-A +A

Een begin van bewijs is op zich nog geen bewijs

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 06/05/2015

Een begin van bewijs is een onvolledig bewijs en vergt een aanbod tot verdere bewijsvoering.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
386
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

M. De M. t/ G.L.

...

Feiten en retroacten

4. De vrouw en de man hebben een relatie gehad van 2005 tot de zomer van 2009. Zij woonden feitelijk samen op het adres van de vrouw.

De man voert aan dat hij verbouwingswerken aan de woning van de vrouw heeft betaald voor een som van 85.251,14 euro aan aannemingsfacturen en voor 8.065,27 euro aan inrichtings- en decoratiekosten.

De vrouw zou een eerste terugbetaling van 15.000 euro hebben gedaan met de vermelding: “terugbetaling lening”. Daarna is er niets meer betaald.

...

5. Bij het bestreden vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 23 april 2013 werd de vordering van de man toelaatbaar verklaard en in de volgende mate gegrond: de vrouw werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van 65.752,14 euro, te vermeerderen met de verwijlinteresten aan de wettelijke interestvoet vanaf 1 mei 2011 tot de dag der algehele betaling. (...).

Tegen dit vonnis werd namens de vrouw een hoger beroep aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 26 juli 2013.

...

Beoordeling

7. De feitelijke samenwoning brengt geen specifieke vermogensrechtelijke gevolgen teweeg en creëert op zich geen enkel juridisch effect. Bij afwezigheid van enige andersluidende overeenkomst worden de vermogensrechtelijke verhoudingen tussen feitelijk samenwonenden opgelost op grond van het gemene recht. De omstandigheden die aan de grondslag liggen van de relatiebreuk, doen bij de beoordeling niet ter zake.

8. Lening

De man beroept zich in eerste instantie op de figuur van de lening en draagt dan ook de bewijslast van het bestaan van een lening (art. 1315, eerste lid BW). Concreet houdt dit in dat hij niet alleen het bewijs moet leveren van de terbeschikkingstelling van de gelden, maar ook dat deze terbeschikkingstelling binnen een leningsovereenkomst kadert. Het is niet betwist dat de man de door hem opgesomde facturen betaalde. Het bewijs van het bestaan van de leningsovereenkomst moet worden geleverd overeenkomstig art. 1341 BW. Dit houdt concreet in dat – aangezien het een rechtshandeling boven 375 euro betreft – in beginsel een geschrift is vereist. Er ligt geen geschrift voor.

De man beroept zich op de onmogelijkheid om zich een schriftelijk bewijs te verschaffen. Hij betoogt dienaangaande: “Helaas is het dagelijkse praktijk bij ongehuwde samenwoners dat er geen voorafgaande regeling op papier wordt gezet die de betaling van één partner voor het onroerend goed van de andere duidelijk verklaart”.

Het loutere feit dat het niet gebruikelijk is om in een dergelijk geval een akte op te stellen (wat een loutere bewering is die het hof bovendien betwijfelt), heeft trouwens niet tot gevolg dat men zich in de “onmogelijkheid” bevindt zoals bedoeld in de wet (art. 1348 BW). De man roept voorts de “ziekte” van de vrouw op het einde van de relatie in als reden van de onmogelijkheid om zich een schriftelijk bewijs te verschaffen. Het feit dat de vrouw van 7-9 september 2009 ziekteverlof had, is evenmin voldoende om te besluiten dat de man niet in de mogelijkheid was om zich een schriftelijk bewijs te verschaffen. Anders dan de eerste rechter, aanvaardt het hof niet dat er van (morele) onmogelijkheid om zich een schriftelijk bewijs te verschaffen in dezen sprake is.

Het door de man verder ingeroepen begin van bewijs door geschrift op grond van art. 1347 BW, meer bepaald het feit dat de vrouw op 2 september 2009 een overschrijving van 15.000 euro deed op zijn rekening met vermelding “terugbetaling lening”, bewijst niet dat er sprake was van een lening van de man voor een bedrag van 85.251,14 euro. De man doet overigens geen aanbod tot verder bewijs, terwijl een begin van bewijs door geschrift per definitie een onvolledig en onvolmaakt bewijsmiddel is.

Op 8 januari 2009 stuurde de man een e-mailbericht aan de vrouw met als inhoud: “Hier een overzicht van hetgeen ik tot nu toe betaald heb in de verbouwing”, gevolgd door een opsomming van facturen voor een totaal bedrag van 85.251,14 euro. In dit e-mailbericht is alvast geen sprake van een lening, evenmin wordt terugbetaling gevorderd van de betalingen.

Het is pas in mei 2011 dat de man een e-mailbericht en een brief stuurt waarin sprake is van “de kosten (85.251,14 euro) die ik betaald heb als lening aan jou” ...

Bij schrijven van 13 mei 2011 werd het bestaan van een lening formeel betwist. Daarop is geen enkele reactie meer gekomen van de man, die dan gewacht heeft tot december 2011 om te dagvaarden.

Rekening houdende met dit alles acht het hof het bestaan van een lening niet bewezen.

9. Verval van de oorzaak van schenking

Wat deze in de oorspronkelijke dagvaarding ingeroepen grond tot terugbetaling betreft, gedraagt de man zich thans naar de wijsheid van het hof.

Het hof sluit zich aan bij de rechtspraak en rechtsleer die oordeelt dat de latere verdwijning van de oorzaak geen juridische gevolgen meebrengt voor een geldige schenking (S. Stijns en H. Geens, “Glorie en teloorgang van het verval van rechtshandeling wegens de verdwijning van hun subjectieve oorzaak. Een duiding van het cassatiearrest van 12 december 2008 inzake schenkingen” in Patrimonium 2009, Antwerpen, Intersentia, 2009, 299-325).

Een schenking die geldig is tot stand gekomen, kan enkel nog eindigen op grond van de wettelijke gronden op basis van art. 953 BW of op grond van een door partijen bedongen ontbindende voorwaarde.

Ook deze grondslag tot terugvordering faalt naar recht.

10. Verrijking zonder oorzaak

Opdat verrijking zonder oorzaak met succes als ultiem middel zou kunnen worden ingeroepen, moet cumulatief aan vijf voorwaarden worden voldaan:

– een verrijking van het ene vermogen;

– een verarming van het andere vermogen;

– een correlatief verband tussen deze verrijking en verarming;

– het ontbreken van een geldige juridische oorzaak;

– geen andere rechtsgrond voor de verarmde om zich op te beroepen.

Het louter bestaan van een affectieve samenlevingsrelatie tussen de verrijkte en de verarmde kan op zich de toepassing van de leer van de verrijking zonder oorzaak niet uitsluiten.

Allereerst is er geen verrijking aangetoond, omdat niet wordt aangetoond en zelfs niet wordt voorgehouden dat het goed een meerwaarde heeft verkregen.

Van een verarming van de man is evenmin sprake.

De solidariteitsgedachte in de persoonlijke verhoudingen tussen feitelijk samenwonende partners uit zich in een natuurlijke verbintenis tot bijdrage in de laste van het samenwonen. Elke partner dient naar best vermogen en in verhouding tot zijn/haar financiële middelen bij te dragen in de lasten van de huishouding. Blijkbaar wilde de man zijn persoonlijke stempel drukken op de verbouwing en de inrichting van de woning en was hij bereid daarvoor de meerprijs te betalen. De vrouw zag de verbouwingswerken bescheidener.

De man heeft de vermogensverschuiving vrijwillig tot stand gebracht en bovendien zijn eigen belangen behartigd. Hij handelde immers niet belangeloos, omdat hij zelf gedurende verschillende jaren woonde in het huis waar de verbeteringswerken zijn uitgevoerd.

Er is, gelet op dit alles, geen vermogensverschuiving zonder oorzaak bewezen.

11. Tot slot beroept de man zich op de rechtsfiguur van de natrekking (art. 555 BW).

Ook deze rechtsfiguur is niet van toepassing, omdat de werken niet meer individualiseerbaar zijn en niet meer weggenomen kunnen worden. Voor natrekking moeten de zaken nog uit elkaar kunnen worden gehaald. Voor gewone verbeteringen of herstellingen kan men niet terugvallen op de natrekking.

12. Rekening houdende met dit alles is er geen reden tot vergoeding.

Het hoger beroep is gegrond en het incidenteel hoger beroep is ongegrond.

Noot: 

Begin van bewijs en de schijn van waarheid

• Cassatie 18/09/2015, RW 2016-2017, 1059

samenvatting

Art. 1347, tweede lid BW beschouwt als begin van bewijs door geschrift elke geschreven akte die is uitgegaan van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt.

Om als een waarschijnlijk feit in aanmerking te worden genomen, is het niet voldoende dat het feit mogelijk lijkt; het moet een schijn van waarheid bevatten.

Tekst arrest

AR nr. C.14.0488.F

M.-J. S. t/ M.P.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 11 februari 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

Art. 1347, tweede lid BW beschouwt als begin van bewijs door geschrift elke geschreven akte die is uitgegaan van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt.

Hoewel de rechter in feite beoordeelt of de hem voorgelegde akte het aangevoerde feit waarschijnlijk maakt en derhalve een begin van bewijs door geschrift vormt, is het Hof bevoegd om na te gaan of de rechter het wettelijk begrip waarschijnlijkheid niet heeft miskend.

Om als een waarschijnlijk feit in aanmerking te worden genomen, is het niet voldoende dat het feit mogelijk lijkt; het moet een schijn van waarheid bevatten.

Het arrest stelt vast dat de verweerster een stuk overlegt volgens welk de eiseres verklaart “ik, ondergetekende [...] zie af van de koop van het terrein gelegen te ... , straat ... te M., eigendom van [de verweerster]” en vermeldt dat de eiseres aldus heeft gepreciseerd dat zij van de litigieuze koop afzag “zonder de minste verwijzing naar de terugbetaling van het voorschot van 23.000 euro”.

Het arrest oordeelt op grond van die vermeldingen dat het voormelde stuk “kan worden uitgelegd als een begin van bewijs door geschrift van het standpunt van [de verweerster] volgens welk zij dat bedrag wel degelijk heeft terugbetaald”.

Het arrest, dat de waarschijnlijkheid van de terugbetaling van het voorschot van 23.000 euro door de verweerster afleidt uit het feit dat die terugbetaling niet in voornoemd geschrift wordt vermeld, miskent het begrip waarschijnlijkheid in de zin van art. 1347, tweede lid BW en schendt bijgevolg die bepaling.

Het onderdeel is gegrond.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 03/11/2016 - 09:33
Laatst aangepast op: wo, 22/03/2017 - 15:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.