebben bereikt en zij daarvoor in de overeenkomst de modaliteiten hebben vastgesteld, inzonderheid voor de waardering van de in pand gegeven bankvorderingen, is het de pandhoudende schuldeiser toegestaan om zich, bij wanprestatie, zonder voorafgaande ingebrekestelling of gerechtelijke beslissing, de in pand gegeven bankvorderingen toe te eigenen, niettegenstaande een insolventieprocedure, het beslag of enig ander geval van samenloop tussen de schuldeisers van de schuldenaar of van de derde pandgever. Het bedrag dat voortvloeit uit de waardering van de in pand gegeven bankvorderingen wordt, overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de pandhoudende schuldeiser. Het eventuele saldo komt toe aan de pandgevende schuldenaar of, naargelang van het geval, de derde pandgever.

§ 3. §§ 1 en 2 doen geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de hoven en rechtbanken om achteraf een controle te doen van de voorwaarden voor de realisatie van de in pand gegeven bankvorderingen of van de waardering van die bankvorderingen of het bedrag van de gewaarborgde schuldvordering.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2011-09-26/19, art. 18, 004; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

Art. 10.§ 1. Behoudens andersluidende overeenkomst, heeft het voorrecht van de pandhoudende schuldeiser voorrang op het wettelijk voorrecht van de gekwalificeerde tussenpersonen en de [1 vereffeningsinstellingen]1 als bedoeld in artikel 31 van de wet van 2 augustus 2002, als die tussenpersonen of die instellingen ermee hebben ingestemd om dat pand op de financiële instrumenten waarop het wettelijk voorrecht betrekking heeft, te crediteren op een speciale rekening in hun boeken in de zin van artikel 4, § 1, of als zij de inpandgeving van contanten hebben erkend conform artikel 2075, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.
§ 2. Paragraaf 1 is ook van toepassing op het wettelijk voorrecht als bedoeld in artikel 7 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België.

TOEKOMSTIG RECHT

Art. 10. § 1. Behoudens andersluidende overeenkomst, heeft het voorrecht van de pandhoudende schuldeiser voorrang op het wettelijk voorrecht van de gekwalificeerde tussenpersonen en de [1 vereffeningsinstellingen]1 als bedoeld in artikel 31 van de wet van 2 augustus 2002, als die tussenpersonen of die instellingen ermee hebben ingestemd om dat pand op de financiële instrumenten waarop het wettelijk voorrecht betrekking heeft, te crediteren op een speciale rekening in hun boeken in de zin van artikel 4, § 1, of als zij de inpandgeving van contanten hebben erkend [2 conform artikel 60, tweede lid, van titel XVII, boek III, van het Burgerlijk Wetboek]2.

§ 2. Paragraaf 1 is ook van toepassing op het wettelijk voorrecht als bedoeld in artikel 7 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België.

----------
(1)<W 2014-04-25/64, art. 36, 006; Inwerkingtreding : 07-06-2014>
(2)<W 2013-07-11/19, art. 97, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

Afdeling III. - Recht om de in pand gegeven financiële instrumenten te gebruiken.

Art. 11. § 1. Voorzover de partijen daarover overeenstemming hebben bereikt, mag de pandhoudende schuldeiser de in pand gegeven financiële instrumenten op om het even welke manier gebruiken, alsof hij er eigenaar van is, op voorwaarde dat hij die financiële instrumenten uiterlijk op de datum van opeisbaarheid van de gewaarborgde schuld, vervangt door financiële instrumenten die gelijkwaardig zijn aan de oorspronkelijk in pand gegeven financiële instrumenten.

Het in het vorige lid bedoelde gebruik tast de rechten van de pandhoudende schuldeiser op het pand niet aan.

§ 2. Uiterlijk op de datum van opeisbaarheid van de gewaarborgde schuld vervangt de pandhoudende schuldeiser de oorspronkelijk in pand gegeven financiële instrumenten door gelijkwaardige financiële instrumenten of, voor zover de partijen daarover overeenstemming hebben bereikt, rekent hij de waarde van die financiële instrumenten toe op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de pandhoudende schuldeiser met naleving van de overeengekomen regels met betrekking tot de waardering van de in pand gegeven financiële instrumenten en van de gewaarborgde schuld. Het eventuele saldo komt toe aan de pandgevende schuldenaar of, naargelang van het geval, de derde pandgever.

Op de aldus vervangen financiële instrumenten is dezelfde regeling van toepassing als op de oorspronkelijk in pand gegeven financiële instrumenten, zonder dat zij als een nieuwe zekerheid kunnen worden beschouwd.

§ 3. Als de pandhoudende schuldeiser zijn verplichting niet nakomt om de oorspronkelijk in pand gegeven financiële instrumenten op de datum van opeisbaarheid van de gewaarborgde schuldvordering te vervangen door gelijkwaardige financiële instrumenten, mag de schuldenaar, overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, de waarde van de oorspronkelijk in pand gegeven financiële instrumenten toerekenen op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de pandhoudende schuldeiser, met naleving van de overeengekomen regels voor de waardering van de in pand gegeven financiële instrumenten en van de gewaarborgde schuld. Bij gebrek aan dergelijke regels worden de in pand gegeven financiële instrumenten gewaardeerd onder verwijzing naar hun waarde op de datum van opeisbaarheid van de gewaarborgde schuld.

§ 4. Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de hoven en rechtbanken om achteraf de voorwaarden te
controleren voor de waardering van de als zekerheid verschafte financiële instrumenten of van het bedrag van de gewaarborgde schuldvordering.

HOOFDSTUK VI. - Eigendomsoverdracht ten titel van zekerheid.

Art. 12.§ 1. [1 Artikel 1328 en de bepalingen van boek III, titel XVII van het Burgerlijk Wetboek evenals de bepalingen van boek I, titel VI van het Wetboek van koophandel zijn niet van toepassing op de eigendomsoverdrachten van financiële instrumenten, van contanten of van bankvorderingen die worden verricht om verbintenissen te waarborgen en die een verbintenis van de overnemer inhouden om de overgedragen financiële instrumenten, contanten of bankvorderingen, of gelijkwaardige instrumenten of waarden, terug over te dragen, behalve wanneer de gewaarborgde verbintenis helemaal niet of slechts gedeeltelijk wordt uitgevoerd.

Hetzelfde geldt voor de marge-opvragingen en voor de substitutie, tijdens de duur van de overeenkomst, van de oorspronkelijk overgedragen activa door nieuwe financiële instrumenten, andere contanten of bankvorderingen.]1

§ 2. De in § 1 bedoelde eigendomsoverdrachten zijn geldig en aan derden tegenstelbaar, inclusief de prerogatieven die uit de eigendom voortvloeien en die inzonderheid de vervreemding van de activa waarop die overdrachten betrekking hebben, of de saldering van de desbetreffende schuldvorderingen mogelijk maken, niettegenstaande een insolventieprocedure, het beslag of enig ander geval van samenloop tussen de schuldeisers van één van de partijen bij deze overeenkomsten.

§ 3. Wanneer de gewaarborgde verbintenis helemaal niet of slechts gedeeltelijk wordt uitgevoerd, wordt het bedrag van de contanten [1 of van de bankvorderingen]1 of de waarde van de als zekerheid overgedragen financiële instrumenten, vastgesteld onder verwijzing naar de datum van opeisbaarheid van de gewaarborgde schuld, overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de overnemer. Het eventuele saldo komt toe aan de overdrager.

§ 4. Dit artikel is niet van toepassing op de overeenkomsten die zijn gesloten tussen of met natuurlijke personen.
----------
(1)<W 2011-09-26/19, art. 19, 004; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

HOOFDSTUK VII. - Cessie-retrocessieverrichtingen ("repo's").

Art. 13. § 1. Artikel 1328, de bepalingen van boek III, titel XVII, van het Burgerlijk Wetboek en de bepalingen van boek I, titel VI, van het Wetboek van koophandel zijn niet van toepassing op de contante verkopen van financiële instrumenten, die tussen dezelfde partijen worden gesloten met gelijktijdige terugkoop op bepaalde of onbepaalde termijn van gelijkwaardige financiële instrumenten, ongeacht de overeengekomen prijs-, leverings- of looptijdvoorwaarden.

De marge-opvragingen worden geacht onder de prijsvoorwaarden te vallen die betrekking hebben op de cessie-retrocessieverrichtingen in de zin van deze bepaling.

De leveringsvoorwaarden in de zin van deze bepaling omvatten de vervanging, tijdens de duur van de overeenkomst, van de financiële instrumenten die oorspronkelijk ter uitvoering van de contante verkoop zijn geleverd, door nieuwe financiële instrumenten.

§ 2. Behoudens andersluidende overeenkomst, is de verkoper op termijn, bij niet-betaling op de vervaldag van de prijs van terugkoop op termijn, verplicht om de financiële instrumenten te realiseren tegen de voordeligste prijs en binnen de kortst mogelijke termijn, rekening houdend met het volume van de transacties.

De opbrengst van de realisatie van die financiële instrumenten wordt, overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de verkoper op termijn. Het eventuele saldo van de opbrengst van deze realisatie komt toe aan de koper op termijn.

De uitoefening van de rechten die deze paragraaf toekent aan de verkoper op termijn, wordt noch geschorst door een insolventieprocedure in hoofde van zijn tegenpartij, noch door een beslag dat wordt gelegd op één van zijn vermogensbestanddelen, noch door enig ander geval van samenloop dat plaatsvindt tussen zijn schuldeisers.

§ 3. Behoudens andersluidende overeenkomst, is de koper op termijn, bij niet-levering op de vervaldag van de financiële instrumenten teruggekocht op termijn, verplicht om op de markt gelijkwaardige financiële instrumenten te verwerven tegen de voordeligste prijs en binnen de kortst mogelijke termijn, rekening houdend met het volume van de transacties.

Indien de verwerving van dergelijke financiële instrumenten, op de in het eerste lid bedoelde voorwaarden, tegen een lagere prijs geschiedt dan de voor de terugkoop op termijn overeengekomen prijs, komt het eventuele saldo toe aan de verkoper op termijn, na aftrek van de kosten en interesten die desgevallend aan de koper op termijn verschuldigd zijn.

De uitoefening van de rechten die deze paragraaf toekent aan de koper op termijn, wordt noch geschorst door een insolventieprocedure in hoofde van zijn tegenpartij, noch door een beslag dat wordt gelegd op één van zijn vermogensbestanddelen, noch door enig ander geval van samenloop dat plaatsvindt tussen zijn schuldeisers.

HOOFDSTUK VIII. - Nettingovereenkomsten.

Art. 14.[1 § 1.]1 De netting-overeenkomsten alsook de ontbindende bedingen en voorwaarden of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken, kunnen, zonder voorafgaande ingebrekestelling of gerechtelijke beslissing, niettegenstaande elke overdracht van de rechten waarop zij betrekking hebben, in het geval van de opening van een insolventieprocedure of in het geval van het beslag of enig ander geval van samenloop, aan de schuldeisers worden tegengesteld als de schuldvordering en de schuld waarop de schuldvernieuwing of -vergelijking moet worden toegepast, bestaan op het ogenblik waarop de insolventieprocedure, het beslag of een geval van samenloop plaatsvindt, ongeacht de datum van hun opeisbaarheid, hun doel of de valuta waarin zij zijn uitgedrukt.

[1 § 2. Paragraaf 1 van dit artikel is niet van toepassing op de nettingovereenkomsten, noch op de ontbindende bedingen en voorwaarden of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken, gesloten tussen of met natuurlijke personen die geen kooplieden zijn.

Paragraaf 1 van dit artikel blijft evenwel van toepassing op de nettingovereenkomsten en op de ontbindende bedingen en voorwaarden of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken, die werden gesloten op een ogenblik dat de natuurlijke persoon de hoedanigheid van koopman had, op voorwaarde dat de schuldvernieuwing of schuldvergelijking wordt ingeroepen voor minstens één verbintenis die is ontstaan op een ogenblik dat de natuurlijke persoon koopman was.

Het eerste lid van deze paragraaf doet geen afbreuk aan het recht van toerekening op de gewaarborgde schuldvordering in het kader van de realisatie van een zakelijke zekerheidsovereenkomst.]1
----------
(1)<W 2011-09-26/19, art. 20, 004; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 29/06/2016 - 16:21
Laatst aangepast op: wo, 29/06/2016 - 16:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.