-A +A

Een handelsverrichting zonder KBO inschrijving kan rechtsgevolgen hebben.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Datum van de uitspraak: 
vri, 06/02/2015
A.R.: 
C.13.0182.N

De enkele omstandigheid dat een handels- of ambachtsonderneming niet over een inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen beschikt, heeft niet tot gevolg dat de door haar gesloten overeenkomsten onrechtmatig zijn en geen grondslag kunnen bieden aan een rechtsvordering.

 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.13.0182.N
VLAAMSE INVESTERINGSGROEP nv, in vereffening, met zetel te 8000 Brugge, Stationsplein 10/201,
eiseres,

tegen
1. HEDERA II nv, met zetel te 8300 Knokke-Heist, Magere Schorre 55, bus a,
2. L. P.,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 2 januari 2013.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oproeping van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen (hierna KBO-wet), zoals ter zake van toepassing, is een rechtsvordering ingesteld door een handels- of ambachtsonderneming niet ontvankelijk indien het deur-waardersexploot geen melding maakt van het ondernemingsnummer.

Bij gebrek aan deze vermelding verleent de rechtbank uitstel aan de handels- of ambachtsonderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Onderne-mingen op de datum van het inleiden van de vordering te bewijzen.

Indien de handels- of ambachtsonderneming hierin niet slaagt of indien blijkt dat de onder-neming niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank de vordering van ambtswege onontvankelijk.

Indien de onderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruis-puntbank van Ondernemingen, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onder-neming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming eveneens niet ontvankelijk. De niet-ontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien de niet-ontvankelijkheid niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt inge-roepen.

2. Uit deze bepaling volgt dat de enkele omstandigheid dat een handels- of ambachtsonderneming niet over een inschrijving in de Kruispuntbank van Onder-nemingen beschikt, niet tot gevolg heeft dat de door haar gesloten overeenkom-sten onrechtmatig zijn en geen grondslag kunnen bieden aan een rechtsvordering.

3. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede middel

4. Het artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek wordt geschonden wanneer uit-spraak wordt gedaan over niet gevorderde zaken of er meer werd toegekend dan er gevraagd was.

5. Uit de "vierde, samenvattende" appelconclusie van de verweerders van 13 april 2012 blijkt dat zij de veroordeling vroegen van de eiseres in betaling van de hoofdsom "meer de conventionele intrest aan 10% vanaf de factuurdatum, min-stens de gerechtelijke intrest vanaf de datum van de dagvaarding tot de uiteindelijke beslissing".

6. De appelrechters die de eiseres veroordelen tot betaling van de hoofdsom meer de aldaar bepaalde moratoire rente "en de gerechtelijke intresten vanaf 2 ja-nuari 2008 tot de datum van betaling, dit aan de rentevoet overeenkomstig de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand inzake handelstransacties" schenden voormelde wetsbepaling in zoverre deze intrestvoet de wettelijke rentevoet overtreft.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit, bij de veroordeling tot betaling van de gerechtelijke interest op de hoofdveroordeling vanaf 2 januari 2008 tot de datum van betaling, deze rente bepaalt aan een hogere rentevoet dan de wettelijke rente.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Veroordeelt de eiseres tot twee derden van de kosten.
Veroordeelt de verweerders tot het overige derde.
Zegt dat er geen aanleiding bestaat tot verwijzing.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1123,29 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer
 

Noot: 

Rechtspraak:

• Grondwettelijk Hof 14/12/2016, RW 20116-2017, 1219

Samenvatting

Het vereiste dat de ingestelde vordering, wil zij ontvankelijk zijn, moet zijn gebaseerd op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen of op een activiteit die valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op die datum is ingeschreven, gaat terug op de algemene doelstelling die aan de wet van 3 juli 1956 op het handelsregister ten grondslag ligt. Met die wetgeving beoogde de wetgever immers het zwartwerk te bestraffen van diegenen die een handelswerkzaamheid uitoefenen zonder de juridische, sociale en fiscale gevolgen ervan te dragen, en de maatregel strekte ertoe die handelaars de toegang tot de rechtszaal te ontzeggen (Hand. Senaat 1955-56, zitting van 29 november 1956, p. 47, Pasin., 1956, 519-520). Aldus droeg die maatregel bij tot het bestrijden van de oneerlijke concurrentie.

Die zorg blijft gelden voor vorderingen die gebaseerd zijn op een andere activiteit dan die waarvoor de onderneming op de datum van inleiding van de vordering is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, ook al kan de Kruispuntbank van Ondernemingen zijn taken in dat geval reeds naar behoren uitvoeren (art. III.15 WER).

Het in het geding zijnde vereiste is niet onevenredig. De onontvankelijkheid van de vordering wordt immers gedekt indien de exceptie niet in limine litis wordt opgeworpen (art. III.26, § 2 WER)..

Tekst arrest
Arrest nr. 160/2016

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij vonnis van 23 oktober 2015 (...) heeft de Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld: “Schendt art. III.26, § 2 WER artt. 10 en 11 Gw., gelezen in samenhang met art. 6, § 1 EVRM, doordat het de onderneming die een vordering baseert op een activiteit waarvoor zij op de datum van de inleiding niet is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, de sanctie oplegt van de niet-ontvankelijkheid van de vordering, zonder mogelijkheid tot regularisatie tijdens het geding, wat een onevenredig zware sanctie lijkt te zijn rekening houdend met het doel van de maatregel ?”

...

B.1. De aan het Hof voorgelegde prejudiciële vraag heeft betrekking op de verenigbaarheid van art. III.26, § 2 WER met artt. 10 en 11 Gw., gelezen in samenhang met art. 6.1 EVRM, doordat het de onderneming die een rechtsvordering baseert op een activiteit waarvoor zij op de datum van de inleiding niet is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, de sanctie oplegt van niet-ontvankelijkheid van de vordering, zonder mogelijkheid tot regularisatie tijdens het geding, “wat een onevenredig zware sanctie lijkt te zijn rekening houdend met het doel van de maatregel”. Derhalve wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling instelt, doordat aan een partij de uitoefening van een grondrecht, namelijk het recht op toegang tot de rechter, wordt ontzegd, terwijl dat grondrecht voor elke andere burger wordt gewaarborgd.

B.2. Art. III.26 WER bepaalt :

Ҥ 1. Elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot vermeldt steeds het ondernemingsnummer.

“Bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsnummer op het deurwaardersexploot, verleent de rechtbank uitstel aan de handels- of ambachtsonderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van de vordering te bewijzen.

“Indien de handels- of ambachtsonderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn of indien blijkt dat de onderneming niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank van ambtswege de vordering van de handels- of ambachtsonderneming onontvankelijk.

“§ 2. Indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar hoofdvordering, tegenvordering of vordering tot tussenkomst, ingediend bij verzoekschrift, bij conclusie of deurwaardersexploot, gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van die vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien ze niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.”

B.3. De in art. III.26 WER omschreven sancties vinden hun oorsprong in art. 14 van de wet van 16 januari 2003 “tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen” en betreffen “een herformulering van de artikelen 41 en 42 van het KB van 20 juli 1964 betreffende het handelsregister en de artikelen 28 en 29 van de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister” (Parl. St. Kamer 2002-2003, DOC 50-2058/001, p. 23).

Art. 42 van de bij KB van 20 juli 1964 gecoördineerde wetten betreffende het handelsregister, dat zelf teruggrijpt naar art. 37 van de wet van 3 juli 1956 op het handelsregister (Belgisch Staatsblad 25 juli 1956), bepaalde, vóór het met ingang van 1 juli 2003 (art. 3, § 1 van het KB van 15 mei 2003, Belgisch Staatsblad 19 mei 2003, tweede editie) werd opgeheven bij art. 72, 2o van de voormelde wet van 16 januari 2003:

“Onontvankelijk is elke hoofdeis, tegeneis of eis tot tussenkomst welke zijn grond vindt in een handelswerkzaamheid waarvoor de verzoeker niet ingeschreven was bij het instellen van de vordering.

“De niet-ontvankelijkheid is gedekt indien zij niet vóór iedere andere exceptie of verweermiddel wordt voorgesteld.”

B.4.1. Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden. Die voorwaarden mogen er echter niet toe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM 24 februari 2009, L’Erablière t/ België, § 36; 29 maart 2011, RTBF t/ België, § 69).

B.4.2. Meer in het bijzonder zijn de regels betreffende de vormvoorschriften gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico’s van rechtsonzekerheid. Die regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen hun rechten te doen vrijwaren.

Bovendien “dienen de rechtbanken, door de procedureregels toe te passen, zowel een overdreven formalisme dat afbreuk zou doen aan het eerlijke karakter van de procedure, als een buitensporige soepelheid die zou leiden tot het afschaffen van de bij de wet vastgestelde procedurele vereisten, te vermijden” (EHRM 25 mei 2004, Kadlec en anderen t/ Tsjechische Republiek, § 26; EHRM 26 juli 2007, Walchli t/ Frankrijk, § 29). “Het recht op toegang tot een rechter wordt immers aangetast wanneer de reglementering ervan niet langer de doelstellingen van de rechtszekerheid en de behoorlijke rechtsbedeling dient en een soort van hinderpaal vormt die de rechtzoekende verhindert zijn geschil ten gronde door het bevoegde rechtscollege beslecht te zien” (EHRM 13 januari 2011, Evaggelou t/ Griekenland, § 19; EHRM 24 mei 2011, Sabri Gunes t/ Turkije, § 58).

B.5. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de al dan niet volledige inschrijving van de onderneming of vestigingseenheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen.

B.6.1. Het vereiste dat de ingestelde vordering, wil zij ontvankelijk zijn, moet zijn gebaseerd op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen of op een activiteit die valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op die datum is ingeschreven, gaat terug op de algemene doelstelling die aan de wet van 3 juli 1956 op het handelsregister ten grondslag ligt. Met die wetgeving beoogde de wetgever immers het zwartwerk te bestraffen van diegenen die een handelswerkzaamheid uitoefenen zonder de juridische, sociale en fiscale gevolgen ervan te dragen, en de maatregel strekte ertoe die handelaars de toegang tot de rechtszaal te ontzeggen (Hand. Senaat 1955-56, zitting van 29 november 1956, p. 47, Pasin., 1956, 519-520). Aldus droeg die maatregel bij tot het bestrijden van de oneerlijke concurrentie.

B.6.2. Die zorg blijft gelden voor vorderingen die gebaseerd zijn op een andere activiteit dan die waarvoor de onderneming op de datum van inleiding van de vordering is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, ook al kan de Kruispuntbank van Ondernemingen zijn taken in dat geval reeds naar behoren uitvoeren (art. III.15 WER).

B.6.3. Het in het geding zijnde vereiste is niet onevenredig. De onontvankelijkheid van de vordering wordt immers gedekt indien de exceptie niet in limine litis wordt opgeworpen (art. III.26, § 2 WER).

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Rechtsleer:

• W. Cloet, “De exceptie van onontvankelijkheid in geval van onvolledige inschrijving in de Kruispuntbank der Ondernemingen”, TBH 2012, 686-694;

• B. Smekens, “De sancties van onontvankelijkheid in art. III.26 Wetboek van Economisch Recht. Kritische evaluatie met rechtspraakanalyse”, P&B 2014, 83-102.


• Hof van Cassatie, 3e Kamer – 9 januari 2017, RW 2016-2017, 1500

Samenvatting

Uit art. 14, vierde lid KBO-Wet (huidig art. III.26, § 2 in fine WER) volgt dat de niet-ontvankelijkheid van de vordering van een onderneming die is ingeschreven in de KBO, maar die niet is gebaseerd op een activiteit waarvoor deze op de datum van de inleiding is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel, gedekt is indien zij niet vóór elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen. De rechter dient deze bepaling ambtshalve toe te passen.

Tekst arrest

AR nr. C.16.0135.N

M.P. t/ P.P.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 5 februari 2016.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens art. 14, eerste lid van de wet van 16 januari 2003 “tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen” (hierna: “KBO-wet”), vermeldt elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot steeds het ondernemingsnummer.

Krachtens art. 14, vierde lid KBO-wet, is de vordering onontvankelijk indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien zij niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.

2. Uit die bepalingen volgt dat de niet-ontvankelijkheid van de vordering van een handels- of ambachtsonderneming die is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen maar die niet gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, gedekt is indien zij niet vóór elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.

3. De rechter is ertoe gehouden om, mits hij het recht van verdediging eerbiedigt, de rechtsnorm te bepalen die van toepassing is op de bij hem ingestelde rechtsvordering en die norm toe te passen. De loutere afwezigheid van verweer tegen de ingeroepen niet-ontvankelijkheid, ontslaat hem daarvan niet.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerster voor de eerste rechter niet heeft besloten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering van de eiseres.

5. De appelrechters die vaststellen dat de eiseres zich niet beroept op de laatste zin van art. 14, vierde lid KBO-Wet en oordelen dat zij deze bepaling niet ambtshalve dienen toe te passen, verantwoorden hun beslissing dat de vordering van de eiseres niet ontvankelijk is, niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

6. De rechter is ertoe gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop toepasselijke rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent.

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verweerster zich heeft beroepen op de door de appelrechters onder 2.2.2. van hun arrest vermelde rechtsregels op grond waarvan zij beslissen dat:

– de eiseres, aangezien zij geen inschrijving heeft in de Kruispuntbank voor Ondernemingen voor de gefactureerde werken, evenmin kan laten gelden dat zij voldoet aan de van openbare orde gestelde vereisten inzake ondernemersvaardigheden teneinde op rechtmatige en ontvankelijke wijze haar gefactureerde aanspraken ter zake te kunnen laten gelden tegen de verweerster;

– hoe dan ook geen dekking mogelijk is van de niet-ontvankelijkheid van de vordering, gelet op het handelen tegen de openbare orde.

8. De appelrechters die aldus de vordering van de eiseres mede op deze gronden niet ontvankelijk verklaren, zonder deze aan tegenspraak te onderwerpen, miskennen het recht van verdediging.

Het onderdeel is gegrond.

Rechtsleer:

E. Brewaeys, Opletten met vermelding van ondernemlingsnummer in dagvaarding, Juristenkrant, 8 februari 2017, p.6

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 13/05/2016 - 15:26
Laatst aangepast op: za, 27/05/2017 - 10:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.