-A +A

Economische collaboratie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Andere
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 22/10/1946

I  De verkoop van waren aan een Belgische onderdaan die ze doorverkoopt aan den bezetter is slechts strafbaar op grond van art. 115, al. 2, 3, BWB., indien beschuldigde op het oogenblik van den verkoop weten moet, dat zij voor den vîjand bestemd ziin.

II. Vervoer ·voor rekening van de Frontbauleitung der Luftwatfe valt ongetwijfeld onder toepassing van art. 115, al. 2, 4 SWB. Dit geldt ook voor het vervoer .verricht door een enkeling met één enkel voertuig; het is geenszins vereischt, dat het ·vervoer zoii moeten
geschieden door een onderneming beschikkend, over personeel en een belangrijk materieel. De strafbaarheid,is evenwel afhankelijk van het bewijs, dat de beschuldigde niet onder dwang gehandeld heeft;

II. Het feit..een beschuldigde geen vervoerders voor zijn rekening of voor rekening van den vijand heeft geronseld, sluit de toepassing van de strafwet niet uit, indien bewezen wordt, dat hij uit winstbejag inlichtingen aan vervoerders verstrekt heeft en op die; wijze hun tewerkstelling voor rekening van den vijand, heeft
vergemakkelijkt.

Dit geldt zeker, wanneer de beschuldigde het volledig administratief werk betreffende het vervoer op de vliegvelden van den vijand heeft verricht.

O.M. en Belgische Staat t/Van Dyck, Lenaerts en C.A.T.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
R Victor
Jaargang: 
10° Jaargang 1947

Krijgsraad te Antwerpen Economische collaboratie verkooop aan een Belg die voortverkoopt aan den vijand en vervoer van Frontbauleitung

O.M. en Beëgische St'aat-t/Van Dyck, Lenaerts en Ç.A.T.
De eerste en tweede betichte, verdacht van te Antwerpen, gerechtelijk arrondissement Antwerpen ; en te Brussel en/of elders in Belgtë buiten het grondgebied van het Koninkrijk tusschen den· 10 ° Mei en .den 4.9.1944 aan de, vijanden van den Staat hulp in . soldaten, ·. mannen, . geld, . Ievensmiddelen,: wapens of .munitie verschaft te hebben, hetzij, dat

1) hetzij rechtstreeks, hetzij door een tusschenpersoon of in hoedanigheid van tusschenpersoon, aan de vijanden van den Staat hulp verschaft heeft in soldaten, mannen, geld, levensmiddelen voor de ravitailleering van den vijand, oorlogsmaterieel voor aanval of verweer, eigenlijk gezegde oorlogsmunitie, losse stukken voor de vervaardiging van dat materieel of die munitie, kleedings- of uitrustingsstukken, waarvan hij wist dat; zij voor militair gebruik bestemd waren, of dat hij een onderneming van werken tot het aanleggen, inrichten of camoufleeren van versterkingen, luchtvaartterreinen of alle andere voor militaire doeleinden bestemde bouwwerken of installaties heeft ingericht of geleid:

2) hun, hetzij rechtstreeks, hetzij door een tusschenpersoon of in hoedanigheid van tusschenpersoon, grondstoffen, materiaal of producten verschaft heeft, waarvan hi{kis1t dat zij bestemd waren voor de vervaardiging van dat materieel, die munitie of die kleeding- of uitrustingstukken of voor de uitvoering van die werken, bij deze leveringen alle te zijner beschikking zijnde middelen niet aangewend hebbend om zich tegen het uitvoeren van de bestellingen· van de vijanden· van den· Staat te· 'ver-~ zet .en,

3) hun, hetzij rechtstreeks, hetzij door een tusschenpersoon of in hoedanigheid van tusschenpersoon, grondstoffen of bewerkte stoffen, producten, levensmiddelen of dieren heeft verschaft, wanneer die levering is geschied ingevolge bij hen of bij tusschenpersonen, die voor hun rekening handelden, gedane aanzoeken of stappen of wanneer zij de oprichting, de vergrooting van de onderneming of de wijziging van den aard of de bedrijfsmethodes e van heeft noodig gemaakt of wanneer de productie op een abnormaal. peil werd gehouden of tot dat peil werd opgevoerd cm aan hun bestellingen te voldoen, of wanneer de verdachte hun hulp heeft ingeroepen om sociale geschillen te beslechten, of dat hij diensten van tegensabotage heeft ingericht;

4) verdachte zijn bedrijvigheid ten dienste van de vijanden van den Staat gesteld heeft, ten einde voor hun rekening de grondstoffen of bewerkte stoffen, producten, levensmiddelen of dieren onder 1, 2 en 3 hierboven bedoeld, te verzamelen:

Derde gedaagde, in de personen van hare verantwoordelijke zaakvoerders, de h.h. Van Dijck, Julius en Lenaerts, Arthur, eerste en tweede gedaagde, ten einde zich burgerlijk aansprakelijk te hooren verklaren voor de veroordeelingen tot schadevergoeding en geldboeten, kosten, verbeurdverklaringen, teruggaven, en alle andere geldelijke straffen hoegenaamd, welke wegens overtreding van de hierbovenstaande dagvaarding vermelde beschikkingen tegen haar organen of aangestelden zouden uitgesproken worden;

Vierde gedaagde, ten einde zich het te vellen vonnis gemeen te hooren verklaren;
Aangezien de beklaagden, regelmatig gedaagd, verschijnen met dien verstande, dat derde gedaagde verschijnt in de personen van eerste en tweede betichte;

I. - Overwegende, dat voor de Duitsche bezetting de bedrijvigheid van betichten als eenige deelgenooten van de P.V.B.A. Cie Anversoise de Transports dit was van commissionaris-verzender;

Overwegende, dat zij deze bedrijvigheid in den beginne der bezetting voortgezet hebben in. de mate, dat de toen heerschende toestand dit toeliet;

Overwegende, dat het in :de normale bedrijvighëid van betichte viel te trachten de teruggave te, bekomen der goederen waarvan de vrije beschikking door een verordering der bezettende macht verboden werd;

Overwegende, dat er desaangaande geen sprake kan zijn van verhandelingen met den vijand en de Heer Krijgsauditeur dus ook terecht geen enkele dezer handelingen ûastens betichten weerhoudt;

II. - Overwegende, dat betichten op zeker oogen, blik van « Wlnterhulp » een aantal van 30.000 kruikflesschen hebben · gekocht voor de som van 510.000 fr. en deze terug verkochten aan het Duitsche Sanitätspark voor de som van 600.000 fr.;

Overwegende, dat deze verhandeling valt onder toepassing van art. 115 par. 2, 3 van het S.W.B.;

Overwegende; echter, dat uit geen enkel element ter zake blijlct, dat betichten rechtstreeks in verbinding zijn - getreden met den bezetter. Dat inderdaad de verschillenr.e commissieloonen, door betichten aan een ree es Belgische tusschenpereonen uitbetaald, doen uitschijnen .dat betichten zelf als tusschenpersoon met den bezetter hebben gehandeld, t.t.z., dat zij aan een Belgisch onderdaan de koopwaren hebben aangeboden, die ze dan op zijn beurt aan den bezetter heeft verkocht. Dat om strafbaar te zijn, betichten op het oogenblik van den verkoop der flesschen moesten weten dat zij bestemd waren voor den Duitschen dienst;

Dat uit geen enkel element der zaak blijkt, dat zulks het geval geweest is, zoodat kan aangenomen worden, dat betichten voor een voldongen feit stonden, wanneer zij vernamen dat de kwestieuse koopwaar door een Duitschen dienst ging afgenomen en betaald worden;

Overwegende, dat dit feit dan ook niet lastens betichten kan weerhouden worden;

III. - Overwegende, dat vanaf Juni 1941 de bedrijvigheid van betichten voor wat betreft 'de in- en uitvoer omzeggens stil viel; Dat betichten om hieraan te verhelpen dan ook voetstappen aanwendden om een autokamion te koopen met het oog op het vervoer in het binnenland; Dat uit de stukken van den bundel blijkt, dat van af het oogenblils dat zij een kamion hadden gekocht, betichten verschillende voetstappen hadden aangewend om de vergunning te bekomen om vervoer in het land te doen ; Dat de deskundige, ter zittdng verklaarde, dat het noodzakelijk was, dat betichten eerst een kamion in hun bezit hadden alvorens de vergunning te kunnen aanvragen;

Overwegende, dat alle pogingen door betichten aangewend om eert vergunning van de Belgische instanties te bekomen, vruchteloos zijn gebleven en hun dit op het einde van Januari 1942 definitief werd bekend gemaakt;

Overwegende, 'dat het echter vaststaat, dat van af 4 September 1942 de door betichten gekochte kamion, vervoer deed voor de Frontbauleitung der Luftwaffe Melsbroeck, Abteilung Lastkraftwagen ;

Overwegende, dat dit feit ontegensprekelijk valt onder toepassing van art. 115 al. 2, 4 S.W.B.; Dat inderdaad, uit het verslag aan den Regent, dat de besluitwet van 25 Mei 1945 voorafgaat, blijkt, dat deze beschikking van toepassing is op diegenen die als aannemer van vervoer voor den vijand zijn opgetreden;

Overwegende, dat de wet hare toepassing vindt, zelfs in geval van een enkeling die zooals ter zake met een voertuig vervoer heeft gedaan en dat het geenszins vereischt wordt, dat het zoude gelden over een onderneming, hebbende meerdere personen in dienst en begrijpende een belangrijk materieel;

Overwegende, echter, dat om 'Strafbaar te zijn, het moet . bewezen zijn dat betichten vrijelijk gehandeld hebben;

Overwegende, dat betichten aanvoeren dat zij hun kamion in afwachting der aangevraagde vergunning in uitbating gaven aan de Firma « National », die was tusschengekomen om den wagen met een gazogeen te voorzien;

Dat uit de verklaring van getuige Lenaerts Lodewijk blijkt, 'dat, terwijl hij met kwestieuse kamion vervoer te Brussel de~9- voor rekening van een Belgischen aannemer, hij doör de Duitschers 'opgevorderd werd om zekere koopwaar naar Melsbroek te vervoeren en dat hij alsdan verplicht werd aldaar vervoer te 'blijven doen;

Dat deze getuigenis, uitkomende van den zoon van Jweeden betichte met de meeste omzichtigheid dient 'aangenomen, maar dat er nochtans geen enkel bewijs voorhanden is alsof de zaken zich anders zouden voorgedaan hebben;

Overwegende, dat het dus niet voldoende bewezen is, dat betichten hunnen kamion vrijelijk ter beschikking van den bezetter hebben gesteld om voor dezen laatste vervoer te doen te . Melsbroek of elders;

Overwegende, dat evenmin de aankoop van een kamion « Renault » lastens betichten kan weerhouden worden, daar uit de bevindingen van den deskundige blijkt, dat. deze karnton hoogstwaarschijnlijk in feite werd aangekocht door een zekere Embreehts en dat betichten enkel als aankoopers figureerden om het. verkrijgen eener vergunning te bekomen; dat, alhoewel de . handelwijze van betichten laakbaar en op zijn allerminst lichtzinnig is geweest, zij nochtans niet onder de beteugeling der strafwet valt;

IV. - Overwegende, dat betichten op 23 Februari 1942 door de bezettende overheid en namelijk door de Bauleitung van het vliegveld te Melsbroeck aangesteld werden om de uitbetaling te doen aan de autovoerders die voor rekening dezer bauleitung te Melsbroeck -vervoer deden;

Overwegende, dat de opdracht door de Bauleitung aari betichten gegeven, luidt, dat zij gelast worden om de rekeningen die ingediend worden door 'de eigenaars van de kamions die vervoer doen, !tJe verzamelen en alle weken onder vorm van staten pij de Bauieitung in te leveren en verders de uitbetaling aanstonds te doen van het bedrag dezer staten, hetgeen wekelijks zal uitgekeerd worden; Dat zelfde opdracht verder bepaalt, dat de aanneming, ontslaging controle der ingestelde wagen, het verifieeren der rekeningen, enz .. , zobäls vroeger zullen geschieden door de Bauleitung zelve;

Overwegende, dat alle elementen van het vooronderzoek en namelijk de verklaringen van de getuigen ontegensprekelij,k den indruk hebben verwekt, dat betichten werkelijk zijn opgetreden als aanwervers xan vervoerders voor den vijand;

Overwegende, echter, dat het onderzoek ter zitting gedaan, en de verklaringen 'der getuigen, klaarblijkelijk hebben doen uitschijnen dat betichten geen vervoerders hebben aangeworven; Dat de meeste getuigen ten laste ter zitting hebben moeten toegeven, dat zij in werkelijkheid niet door betichten aangeworven werden, Dat overigens deze getuigenissen, uitgaande va:n personen die zelf een niet te verrechtvaardigen houding tegenover den bezetter hebben gehad, met de grootste omzichtigheid dienen aanvaard;

Dat de Heer Krijgsauditeur in zijn rekwisitorium terecht en op zeer objectieve wijze heeft aangetoond, dat deze getuigen zich wel bewust zijn, dat ze een strafbare houding hebben aangenomen en dus verklaren, dat zij reden voor CÏè rekening van de C.A.T.; Dak tengevolge hiervan
de Heer Krijgsauditeur terecht in zijn rekwisitorium ter zitting de aanwerving of ranseling van vervoerders in hoofde van betichten niet heeft weerhouden.

Overwegende, echter, dat het feit, dat betichten geen vervoerders voor hunne rekening hebben aangeworven of geen vervoerders - voor rekening van den vijand hebben geronseld, de · toepassing der strafwet ten lt~~n laste niet uitsluit; Overwegende, dat uit de elementen der zaak blijkt eenerzijds dat betichten uit wmstbejag inlichtingen aan vervoerders hebben verstrekt en alzoo hunne terwerkstelling voor den bezetter hebben vergemakkelijkt en anderzijds, dat zij gansch het administratief werk vari de onderneming der werken op de vliegvelden, althans voor wat betreft het vervoer dat er gedaan werd op zich hebben genomen;

Overwegende, dat betichten aldus ongetwijfeld aan den vijand hulp in mannen, materieel hebben verschaft en hunne bedrijvigheid onder toepassing der strafwet valt;

Overwegende, dat betichten tevergeefs voorhouden, dat zij enkel als aangestelden van den vijand dienen beschouwd, die eenvoudig dezes bevelen uitvoerden. Dat het tegenovergestelde blijkt uit het hooge commissieloon dat betichten opstreken en het feit, dat zij zonder eenige verplichting hunne bedrijvigheid hebben uitgebreid tot andere vliegvelden dan dit van Melsbroeck en namelijk te Florennes en te Auffey;

Overwegende, dat betichten insgelijks tevergeefs aanvoeren dat de opdracht, ~e zij op 23 Februari 1942, van den vijand kregen, een opeisching daarstelde. Dat zelfs, indien moest aangenomen worden dat betichten .het voorwerp eener opeischmg hebben uitgemaakt, dit nochtans geen verrechtvaardiging daarstelt voor de wijze waarop zij aan .de opeischlng gevolg hebben gegeven. Dat allerminst moet gezegd dat betichten zeer, gewillig aan de opei·sching hebben voldaan en niets gedaan hebben om in de mate van het mogelijke de gevolgen <dezer opeisching te
keer te gaan ; ·

Dat ze integendeel niet geaarzeld hebben een bureel op te richten, eerst in Melsb:roeck en later in Brussel, en een bediende in dienst te nemen, die goed op de hoogte was van het te leveren werk, vermits hij ditzelfde werk reeds bij de Fahrbereitschaft had gedaan; dat zij zonder de minste verplichting dezelfde bedrijvigheid aan den dag hebben gelegd te Florennes en te Auffey;

Dat zij een luxeauto aankochten met het oog op de reizen naar Noord-Frankrijk en wel bijzonder naar Auffey om er nazicht te. kunnen uitoefenen;

Dat nochtans voor betichten duidelijk moest zijn, dat, indien zij de opdracht met minder vlijt en bereidwilligheid hadden uitgevoerd, en zich tegenover de vervoerders die bij hen om inlichtingen kwamen, als gansch onkundig der zaak hadden aangesteld, dit de taak van den vijand zou bemoeilijkt hebben. Dat het dus wel vaststaat, dat betichten gedreven zijn geweest door de aanzienlijke winsten die zij konden verwezenlijken, winsten die door geen enkele opeisching te verrechtvaardigen zijn;

Dat betichten dus gehandeld hebben uit winstbejag;

Dat echter voor wat betreft de toepassing! van art. 123 er dient opgemerkt, dat de vergelding van de bedrijvigheid van de betichten alleen eigendom der Schatkist dient verklaard;

Dat het dienaangaande vaststaat, dat de verschillende autovoerders, die. .door betichten uitbetaald werden, niet in dienst van betichten stonden, maar wel rechtstreeks in dienst van den bezetter;

Dat dienvolgens niet kan gezegd, dat het zakencijfer van betichten gelijk staat met de aanzienlijke bedragen door den bezetter betaald;

Dat deze bedragen 'dan ook niet de vergelding der bedrijvigheid van betichten daarsteHen, maar wel de vergelding der bedrijvigheid der verschillende autovoercters die zich rechtstreeks ten dienste van den vijand hadden gestehl;

Dat dus enkel als vergelding der bedrijvigheid van betichten, kunnen beschouwd worden de kommissieloonen door de Duitschers aan hen uitbetaald, zijnde ter zaak 5.048. 726,20 frank;

Dat betichten weliswaar beweren dat het kommissieloon voor hunne bedrijvigheid te Melsbroek in werkelijkheid slechts beliep op 2 1/2 % en niet op 10 %, vermits zij van die 10 % aan de Duitschers 7 1/2 % moesten terugbetalen;

Overwegende, dat de terugbetallng van die 7 1/2 % aan de Duitschers, indien ze werkelijk ,ge~ schied is, niets verandert aan het feit dat het zakencijfer van betichten degelijk op 10 % beloopt daar de 7 1/2 % moeten beschouwd worden als zijnde het overeengekomen aandeel van den Duitschen dienst in de verwezenlijkte winsten;

Overwegende, dat voor wat betreft de bepaling der straf er dient rekening gehouden te . worden met :verzachtende omstandigheden, spruitende uit hun goed verleden en uit de afwezigheid, van eenige Duitschgezindheid, 'betichten gehandeld hebbende uit winstbejag; maar niet uit Duitgezlndheid ;

Overwegende, dat ten aanzien der plichtigheid van betichten, het uit; de bestanddeelen der zaak blijkt, dat de bedrijvigheid van eersten betichte actiever is geweest, dan deze van tweeden betichte, die een meer passieve r.011 schijnt gespeeld te hebben;

Wat betreft de vordering der Burgerlijke Partij. Overwegende, dat de Belgische Staat als burgerlijke partij, 'lastens oeide betichten en de P.V.B.A. C.A.T. een schadevergoeding vordert van 60.000.000 frank;

Overwegende; dat deze vraag ontvankelijk is; Overwegende, dat het onbetwistbaar vaststaat, dat de inbreuken gepleegd door beide betichten, een schade hebben berokkend aanden Belgischen Staat ;

Overwegende, dat bij ontstentenis van elk element tot appreciatie de schade door de burgerlijke partij geleden, ex aequo et bono ·kan geraamd worden op 500.000 frank;

Om deze beweegredenen :

Gezien ( ... de verschi'llende artikels van toepassing);

De Krijgsraa!d, reehtdoende op tegenspraak; Verklaart beide· betichten voornoemd, plichtig en veroordeelt hen : de eerste tot 18 maanden gevangenisstraf en de tweede tot 1 jaar ,gevangenisstraf;

Stelt vast, dat de veroordeelde van rechtswege en levenslang ontzet zijn van de rechten, opgesomd bij art. 123/6 S.W.B. zijnde art. 2/1 der B.W. van 6 April 1944 gew. door art. 2, 3, 10 der besluitwet van 19 September 1945;

Stelt hen af van titels, graden, openbare ambten, bedieningen en diensten waarmede zij bekleed zijn;

Verklaart verbeurd, voorwerpen die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen der feiten, en deze nedërgelegd onder de nummer 1042/46 ter
griffie; · ·

Veroordeelt hen solidairlijk tot de kosten jegens de publieke partij, beloopende in het geheel op 13.382 frank tot op heden ;

Bepaalt voor ieder der veroordeelden den duur der lijfsdwang voor de invordering der kosten jegens den Staat op 3 maanden;

Verklaart verworven aan de Schatkist de som van 5.048.726 frank, zij}lde de vergelding der schuldige bedrijvigheid van de beide veroordeelden;

En reehtdoende op de vordering der burgerlijke partij.

Alle andere en verderstrekkende besluiten afwijzende, verklaart deze vordering ontvankelijk en ge. grond tot beloop van een bedrag van 500.000 fr.;

Veroordeelt de beide betichten solidairlijk om aan de burgerlijke partij te betalen, ten titel van schadevergoeding, de som van 500.000 frank met de gerechterlijke intresten en de kosten;

Zegt dat deze som invorderbaar zal zijn bij lijfsdwang en bepaalt den duur er van voor ieder der beide betichten op 3 maanden;

Verklaart derde gedaagde « Cie Anversoise de Transports » burgerlijk verantwoordelijk voor elke verooi-deelirrg tot verbeurdverklaring, vergeldingen, kosten ten laste harer organen, vennooten en zaakvoerders en tevens voor de ten voordeele der burgerlijke partij uitgesproken veroordeeling ;

Verklaart :huidig vonnis gemeen aan den dienst van het sekwester.
 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 01/09/2016 - 10:21
Laatst aangepast op: do, 01/09/2016 - 10:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.