-A +A

Echtscheiding verdeling aandelen vennootschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 30/06/2016

Artikel 1401, 5° BW maakt dat de zogeheten “lidmaatschapsrechten” van de aandelen van de BVBA T.P. eigen zijn, terwijl de vermogenswaarde in de huwelijksgemeenschap P.-W. is gevallen (Cass. 20 februari 2015, RW 2015-16, noot 1223, noot B. Van den Bergh). De start van de artsenpraktijk en de oprichting van de vennootschap hebben tijdens het huwelijk plaatsgevonden.

De lidmaatschapsrechten zijn kwalitatieve rechten verbonden aan de persoon van de aandeelhouder. Het betreft alle rechten die een vennoot kan doen gelden ten aanzien van de vennootschap krachtens de wet of de statuten en die mede de besluitvorming in de schoot van de algemene vergadering bepalen. Zij kunnen worden beschouwd als een eigen goed sui generis.

De vermogensrechten daarentegen zijn de eigendomsrechten op het provenu van die lidmaatschapsrechten. Zij behelzen vorderingen tegen de vennootschap die in zekere zin de financiële gevolgen of patrimoniale voordelen van de uitoefening van de lidmaatschapsrechten uitmaken.

Het eigen karakter van de lidmaatschapsrechten is de enige toegeving die de huwelijksgemeenschap dan wel de echtgenoot-niet-vennoot moet dulden. De economische eigenaar van de aandelen blijft immers de gemeenschap. Die kan aanspraak maken op alle andere prerogatieven gekoppeld aan het eigendomsrecht.

Het eigen karakter van de lidmaatschapsrechten, dat definitief is en dat ook dient te worden nageleefd na de echtscheiding, staat de zakenrechtelijke toebedeling van de aandelen aan de echtgenoot-niet-vennoot in de weg.

Het boekhoudkundige eigen vermogen van de vennootschap ten tijde van de verdeling (aan de hand van de meest recente boekhoudkundige elementen) moet worden opgenomen onder de activa van de gewezen huwelijksgemeenschap, zij het met toebedeling in de kavel van de partij die over de lidmaatschapsrechten beschikt,  zo nodig mits opleg 

Uit de artikelen 577-2, § 2 en 8, 890 en 1427 BW volgt dat, bij de verdeling, de waarde van de goederen die tijdens de werking van het huwelijksvermogensstelsel behoorden tot de huwelijksgemeenschap van de echtgenoten en die ten tijde van de verdeling afhangen van de ingevolge de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel tussen hen ontstane post-communautaire onverdeeldheid, moet worden bepaald ten tijde van de verdeling.

De in artikel 1278, tweede lid Ger.W. bedoelde retroactieve werking van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel  behelst enkel de staat/samenstelling van het huwelijksvermogen en niet de waardering van de goederen.

Een aanspraak van de partij die titularis is van de lidmaatschapsrechten op een vergoeding van de gewezen huwelijksgemeenschap omwille van de inbreng van een praktijk van een vrij beroeper ( te dezen een artsenpraktijk) in de vennootschap, dient afgewezen indien niet blijkt dat die inbreng meer was dan een louter boekhoudkundige operatie. Dit is des temeer zo wanneer ingebrachte vermogenselementen (materialen en goodwill) dateren van tijdens het huwelijk en (derhalve) een gemeenschappelijk karakter hebben.

De ten titel van spaarverrichting lopende groepsverzekeringen behoiren tot de gewezen huwelijksgemeenschap althans ten belope van de nettowaarde ten tijde van de verdeling, rekening houdende met de tot op het tijdstip van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel (wettelijk stelsel) met gemeenschapsgelden betaalde premies.

Naarmate de opbouw van de groepsverzekeringen (bij wijze van spaarverrichting) gebeurde tijdens de werking van de huwelijksgemeenschap  is de vermogenswaarde ervan gemeenschappelijk (GwH 27 juli 2011, JT 2012, 156, noot Y.-H. Leleu en L. Rousseau, Not.Fisc.M. 2012, noot B. Scheers, RABG 2011, 1353, noot C. Hendrickx, RNB 2012, 3061, 211, noot H. Casman, TBH 2012, 272, noot C. Devoet, T.Fam. 2012, 19, noot U. Cerulus en T.Not. 2011, 595, noot J. Du Mongh; Cass. 30 november 2012, RTDF 2013, 968; R. Barbaix, “Groepsverzekeringen en familiaal vermogensrecht: een nieuwe invalshoek?” in R. Barbaix et al. (eds.), De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia, 2014, 114-120, nrs. 17-27; H. Casman, “Actualia huwelijksvermogensrecht”, Not.Fisc.M. 2015, 245-247).

Dat de premiebetalingen gebeurden door hetzij door de ene dan wel door de andere partij is op zich niet cruciaal: punt is de bedoelde spaarverrichting ten titel van aanvullend inkomen (R. Barbaix, “Groepsverzekeringen en familiaal vermogensrecht: een nieuwe invalshoek?” in R. Barbaix et al. (eds.), De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia, 2014, 116-117, nr. 20).

Aannemen dat de aanspraken met betrekking tot de groepsverzekering (met uitbetaling bij het bereiken van de pensioenleeftijd) tot de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W. behoren, althans in voormelde mate van opbouw tijdens de werking ervan (zie A. Van Geel en Ch. Declerck, “Actuele planningstechnieken in vraag gesteld”, Not.Fisc.M. 2011, 197, nr. 43), heeft tot gevolg dat de vermogenswaarde van deze groepsverzekering moet worden verdeeld bij de vereffening-verdeling na echtscheiding.

Daarbij moet de nettowaarde van het kapitaal van de groepsverzekering op de datum van de effectieve verdeling in aanmerking worden genomen: dit is de waarde na aftrek van de RIZIV-bijdragen en andere bijzondere bijdragen en belastingen, zij het enkel rekening houdende met de tot op het tijdstip van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel middels gemeenschapsgelden betaalde premies. Daarbij kan, zoals reeds aangegeven, enkel rekening worden gehouden met de opbouw van de groepsverzekering tot op de datum van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel, maar is wel actualisering aangewezen ten tijde van de verdeling, gelet op artikel 890 BW. De actuele aangroei van de nettowaarde van het kapitaal van de groepsverzekering moet ten tijde van de verdeling worden bekeken.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017/4
Pagina: 
320
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(P. / W. - Rolnr.: 2014/AR/1355)

I. Relevante feitelijke en procedurele elementen
1. P. en W. zijn in het huwelijk getreden op 19 juli 1977 onder een middels huwelijkscontract van 18 juli 1977 bedongen gemeenschapsstelsel.

Zij hebben twee intussen meerderjarige kinderen.

Zij zijn, na feitelijke scheiding medio 2003, uit de echt gescheiden bij (definitief) vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 19 mei 2005, met navolgende betekening en overschrijving (op 29 juli 2005) van het beschikkende gedeelte van de echtscheidingsuitspraak in de registers van de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.

2. Krachtens artikel 1278, tweede lid Ger.W. is het huwelijk in de vermogensrechtelijke verhouding tussen de partijen ontbonden op 11 februari 2004, dit is de datum van de dagvaarding tot echtscheiding met toepassing van het oude artikel 229 BW, uitgaande van W.

3. In het echtscheidingsvonnis van 19 mei 2005 beveelt de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout de gerechtelijke vereffening-verdeling (in de zin van de oude art. 1207 et seq. Ger.W.) van de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W., met aanwijzing van notaris C. als notaris-vereffenaar (…)

(…)

5. Na prealabele notariële werkzaamheden (blijkens proces-verbaal van 29 november 2007) komt de notaris-vereffenaar tot een staat van vereffening-verdeling van 17 november 2009.

Uit deze staat blijkt onder meer dat:

de gewezen gezinswoning te Herentals is verkocht tegen de prijs van 810.000 EUR, die aldus onder de activa van de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W. wordt opgenomen, zij het dat P. en W. elk reeds een bedrag/provisie van 322.980,45 EUR hebben ontvangen;
de notaris-vereffenaar de aandelen van de tijdens het huwelijk opgerichte BVBA T.P., waarin P. zijn (tijdens het huwelijk gestarte) artsenpraktijk heeft ingebracht, beschouwt als eigen (art. 1400, 6° BW sensu lato), mits vergoeding aan de huwelijksgemeenschap P.-W. ten belope van de meerwaarde die deze aandelen tijdens het huwelijk hebben verkregen, inzonderheid omwille van niet-uitgekeerde winsten die verder reiken dan de wettelijke reserves;
P. dientengevolge een vergoeding is verschuldigd aan de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W. gelijk aan het boekhoudkundige eigen vermogen van de BVBA T.P. (overeenkomstig de jaarrekening) per 31 december 2003 en meer precies 375.309,81 EUR;
de ten titel van spaarverrichting lopende groepsverzekeringen (op naam van hetzij P. hetzij W.) behoren tot de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W., althans ten belope van de nettowaarde ten tijde van de verdeling, rekening houdende met de tot op het tijdstip van de ontbinding van het huwelijksvermogensstel (op 11 februari 2004) met gemeenschapsgelden betaalde premies;
de netto-activa van de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W., waarin de door P. verschuldigde vergoeding ten bedrage van 375.309,81 EUR (meer interesten vanaf 11 februari 2004 tot 31 december 2009) is begrepen, 1.306.265,91 EUR bedragen;
P. van de post-communautaire onverdeeldheid P.-W. een bedrag tegoed heeft van 24.327,39 EUR, terwijl W. aan de post-communautaire onverdeeldheid P.-W. een bedrag (woonstvergoeding) moet betalen van 47.000 EUR;
de te verdelen massa, waarin de verrekeningen met de post-communautaire onverdeeldheid P.-W. zijn begrepen, derhalve 1.306.265,91 - 24.327,39 + 47.000 = 1.328.938,52 EUR bedraagt;
na verwerking van de reeds gedane toebedelingen, aan W. een bedrag toekomt van 263.333,30 EUR, terwijl P. dit bedrag moet opleggen.
6. Blijkens de notariële akte van 11 februari 2010 formuleren zowel P. als W. een aantal bezwaren.

De bezwaren van P. behelzen onder meer:

de vergoeding (meer interesten) die hij is verschuldigd aan de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W. omwille van de meerwaarde die de eigen aandelen van de BVBA T.P. tijdens het huwelijk hebben verkregen, terwijl hijzelf aanspraak maakt op een vergoeding (ten bedrage van 347.050,93 EUR) van de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W. omwille van de inbreng van zijn artsenpraktijk in de vennootschap (waarvan de vermogenswaarde de vennootschap is ten goede gekomen);
het gemeenschappelijke karakter van de ten titel van spaarverrichting lopende groepsverzekeringen;
bepaalde elementen van de post-communautaire onverdeeldheid P.-W., waaronder (a) de aanrekening/terugbetaling van de door hem aan W. betaalde onderhoudsuitkeringen en (b) de door W. verschuldigde (te verhogen) woonstvergoeding.
De bezwaren van W. behelzen onder meer:

de waardering van de aandelen van de BVBA T.P. aan de hand van boekhoudkundige elementen (inz. de jaarrekening van 31 december 2003) ten tijde van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel (op 11 februari 2004), terwijl die waardering moet gebeuren ten tijde van de verdeling (aan de hand van inz. de jaarrekening van 31 december 2008);
bepaalde elementen van de post-communautaire onverdeeldheid P.-W., waaronder (a) de aanrekening van de door P. aan haar betaalde onderhoudsuitkeringen en (b) de door haar verschuldigde (te matigen) woonstvergoeding;
de afrekening omtrent de huurgelden die de BVBA T.P. (t.e.m. mei 2008) betaalde (aan P.) omwille van de huur van het beroepsgedeelte van de gewezen gezinswoning te Herentals.
7. Bij akte van 30 maart 2010 brengt de notaris-vereffenaar advies uit.

De notaris-vereffenaar gaat gedeeltelijk in op voormeld eerste bezwaar van P. Hij aanziet de aandelen van de BVBA T.P., waarin P. zijn artsenpraktijk heeft ingebracht, nog steeds als eigen (art. 1400, 6° BW sensu lato), mits vergoeding aan de huwelijksgemeenschap P.-W. ten belope van een herleid bedrag van 348.056,08 EUR. De notaris-vereffenaar blijft uitgaan van boekhoudkundige elementen (inz. de jaarrekening van 31 december 2003) ten tijde van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel (op 11 februari 2004) en verwerpt zodoende voormeld eerste bezwaar van W. De notaris-vereffenaar verwerpt de aanspraak van P. op een vergoeding van de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W. omwille van de inbreng van zijn artsenpraktijk in de vennootschap, nu de ingebrachte vermogenselementen (materialen en goodwill) dateren van tijdens het huwelijk en derhalve een gemeenschappelijk karakter hebben.

De notaris-vereffenaar verwerpt voormeld tweede bezwaar van P. en blijft de ten titel van spaarverrichting lopende groepsverzekeringen als gemeenschappelijk beschouwen. W. argumenteerde overigens in die zin. De notaris-vereffenaar actualiseert.

De notaris-vereffenaar gaat beperkt in op voormeld tweede bezwaar van W., terwijl hij voormeld derde bezwaar van P. verwerpt. Hij herberekent bepaalde elementen van de post-communautaire onverdeeldheid P.-W., waaronder (a) de aanrekening van de door P. aan W. betaalde onderhoudsuitkeringen en (b) de door W. verschuldigde woonstvergoeding. De notaris-vereffenaar besluit (a) dat de door P. aan W. betaalde onderhoudsuitkeringen door deze laatste niet moeten worden terugbetaald en (b) dat W. een woonstvergoeding moet betalen ten bedrage van 1.000 EUR per maand voor de periode vanaf de definitieve echtscheiding (medio 2005) tot en met april 2009.

De notaris-vereffenaar gaat gedeeltelijk in op voormeld derde bezwaar van W. De notaris-vereffenaar stelt dat moet worden afgerekend omtrent de huurgelden die de BVBA T.P. betaalde (aan P.) omwille van de huur van het beroepsgedeelte van de gewezen gezinswoning te Herentals, en dit vanaf het tijdstip van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel (op 11 februari 2004) tot en met mei 2008.

Uit de aangepaste staat blijkt onder meer dat:

de netto-activa van de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W., waarin de door P. verschuldigde vergoeding ten bedrage van 348.056,07 EUR (meer interesten vanaf 11 februari 2004) is begrepen, 1.192.694,70 EUR bedragen;
P. van de post-communautaire onverdeeldheid P.-W. een bedrag tegoed heeft van 4.522,29 EUR, terwijl W. aan de post-communautaire onverdeeldheid P.-W. een bedrag (woonstvergoeding) moet betalen van 45.000 EUR;
de te verdelen massa, waarin de verrekeningen met de post-communautaire onverdeeldheid P.-W. zijn begrepen, derhalve 1.192.694,70 - 4.522,29 + 45.000,00 = 1.233.172,41 EUR bedraagt;
na verwerking van de reeds gedane toebedelingen, aan W. een bedrag toekomt van 220.552,35 EUR, terwijl P. dit bedrag moet opleggen.
II. Beroepen vonnis
1. Op 23 april 2010 maakt de notaris-vereffenaar voormelde notariële akten van 29 november 2007, 17 november 2009, 11 februari 2010 en 30 maart 2010 over ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout.

2. Bij tussenvonnis (…) van 18 maart 2011 (…) beslecht de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout (…) de aangehouden bezwaren van P. en W. aangaande de aandelen van de BVBA T.P. in die zin dat:

artikel 1400, 6° BW inzonderheid betrekking heeft op lichamelijke roerende goederen en derhalve in casu (m.b.t. onlichamelijke goederen zoals een artsenpraktijk en aandelen) niet speelt;
artikel 1401, 5° BW in casu wel speelt;
deze laatste bepaling maakt dat de zogeheten “lidmaatschapsrechten” van de aandelen eigen zijn, terwijl de vermogenswaarde in de huwelijksgemeenschap P.-W. is gevallen;
de start van de artsenpraktijk en de oprichting van de vennootschap tijdens het huwelijk hebben plaatsgevonden, temeer daar P. nog student was ten tijde van de huwelijkssluiting;
bijgevolg het boekhoudkundige eigen vermogen van de vennootschap ten tijde van de verdeling (aan de hand van de meest recente boekhoudkundige elementen) moet worden opgenomen onder de activa van de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W., zij het met toebedeling in de kavel van P. (zo nodig mits opleg).
In die optiek beveelt de rechtbank een gerechtelijk deskundigenonderzoek (in de zin van de art. 962 et seq. Ger.W.) (…) teneinde aan de hand van de door de partijen ter beschikking gestelde boekhoudkundige elementen de waarde te bepalen van de aandelen van de BVBA T.P. “op heden”.

(…)

Daarnaast oordeelt/bevestigt de rechtbank dat, krachtens artikel 1278, tweede lid Ger.W., het huwelijk in de vermogensrechtelijke verhouding tussen de partijen is ontbonden op 11 februari 2004, terwijl de rechtbank geen reden ziet tot toepassing van artikel 1278, vierde lid Ger.W.

Voor het overige houdt de rechtbank elke verdere beoordeling/beslissing aan (…).

III. Arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 oktober 2012
1. Bij verzoekschrift van 8 juni 2011 tekent P. hoger beroep aan (…).

Met zijn hoger beroep en de verruimde devolutieve werking ervan beoogt P. de inwilliging van zijn aangehouden bezwaren en de afwijzing van de door W. aangehouden bezwaren, mede aangaande de aandelen van de BVBA T.P.

2. W. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep van P. Anders dan P., beoogt zij (gelet op de verruimde devolutieve werking van het hoger beroep) de inwilliging van haar aangehouden bezwaren en de afwijzing van de door P. aangehouden bezwaren, mede aangaande de aandelen van de BVBA T.P.

(…)

3. Bij arrest van 3 oktober 2012 verklaart het hof van beroep te Antwerpen het (…) principaal hoger beroep tegen het tussenvonnis van 18 maart 2011 (…) ontvankelijk.

Met de eerste rechter oordelen ook de appelrechters dat, krachtens artikel 1278, tweede lid Ger.W., het huwelijk in de vermogensrechtelijke verhouding tussen de partijen is ontbonden op 11 februari 2004, terwijl geen reden voorligt tot toepassing van artikel 1278, vierde lid Ger.W.

Voorts beslechten de appelrechters de aangehouden bezwaren van P. en W. aangaande de aandelen van de BVBA T.P. in die zin dat:

artikel 1401, 5° BW maakt dat de zogeheten “lidmaatschapsrechten” van de aandelen eigen zijn, terwijl de vermogenswaarde in de huwelijksgemeenschap P.-W. is gevallen;
de start van de artsenpraktijk en de oprichting van de vennootschap tijdens het huwelijk hebben plaatsgevonden;
bijgevolg het boekhoudkundige eigen vermogen van de vennootschap ten tijde van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel moet worden opgenomen onder de activa van de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W., zij het met toebedeling in de kavel van P. (zo nodig mits opleg).
In die optiek bevestigen de appelrechters het door de eerste rechter bevolen gerechtelijk deskundigenonderzoek (…) teneinde aan de hand van de door de partijen ter beschikking gestelde boekhoudkundige elementen de waarde te bepalen van de aandelen van de BVBA T.P. “op heden”. Op die manier bevestigt het hof (impliciet) ook de precisering van de eerste rechter dat de provisionering van de deskundige ten laste is van W.

Mede gelet op de verruimde devolutieve werking van het hoger beroep beoordelen de appelrechters ook de verder aangehouden bezwaren van P. en W.

Aldus verwerpen de appelrechters de aanspraak van P. op een vergoeding (ten bedrage van 347.050,93 EUR) van de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W. omwille van de inbreng van zijn artsenpraktijk in de vennootschap, nu geenszins blijkt dat die inbreng meer was dan een louter boekhoudkundige operatie. De ingebrachte vermogenselementen (materialen en goodwill) dateren overigens van tijdens het huwelijk en hebben (derhalve) een gemeenschappelijk karakter. De notariële werkzaamheden vinden in zoverre bevestiging.

Aldus oordelen de appelrechters dat de ten titel van spaarverrichting lopende groepsverzekeringen (inz. op naam van P.) behoren tot de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W., althans ten belope van hun afkoopwaarde ten tijde van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel, terwijl de uitkering van het aandeel van de andere echtgenoot (inz. W.) behoudens andersluidende afspraak tussen de echtgenoten moet worden uitgesteld tot op het ogenblik van de effectieve uitkering/uitbetaling van de verzekerde waarde door de verzekeringsmaatschappij, ogenblik waarop ook de fiscale implicaties duidelijk zullen zijn. De notariële werkzaamheden vinden in zoverre bevestiging.

Aldus oordelen de appelrechters verder dat tot herberekening van bepaalde elementen van de post-communautaire onverdeeldheid P.-W. moet worden overgegaan, waaronder (a) de aanrekening van de door P. aan W. betaalde onderhoudsuitkeringen en (b) de door W. verschuldigde woonstvergoeding. Het hof oordeelt (a) dat de door P. aan W. betaalde onderhoudsuitkeringen door deze laatste niet moeten worden terugbetaald en (b) dat W. een woonstvergoeding moet betalen ten bedrage van 1.000 EUR per maand voor de periode vanaf de definitieve echtscheiding (medio 2005) tot en met april 2009. De notariële werkzaamheden vinden in zoverre bevestiging.

Mede in die optiek:

verzenden de appelrechters met toepassing van artikel 1068, tweede lid Ger.W. de zaak terug naar de eerste rechter gelet op de bevestiging van het door deze rechter bevolen gerechtelijk deskundigenonderzoek;
gaan de appelrechters deels in op de verder aangehouden bezwaren van P. en W. met verzending van de zaak naar de notaris-vereffenaar met het oog op voortzetting/actualisering van de werkzaamheden van vereffening-verdeling.
(…)

IV. Cassatiearrest van 5 december 2013
1. Zowel P. als W. tekenen cassatieberoep aan, respectievelijk bij verzoekschriften van 28-29 januari 2013 en 11-12 februari 2013.

2. Met het enige cassatiemiddel van zijn cassatieberoep viseert P. de beoordeling door de appelrechters van de aangehouden bezwaren van P. en W. aangaande de aandelen van de BVBA T.P.

P. verwijt de appelrechters tegenstrijdig (eerste onderdeel) en gebeurlijk met miskenning van inzonderheid de artikelen 875bis en 962, eerste lid Ger.W. (tweede onderdeel) te beslissen. Volgens P. zijn de appelrechters tegenstrijdig door enerzijds te oordelen dat de aandelen van de BVBA T.P. onder de activa van de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W. moeten worden opgenomen aan de vermogenswaarde ten tijde van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel en meer precies 11 februari 2004 (zij het met toebedeling in de kavel van P., zo nodig mits opleg) en anderzijds het door de eerste rechter bevolen gerechtelijk deskundigenonderzoek te bevestigen daar waar het ertoe strekt aan de hand van de door de partijen ter beschikking gestelde boekhoudkundige elementen de waarde te bepalen van de aandelen van de BVBA T.P. “op heden”.

3. W. van haar kant formuleert drie cassatiemiddelen.

Vooreerst verwijt W. de appelrechters dezelfde tegenstrijdige beoordeling als deze die P. met zijn enig cassatiemiddel aanvecht (eerste onderdeel van het eerste cassatiemiddel). W. stelt verder centraal dat uit inzonderheid artikel 890 BW volgt dat bij de verdeling van de goederen die bij onder activa van de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W. moeten worden opgenomen, rekening moet worden gehouden met de waarde ten tijde van de verdeling. In zoverre de appelrechters oordelen dat rekening moet worden gehouden met de waarde ten tijde van de ontbinding, miskennen zij (mede) artikel 890 BW (tweede onderdeel van het eerste cassatiemiddel).

Ten tweede en in diezelfde optiek verwijt W. de appelrechters te oordelen dat de ten titel van spaarverrichting lopende groepsverzekeringen (inz. op naam van P.) behoren tot de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W. ten belope van hun afkoopwaarde ten tijde van de ontbinding (van het huwelijksvermogensstelsel en meer precies 11 februari 2004) in plaats van ten tijde van de verdeling (art. 890 BW) (tweede onderdeel van het tweede cassatiemiddel).

Tevens (eerste onderdeel van het tweede cassatiemiddel) verwijt W. de appelrechters de partijautonomie te miskennen daar waar zij (los van een bezwaar/vordering dienaangaande) oordelen dat de uitkering van het aandeel van de andere echtgenoot (inz. W.) behoudens anders luidende afspraak tussen de echtgenoten moet worden uitgesteld tot op het ogenblik van de effectieve uitkering/uitbetaling van de verzekerde waarde door de verzekeringsmaatschappij, ogenblik waarop ook de fiscale implicaties duidelijk zullen zijn.

Ten derde hekelt W. dat de appelrechters hebben nagelaten uitspraak te doen over de afrekening omtrent de huurgelden die de BVBA T.P. (t.e.m. mei 2008) betaalde (aan P.) omwille van de huur van het beroepsgedeelte van de gewezen gezinswoning te Herentals (derde cassatiemiddel).

4. Bij arrest van 5 december 2013 in de samengevoegde zaak met AR nrs. C.13.0041.N en C.13.0067.N (RABG 2014, 1030, noot A. Reniers) vernietigt het Hof van Cassatie het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 oktober 2012, althans in zoverre de appelrechters:

enerzijds oordelen dat de aandelen van de BVBA T.P. onder de activa van de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W. moeten worden opgenomen aan de vermogenswaarde ten tijde van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel en meer precies 11 februari 2004 (zij het met toebedeling in de kavel van P., zo nodig mits opleg) en anderzijds het door de eerste rechter bevolen gerechtelijk deskundigenonderzoek bevestigen daar waar het ertoe strekt aan de hand van de door de partijen ter beschikking gestelde boekhoudkundige elementen de waarde te bepalen van de aandelen van de BVBA T.P. “op heden”;
oordelen dat de ten titel van spaarverrichting lopende groepsverzekeringen behoren tot de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W. ten belope van hun afkoopwaarde ten tijde van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel en meer precies 11 februari 2004;
nalaten uitspraak te doen over de afrekening omtrent de huurgelden die de BVBA T.P. (t.e.m. mei 2008) betaalde (aan P.) omwille van de huur van het beroepsgedeelte van de gewezen gezinswoning te Herentals;
(…)

Het Hof van Cassatie gaat daarbij (deels) in op:

het eerste onderdeel van het enige cassatiemiddel van P. en tegelijk op het eerste onderdeel van het eerste cassatiemiddel van W.;
het tweede onderdeel van het tweede cassatiemiddel van W.;
het derde cassatiemiddel van W.
Het Hof van Cassatie houdt de gedingkosten aan en verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

V. Verdere beoordeling na cassatie
(…)

2. Gelet op de omvang van de cassatie beogen zowel P. als W. een herbeoordeling van:

de waardering van de aandelen van de BVBA T.P.;
de waardering van de ten titel van spaarverrichting lopende groepsverzekeringen die (bijgevolg) behoren tot de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W.;
de afrekening omtrent de huurgelden die de BVBA T.P. (t.e.m. mei 2008) betaalde (aan P.) omwille van de huur van het beroepsgedeelte van de gewezen gezinswoning te Herentals;
(…)

3. P. pleit voor een waardering ten tijde van de verdeling, zowel van de aandelen als van de groepsverzekeringen, zij het (telkens) gelet op de staat/samenstelling ten tijde van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel.

Wat betreft de afrekening omtrent de huurgelden die de BVBA T.P. (t.e.m. mei 2008) betaalde (aan P.) omwille van de huur van het beroepsgedeelte van de gewezen gezinswoning te Herentals, stelt P. dat W. geen aanspraak kan maken voor de periode van de post-communautaire onverdeeldheid P.-W. dat zij tegelijk (1) een onderhoudsuitkering heeft ontvangen én (2) in de gewezen gezinswoning is verbleven zonder een woonstvergoeding te moeten betalen. Volgens P. kan W. derhalve geen aanspraak maken op een aandeel in de huurgelden voor de periode vanaf februari 2004 tot juni 2005.

(…)

4. W. van haar kant pleit voor een waardering ten tijde van de verdeling, zowel van de aandelen als van de groepsverzekeringen.

Wat betreft de afrekening omtrent de huurgelden die de BVBA T.P. (t.e.m. mei 2008) betaalde (aan P.) omwille van de huur van het beroepsgedeelte van de gewezen gezinswoning te Herentals, stelt W. dat zij wel degelijk (mede)aanspraak kan maken op haar aandeel in de huurgelden voor de periode vanaf februari 2004 tot juni 2005.

(…)

6. De omvang van de bedoelde cassatie moet worden bekeken gelet op de draagwijdte van de cassatiemiddelen (E. Krings, “De omvang van cassatie”, TPR 1995, 885 et seq.; B. Vanlerberghe en J. Verbist, “Het beschikkingsbeginsel, het recht van verdediging, de onsplitsbaarheid en de omvang van de cassatie in burgerlijke zaken: de cassatiekwadratuur van de procedurecirkel” in B. Dauwe et al., Liber amicorum Ludovic De Gryse, Gent, Larcier, 2012, 434-436, nrs. 5-8).

De cassatie is in de regel beperkt tot de punten van de beslissing waartegen de cassatieberoepen zijn gericht (Cass. 31 mei 2013, P&B 2014, 8; Cass. 12 juni 2015, F.13.0108.N). De in cassatie betrokken partijen worden, binnen de grenzen van de cassatie, voor de verwijzingsrechter teruggeplaatst in de situatie waarin zij zich bevonden voor de vernietigde beslissing (Cass. 8 januari 2015, P&B 2015, 101).

7. Gelet op de omvang van de cassatie staat het aan dit hof als verwijzingsrechter over te gaan tot herbeoordeling van:

de waardering van de aandelen van de BVBA T.P.;
de waardering van de ten titel van spaarverrichting lopende groepsverzekeringen die (bijgevolg) behoren tot de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W.;
de afrekening omtrent de huurgelden die de BVBA T.P. (t.e.m. mei 2008) betaalde (aan P.) omwille van de huur van het beroepsgedeelte van de gewezen gezinswoning te Herentals;
(…)

De passages/beoordelingen/beslissingen dienaangaande in het bestreden arrest van 3 oktober 2012 liggen als zodanig opnieuw voor ter beoordeling/beslissing door/van dit hof (B. Vanlerberghe en J. Verbist, “Het beschikkingsbeginsel, het recht van verdediging, de onsplitsbaarheid en de omvang van de cassatie in burgerlijke zaken: de cassatiekwadratuur van de procedurecirkel” in B. Dauwe et al., Liber amicorum Ludovic De Gryse, Gent, Larcier, 2012, 435, nr. 6).

Andere passages/beoordelingen/beslissingen laat dit Hof onverkort.

Zij zijn, gelet op de draagwijdte van de cassatiemiddelen, niet begrepen in de cassatie.

Een en ander geniet kracht van gewijsde en kan derhalve niet meer in vraag worden gesteld (B. Vanlerberghe en J. Verbist, “Het beschikkingsbeginsel, het recht van verdediging, de onsplitsbaarheid en de omvang van de cassatie in burgerlijke zaken: de cassatiekwadratuur van de procedurecirkel” in B. Dauwe et al., Liber amicorum Ludovic De Gryse, Gent, Larcier, 2012, 434-435, nr. 5).

8. Aldus komt het hof tot herbeoordeling van de waardering van de aandelen van de BVBA T.P.

9. Zoals reeds aangegeven, beschouwt de notaris-vereffenaar in zijn staat van vereffening-verdeling van 17 november 2009 de aandelen van de tijdens het huwelijk opgerichte BVBA T.P., waarin P. zijn (tijdens het huwelijk gestarte) artsenpraktijk heeft ingebracht, als eigen (art. 1400, 6° BW sensu lato), mits vergoeding aan de huwelijksgemeenschap P.-W. ten belope van de meerwaarde die deze aandelen tijdens het huwelijk hebben verkregen, inzonderheid omwille van niet-uitgekeerde winsten die verder reiken dan de wettelijke reserves. De notaris-vereffenaar bepaalt dat P. dientengevolge een vergoeding is verschuldigd aan de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W. gelijk aan het boekhoudkundige eigen vermogen van de BVBA (overeenkomstig de jaarrekening) per 31 december 2003 en meer precies 375.309,81 EUR.

Zowel P. als W. formuleren dienaangaande een bezwaar. Het bezwaar van P. behelst de vergoeding (meer interesten) die hij is verschuldigd aan de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W. omwille van de meerwaarde die de eigen aandelen van de BVBA T.P. tijdens het huwelijk hebben verkregen, terwijl hijzelf aanspraak maakt op een vergoeding (ten bedrage van 347.050,93 EUR) van de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W. omwille van de inbreng van zijn artsenpraktijk in de vennootschap. Het bezwaar van W. behelst de waardering van de aandelen van de BVBA T.P. aan de hand van boekhoudkundige elementen (inz. de jaarrekening van 31 december 2003) ten tijde van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel (op 11 februari 2004), terwijl die waardering moet gebeuren ten tijde van de verdeling (aan de hand van inz. de jaarrekening van 31 december 2008).

In zijn adviesakte van 30 maart 2010 gaat de notaris-vereffenaar gedeeltelijk in op het bezwaar van P. Hij aanziet de aandelen van de BVBA T.P., waarin P. zijn artsenpraktijk heeft ingebracht, nog steeds als eigen (art. 1400, 6° BW sensu lato), mits vergoeding aan de huwelijksgemeenschap P.-W. ten belope van een herleid bedrag van 348.056,08 EUR. De notaris-vereffenaar blijft uitgaan van boekhoudkundige elementen (inz. de jaarrekening van 31 december 2003) ten tijde van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel (op 11 februari 2004) en verwerpt zodoende het bezwaar van W. De notaris-vereffenaar verwerpt de aanspraak van P. op een vergoeding van de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W. omwille van de inbreng van zijn artsenpraktijk in de vennootschap, nu de ingebrachte vermogenselementen (materialen en goodwill) dateren van tijdens het huwelijk en derhalve een gemeenschappelijk karakter hebben.

In het beroepen vonnis van 18 maart 2011 oordeelt de eerste rechter aangaande de aandelen van de BVBA T.P. in die zin dat artikel 1400, 6° BW inzonderheid betrekking heeft op lichamelijke roerende goederen en derhalve in casu (m.b.t. onlichamelijke goederen zoals een artsenpraktijk en aandelen) niet speelt, terwijl artikel 1401, 5° BW in casu wel speelt. Deze laatste bepaling maakt dat de zogeheten “lidmaatschapsrechten” van de aandelen eigen zijn, terwijl de vermogenswaarde in de huwelijksgemeenschap P.-W. is gevallen. Dit laatste is het geval nu de start van de artsenpraktijk en de oprichting van de vennootschap tijdens het huwelijk hebben plaatsgevonden. P. was overigens nog student ten tijde van de huwelijkssluiting. De eerste rechter vervolgt dat het boekhoudkundige eigen vermogen van de vennootschap ten tijde van de verdeling (aan de hand van de meest recente boekhoudkundige elementen) moet worden opgenomen onder de activa van de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W., zij het met toebedeling in de kavel van P., zo nodig mits opleg. In die optiek beveelt de eerste rechter een gerechtelijk deskundigenonderzoek (in de zin van de art. 962 et seq. Ger.W.) (…) teneinde aan de hand van de door de partijen ter beschikking gestelde boekhoudkundige elementen de waarde te bepalen van de aandelen van de BVBA T.P. “op heden”. De rechtbank preciseert dat de provisionering van de deskundige ten laste is van W.

10. Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat artikel 1401, 5° BW maakt dat de zogeheten “lidmaatschapsrechten” van de aandelen van de BVBA T.P. eigen zijn, terwijl de vermogenswaarde in de huwelijksgemeenschap P.-W. is gevallen (Cass. 20 februari 2015, RW 2015-16, noot 1223, noot B. Van den Bergh). De start van de artsenpraktijk en de oprichting van de vennootschap hebben tijdens het huwelijk plaatsgevonden.

De lidmaatschapsrechten zijn kwalitatieve rechten verbonden aan de persoon van de aandeelhouder, in casu P. Het betreft alle rechten die een vennoot kan doen gelden ten aanzien van de vennootschap krachtens de wet of de statuten en die mede de besluitvorming in de schoot van de algemene vergadering bepalen. Zij kunnen worden beschouwd als een eigen goed sui generis (B. Van den Bergh, “Over aandelen, lidmaatschapsrechten en (ex-)echtgenoten: de controverse rond artikel 1401, sub 5° BW eindelijk beslecht” (noot onder Cass. 20 februari 2015), RW 2015-16, 1225-1226, nrs. 5-6). De vermogensrechten daarentegen zijn de eigendomsrechten op het provenu van die lidmaatschapsrechten. Zij behelzen vorderingen tegen de vennootschap die in zekere zin de financiële gevolgen of patrimoniale voordelen van de uitoefening van de lidmaatschapsrechten uitmaken.

Het eigen karakter van de lidmaatschapsrechten is de enige toegeving die de huwelijksgemeenschap dan wel de echtgenoot-niet-vennoot moet dulden. De economische eigenaar van de aandelen blijft immers de gemeenschap. Die kan aanspraak maken op alle andere prerogatieven gekoppeld aan het eigendomsrecht (B. Van den Bergh, “Over aandelen, lidmaatschapsrechten en (ex-)echtgenoten: de controverse rond artikel 1401, sub 5° BW eindelijk beslecht” (noot onder Cass. 20 februari 2015), RW 2015-16, 1226-1227, nr. 8). Het eigen karakter van de lidmaatschapsrechten, dat definitief is en dat ook dient te worden nageleefd na de echtscheiding, staat de zakenrechtelijke toebedeling van de aandelen aan de echtgenoot-niet-vennoot in de weg (B. Van den Bergh, “Over aandelen, lidmaatschapsrechten en (ex-)echtgenoten: de controverse rond artikel 1401, sub 5° BW eindelijk beslecht” (noot onder Cass. 20 februari 2015), RW 2015-16, 1227, nr. 9).

Voorts is het hof van oordeel dat het boekhoudkundige eigen vermogen van de vennootschap ten tijde van de verdeling (aan de hand van de meest recente boekhoudkundige elementen) moet worden opgenomen onder de activa van de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W., zij het met toebedeling in de kavel van P., zo nodig mits opleg (D. Pignolet, “Het statuut en de waardering van de cliënteel in gemeenschapsstelsels” in W. Pintens et al. (eds.), Patrimonium 2009, Antwerpen, Intersentia, 2009, 181-182, nr. 3, vn. 1; N. Torfs, Gezin en arbeid. Enkele huwelijksvermogensrechtelijke twistpunten, Gent, Larcier, 2008, 13).

Uit de artikelen 577-2, § 2 en 8, 890 en 1427 BW volgt dat, bij de verdeling, de waarde van de goederen die tijdens de werking van het huwelijksvermogensstelsel behoorden tot de huwelijksgemeenschap van de echtgenoten en die ten tijde van de verdeling afhangen van de ingevolge de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel tussen hen ontstane post-communautaire onverdeeldheid, moet worden bepaald ten tijde van de verdeling (Cass. 12 september 2008, RABG 2009, 822, noot M. Bax, “Over het tijdstip van waardering van de goederen bij vereffening-verdeling”; Cass. 24 februari 2011, T.Fam. 2011, 190, noot K. Boone; G. Baeteman et al., “Overzicht van rechtspraak. Huwelijksvermogensrecht (1982-1988)”, TPR 1990, 299-300, nr. 246).

De in artikel 1278, tweede lid Ger.W. bedoelde retroactieve werking van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel (in casu op 11 februari 2004) behelst enkel de staat/samenstelling van het huwelijksvermogen en niet de waardering van de goederen (H. Vanbockrijck, “Overzicht van rechtspraak. Vereffening-verdeling na echtscheiding (1997-2004)”, E.J. 2004, 139, nr. 77). Dat de staat/samenstelling van de aandelen van de BVBA T.P. sinds 11 februari 2004 een wijziging heeft ondergaan, blijkt niet. Dat er een wijziging zou zijn aangebracht aan het maatschappelijke vermogen en de rendementswaarde van de vennootschap, zou overigens als zodanig niet maken dat de staat/samenstelling van de aandelen een wijziging heeft ondergaan (zie ook en vgl. J. Du Mongh, De erfovergang van aandelen, Antwerpen, Intersentia, 2003, 402-404, nr. 275). Een waardeschommeling/meerwaarde die te wijten is aan inspanningen/beheershandelingen van P. die het normale beheer hebben overschreden (derwijze dat ze niet aan de post-communautaire onverdeeldheid P.-W. maar aan P. zouden toekomen) blijkt niet. De meerwaarde die de aandelen van de BVBA T.P. tijdens de post-communautaire onverdeeldheid P.-W. hebben verkregen, blijkt voort te vloeien uit normale economische omstandigheden en komt derhalve toe aan de post-communautaire onverdeeldheid P.-W. (Y.-H. Leleu, “Examen de jurisprudence. Régimes matrimoniaux (1997-2005)”, RCJB 2007, 125, nr. 85; W. Pintens et al., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 1292-1293, nr. 2529; W. Pintens et al., “Overzicht van rechtspraak. Huwelijksvermogensrecht (2003-2010)”, TPR 2010, 1522-1523, nr. 211). Dat P. zichzelf tijdens de post-communautaire onverdeeldheid geen vergoeding/verloning (als zaakvoerder) heeft uitgekeerd, blijkt niet (vgl. W. Pintens et al., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 257-258, nr. 474). Hoe dan ook ligt omtrent een gebeurlijke vergoeding/verloning van P. omwille van de meerwaarde die de aandelen van de BVBA T.P. tijdens de post-communautaire onverdeeldheid P.-W. hebben verkregen, geen bezwaar/vordering voor.

In die optiek bevestigt het hof het bevel van de eerste rechter tot een gerechtelijk deskundigenonderzoek (in de zin van de art. 962 et seq. Ger.W.) teneinde aan de hand van de door de partijen ter beschikking gestelde meest recente boekhoudkundige elementen de waarde te bepalen van de aandelen van de BVBA T.P. “op heden”. (…)

11. Verder (gelet op de verruimde devolutieve werking van het hoger beroep) verwerpt het hof de aanspraak van P. op een vergoeding (ten bedrage van 347.050,93 EUR) van de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W. omwille van de inbreng van zijn artsenpraktijk in de vennootschap, nu geenszins blijkt dat die inbreng meer was dan een louter boekhoudkundige operatie. De ingebrachte vermogenselementen (materialen en goodwill) dateren overigens van tijdens het huwelijk en hebben (derhalve) een gemeenschappelijk karakter.

De notariële werkzaamheden verdienen in zoverre bevestiging.

12. Het hof komt voorts tot herbeoordeling van de waardering van de ten titel van spaarverrichting lopende groepsverzekeringen die (bijgevolg) behoren tot de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W.

13. Zoals reeds aangegeven, stelt de notaris-vereffenaar in zijn staat van vereffening-verdeling van 17 november 2009 dat de ten titel van spaarverrichting lopende groepsverzekeringen (op naam van hetzij P. hetzij W.) tot de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W. behoren, althans ten belope van de nettowaarde ten tijde van de verdeling, rekening houdende met de tot op het tijdstip van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel (op 11 februari 2004) met gemeenschapsgelden betaalde premies.

Enkel P. formuleert dienaangaande een bezwaar. Dit bezwaar behelst het gemeenschappelijke karakter van de ten titel van spaarverrichting lopende groepsverzekeringen.

In zijn adviesakte van 30 maart 2010 verwerpt de notaris-vereffenaar het bezwaar en blijft de ten titel van spaarverrichting lopende groepsverzekeringen als gemeenschappelijk aanzien. W. argumenteerde overigens in die zin. De notaris-vereffenaar actualiseert.

De eerste rechter sprak zich dienaangaande (nog) niet uit.

P. pleit voor een waardering ten tijde van de verdeling, zij het gelet op de staat/samenstelling ten tijde van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel.

W. van haar kant pleit voor een waardering ten tijde van de verdeling.

14. Gelet op de verruimde devolutieve werking van het hoger beroep spreekt het hof zich dienaangaande uit.

Naarmate de opbouw van de groepsverzekeringen (bij wijze van spaarverrichting) gebeurde tijdens de werking van de huwelijksgemeenschap P.-W., is de vermogenswaarde ervan gemeenschappelijk (GwH 27 juli 2011, JT 2012, 156, noot Y.-H. Leleu en L. Rousseau, Not.Fisc.M. 2012, noot B. Scheers, RABG 2011, 1353, noot C. Hendrickx, RNB 2012, 3061, 211, noot H. Casman, TBH 2012, 272, noot C. Devoet, T.Fam. 2012, 19, noot U. Cerulus en T.Not. 2011, 595, noot J. Du Mongh; Cass. 30 november 2012, RTDF 2013, 968; R. Barbaix, “Groepsverzekeringen en familiaal vermogensrecht: een nieuwe invalshoek?” in R. Barbaix et al. (eds.), De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia, 2014, 114-120, nrs. 17-27; H. Casman, “Actualia huwelijksvermogensrecht”, Not.Fisc.M. 2015, 245-247).

Dat de premiebetalingen gebeurden door hetzij P. en/of W. hetzij de BVBA T.P. is op zich niet cruciaal: punt is de bedoelde spaarverrichting ten titel van aanvullend inkomen (R. Barbaix, “Groepsverzekeringen en familiaal vermogensrecht: een nieuwe invalshoek?” in R. Barbaix et al. (eds.), De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia, 2014, 116-117, nr. 20).

Gelet op de reeds voorliggende rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (inz.) aangaande de alsdan nog toepasselijke bepalingen van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, is geen (verdere) prejudiciële vraagstelling nodig (J. Vanpraet en C. Forniville, “Prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof: rol van de rechter en de partijen in het bodemgeschil” in J. Ghysels en B. Vanlerberghe (eds.), Prejudiciële vragen. De techniek in kaart gebracht, Antwerpen, Intersentia, 2013, 121-122, nr. 71).

Aannemen dat de aanspraken met betrekking tot de groepsverzekering (met uitbetaling bij het bereiken van de pensioenleeftijd) tot de gewezen huwelijksgemeenschap P.-W. behoren, althans in voormelde mate van opbouw tijdens de werking ervan (zie A. Van Geel en Ch. Declerck, “Actuele planningstechnieken in vraag gesteld”, Not.Fisc.M. 2011, 197, nr. 43), heeft tot gevolg dat de vermogenswaarde van deze groepsverzekering moet worden verdeeld bij de vereffening-verdeling na echtscheiding.

Daarbij moet de nettowaarde van het kapitaal van de groepsverzekering op de datum van de effectieve verdeling in aanmerking worden genomen: dit is de waarde na aftrek van de RIZIV-bijdragen en andere bijzondere bijdragen en belastingen, zij het enkel rekening houdende met de tot op het tijdstip van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel middels gemeenschapsgelden betaalde premies (zie A. Van Geel en Ch. Declerck, “Actuele planningstechnieken in vraag gesteld”, Not.Fisc.M. 2011, 196-197, nr. 42). Daarbij kan, zoals reeds aangegeven, enkel rekening worden gehouden met de opbouw van de groepsverzekering tot op de datum van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel, maar is wel actualisering aangewezen ten tijde van de verdeling, gelet op artikel 890 BW (zie ook Gent 24 maart 2005, T.Not. 2005, 481). De actuele aangroei van de nettowaarde van het kapitaal van de groepsverzekering moet ten tijde van de verdeling worden bekeken.

Uitgestelde verrekening is hoe dan ook aangewezen (R. Barbaix, “Groepsverzekeringen en familiaal vermogensrecht: een nieuwe invalshoek?” in R. Barbaix et al. (eds.), De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia, 2014, 188-199, nr. 25; vgl. A. Reniers, “Individuele levensverzekering als spaarverrichting in het licht van de vereffening-verdeling van een gemeenschappelijk vermogen: moeilijk gaat ook?” (noot onder Cass. 5 december 2013), RABG 2014, 1035-1037).

De notariële werkzaamheden verdienen in zoverre correctie/nuancering/actualisering.

15. Het hof komt tot slot tot herbeoordeling van de afrekening omtrent de huurgelden die de BVBA T.P. (t.e.m. mei 2008) betaalde (aan P.) omwille van de huur van het beroepsgedeelte van de gewezen gezinswoning te Herentals.

16. In zijn staat van vereffening-verdeling van 17 november 2009 verwerkt de notaris-vereffenaar diverse verrekeningen met de post-communautaire onverdeeldheid P.-W.

Aldus voorziet de notaris-vereffenaar in een vergoeding ten laste van P. en ten behoeve van de post-communautaire onverdeeldheid P.-W. De notaris-vereffenaar stelt dat moet worden afgerekend omtrent de huurgelden die de BVBA T.P. betaalde (aan P.) omwille van de huur van het beroepsgedeelte van de gewezen gezinswoning te Herentals, en dit vanaf juni 2005 tot en met mei 2008. Het gaat concreet om 36 maanden x 1.487 = 53.532 EUR.

Enkel W. formuleert dienaangaande een bezwaar.

In zijn adviesakte van 30 maart 2010 gaat de notaris-vereffenaar gedeeltelijk in op dit bezwaar. De notaris-vereffenaar herhaalt dat moet worden afgerekend omtrent de huurgelden die de BVBA T.P. betaalde (aan P.) omwille van de huur van het beroepsgedeelte van de gewezen gezinswoning te Herentals, en dit vanaf het tijdstip van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel (op 11 februari 2004) tot en met mei 2008. Het gaat concreet om 52 maanden x 1.487 = 77.324 EUR. Dit zijn 16 maanden extra.

De eerste rechter sprak zich dienaangaande (nog) niet uit.

P. stelt dat W. geen aanspraak kan maken op een aandeel in de huurgelden voor de periode van de post-communautaire onverdeeldheid P.-W. dat zij tegelijk (1) een onderhoudsuitkering heeft ontvangen én (2) in de gewezen gezinswoning te Herentals is verbleven zonder een woonstvergoeding te moeten betalen. Volgens P. kan W. derhalve geen aanspraak maken op een aandeel in de huurgelden voor de periode vanaf februari 2004 tot juni 2005.

Wat betreft de afrekening omtrent de huurgelden die de BVBA T.P. (t.e.m. mei 2008) betaalde (aan P.) omwille van de huur van het beroepsgedeelte van de gewezen gezinswoning te Herentals, stelt W. dat zij wel degelijk (mede)aanspraak kan maken op haar aandeel in de huurgelden voor de periode vanaf februari 2004 tot juni 2005.

17. Gelet op de verruimde devolutieve werking van het hoger beroep spreekt het hof zich dienaangaande uit.

Zoals reeds aangegeven, herberekent de notaris-vereffenaar in zijn adviesakte van 30 maart 2010 bepaalde elementen van de post-communautaire onverdeeldheid P.-W., waaronder (a) de aanrekening van de door P. aan W. betaalde onderhoudsuitkeringen en (b) de door W. verschuldigde woonstvergoeding. De notaris-vereffenaar besluit (a) dat de door P. aan W. betaalde onderhoudsuitkeringen door deze laatste niet moeten worden terugbetaald en (b) dat W. een woonstvergoeding moet betalen ten bedrage van 1.000 EUR per maand voor de periode vanaf de definitieve echtscheiding (medio 2005) tot en met april 2009. Het gaat concreet om 45 maanden x 1.000 = 45.000 EUR.

P. stelt terecht dat W. geen aanspraak kan maken op een aandeel in de huurgelden voor de periode van de post-communautaire onverdeeldheid P.-W. dat zij tegelijk (1) een onderhoudsuitkering heeft ontvangen én (2) in de gewezen gezinswoning te Herentals is verbleven zonder een woonstvergoeding te moeten betalen. Voor die periode (gedurende welke de hulp- en bijdrageverplichting in de zin van de art. 213 en 221, eerste lid BW zijn blijven spelen, aangezien het huwelijk in de persoonsrechtelijke verhouding nog niet was ontbonden; art. 1278, eerste lid Ger.W.) heeft W. ten titel van onderhoudsuitkering sensu lato eensdeels een maandelijkse pecuniaire onderhoudsuitkering ten bedrage van 3.000 EUR en anderdeels de bewoning van de gewezen gezinswoning gekregen, wat haar aandeel in de vruchten van de post-communautaire onverdeeldheid P.-W. overstijgt (Cass. 16 november 2015, C.13.0520.F). In die optiek kan W. niet bijkomend aanspraak maken op een aandeel in de huurgelden voor de periode vanaf februari 2004 tot juni 2005.

De notariële werkzaamheden verdienen in zoverre correctie.

[…]

 

Noot: 

Aileen Reniers, Groepsverzekering en echtscheiding: troubles in paradise », R.A.B.G., 2017/4, p. 320-322

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 19/07/2017 - 16:22
Laatst aangepast op: wo, 19/07/2017 - 16:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.