-A +A

Eénmalige alcoholintoxicatie dient niet aan verzekering gemeld

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 10/05/2017
A.R.: 
C.15.0180.N

De veroordeling voor alcoholintoxicatie is een gewijzigde omstandigheid die aan een verzekerde bestuurder zelf bekend is. Een bestuurder dient deze omstandigheid redelijkerwijze beschouwen als een gegeven dat van invloed kon zijn op de beoordeling van het risico door zijn verzekeraar.

Zulks des te meer wanneer in de oorspronkelijke vragenlijst bij het verzekeringsvoorstel en in de bijzondere voorwaarden van de navolgende voortgezette polissen  telkens opnieuw verwezen wordt naar eventuele voorgaande veroordelingen en/of geschillen inzake alcoholintoxicatie en intrekking van het rijbewijs.

Deze vaststelling op zich volstaat evenwel niet om toepassing te kunnen maken van de in artikel 81 Wet Verzekeringen (oud artikel 26 WLVO) voorziene sancties.

De sanctie is slechts toepasbaar wanneer de verzekeraar  aantoont dat de risicoverzwaring casu cumulatief"aanmerkelijk" en "blijvend" is.

De risicoverzwaring bestaande uit  in geïntoxiceerde toestand zijn voertuig te besturen is zonder meer aanmerkelijk. Doch een tijdelijke toestand van intoxicatie, die slechts éénmalig werd vastgesteld, volstaat evenwel niet om te besluiten dat het risico op een ongeval na dit voorval in hoofde van de bestuurder effectief "blijvend" was toegenomen.

Meerdere veroordelingen dan wel vaststellingen waaruit kan afgeleid dat de betrokkene meerdere malen geïntoxiceerd zou gereden hebben, dan wel bijkomende omstandigheden zoals dronkenschap, of vluchtmisdrijf kunnen daarentegen de verzekerde zeker verplichten deze omstandigheden te melden aan zijn verzekering.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018
Pagina: 
215
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Antwerpen 10 mei 2017, NjW2018, 215.

Fidea NV, [ ] appellante,[ ] tegen K.P.,[ ... ] geïntimeerde, [ ... ]

En inzake[ ] Fidea NV,[ ] appellante,[ ] tegen K.P.,[ ... ] geïntimeerde,

[ ... ]

DE ANTECEDENTEN EN DE VORDERINGEN

1.

Het voorwerp van de door FIDEA nv bij dagvaarding van 19 februari 2013 tegen K.P. - in de zaak met AR-nr. 13/393/A - ingestelde vordering, van de door K.P. bij conclusies tegen FIDEA nv ingestelde tegenvordering en de daaraan ten grondslag liggende feiten, werden uiteengezet in het bestreden vonnis van 27 maart 2014 van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren en dit hof verwijst daar naar. De eerste rechter verklaarde de hoofdvordering ongegrond, omdat de vordering tot terugbetaling van verstrekte tussenkomsten zou zijn gesteld zonder dat de nietigverklaring van de polis werd gevorderd. De tegenvordering werd gegrond verklaard en FIDEA nv werd bijgevolg veroordeeld tot het betalen aan K.P. van een provisie van € 1,00. Tevens werd FIDEA nv verwezen in de kosten van het geding.

Op 13 augustus 2014 stelde FIDEA nv hoger beroep in (de zaak met ARnr. 2014/AR/2199).

2.

Het voorwerp van de door FIDEA nv bij dagvaarding van 7 augustus 2014 tegen K.P. - in de zaak met AR-nr. 14/1349/A

- ingestelde vordering, van de door K.P. bij conclusies tegen FIDEA nv ingestelde tegenvordering en de daaraan ten grondslag liggende feiten, werden uiteengezet in het bestreden vonnis van 5 november 2015 van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren en dit hof verwijst daar naar.

De eerste rechter verklaarde de hoofden tegenvorderingen onontvankelijk, omdat het geschil reeds werd beslecht bij voormeld vonnis van 27 maart 2014 en de vordering tot nietigverklaring inmiddels werd gesteld in de beroepsprocedure tegen dit vonnis. FIDEA nv werd verwezen in de kosten van het geding. Op 23 december 2015 stelde FIDEA nv hoger beroep in (de zaak met ARnr. 2015/AR/2825).

3. 3.1.

FIDEA nv verzoekt vooreerst haar beide hogere beroepen te willen samenvoegen. Zij beoogt vervolgens beide bestreden vonnissen te horen hervormen en dienvolgens:

de verzekeringsovereenkomsten met polisnummers P/96.522.650-0200 en P/96.522.650-0500 afgesloten tussen FIDEA nv en K.P. nietig te horen verklaren wegens het opzettelijk meedelen van onjuiste informatie, met behoud van de premies voor FIDEAnv;

minstens te horen zeggen voor recht dat voor de polis P/96.522.650-0200 en volgende geen dekking verschuldigd is op grond van artikel 26 § 3c WLVO;

K.P. te horen veroordelen tot het betalen van een bedrag van€ 43 117,51, te vermeerderen met de verwijlintresten tegen de wettelijke intrestvoet vanaf24 april 2012 tot de datum van dagvaarding, alsook met de gerechtelijke intresten vanaf de datum van dagvaarding tot op de dag der algehele betaling;

de oorspronkelijke tegenvordering van K.P. te horen afwijzen als ongegrond;

de tegenvordering van K.P. tot betaling van een schadevergoeding van € 2 500,00 wegens beweerd procesrechtsmisbruik te horen afwijzen

als onontvankelijk, minstens ongegrond;

K.P. te horen veroordelen tot de gedingkosten.

3.2.

K.P. concludeert in de zaak met ARnr. 2014/AR/2199 tot de onontvankelijkheid van dit hoger beroep.

Hij verzoekt FIDEA nv te willen veroordelen tot een schadevergoeding van € 2 500,00 wegens rechtsmisbruik.

In ondergeschikte orde verzoekt hij het hoger beroep te willen afwijzen als ongegrond en het bestreden vonnis te willen bevestigen.

In meer ondergeschikte orde verzoekt hij te willen zeggen voor recht dat FIDEA nv overeenkomstig artikel 26 § 3 b) WLVO gehouden is tot het leveren van haar prestatie naar de verhouding tussen de betaalde premie en de premie die hij als verzekerde had moeten betalen.

In nog meer ondergeschikte orde verzoekt hij te willen zeggen voor recht dat FIDEA nv gehouden is tot terugbetaling van de premies, die door hem na het schadegeval betaald werden, te vermeerderen met de intresten.

In uiterst ondergeschikte orde verzoekt hij, de vordering slechts gegrond te willen verklaren ten belope van een bedrag van € 32 055,89 en in nog meer uiterst ondergeschikte orde ten belope van een bedrag van€ 37 552,21.

Ten slotte verzoekt hij FIDEA nv te willen verwijzen in de kosten van het geding, minstens de door hem te betalen rechtsplegingsvergoeding te willen beperken tot één per aanleg.

3.3.

In de zaak met AR-nr. 2015/AR/2825 concludeert K.P. tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

In ondergeschikte orde verzoekt hij:

FIDEA nv te willen veroordelen tot het vergoeden van de schade aan zijn voertuig ten gevolge van het ongeval van 27 februari 2012, in zijnen hoofde voorlopig begroot op € 1,00 provisioneel;

Te willen zeggen voor recht dat FIDEA nv gehouden is tot terugbetaling van de premies, die door hem

na het schadegeval betaald werden, te vermeerderen met de intresten.

In meer ondergeschikte orde verzoekt hij te willen zeggen voor recht dat FIDEA nv gehouden is tot terugbetaling van de premies, die door hem na het schadegeval betaald werden, te vermeerderen met de intresten.

In meer ondergeschikte orde verzoekt hij te willen zeggen voor recht dat FIDEA nv overeenkomstig artikel 26 § 3 b) WLVO gehouden is tot het leveren van haar prestatie naar de verhouding tussen de betaalde premie en de premie die hij als verzekerde had moeten betalen.

In uiterst ondergeschikte orde verzoekt hij de vordering slechts gegrond te willen verklaren ten belope van een bedrag van € 32 055,89 en in nog meer uiterst ondergeschikte orde ten belope van een bedrag van€ 37 552,21.

Ten slotte verzoekt hij FIDEA nv te willen verwijzen in de kosten van het geding.

BEOORDELING

1.

K.P. verduidelijkt niet op basis van welke grond(en) het hoger beroep van FIDEA nv in de zaak met AR-nr. 2014/AR/2199 "onontvankelijk" zou moeten verklaard worden.

Het hof stelt zelf geen ambtshalve op te werpen gronden van onontvankelijkheid vast.

2.

Gezien beide hogere beroepen betrekking hebben op quasi dezelfde wederzijdse vorderingen tussen dezelfde partijen, is het duidelijk dat - om tegenstrijdige of onverenigbare beslissingen te vermijden - de hogere beroepen gekend onder AR-nr. 2014/AR/2199 en ARnr. 2015/AR/2825 dienen samengevoegd te worden en dienen te worden beslecht in één en hetzelfde arrest.

[ ... ]

4.

Uit het "Strafbefehl" van het "Amtsgericht" van Aken blijkt dat K.P. zijn bij FIDEA nv verzekerde voertuig op 23 februari 2009 in Aken bestuurde in een toestand van alcoholintoxicatie. Onderzoek van het toen ter plaatse bij K.P. afgenomen bloed leverde een alcoholpromille van 1,36 op.

Uit dit "Strafbefehl" en de vermeldingen op het rijbewijs van K.P. blijkt dat zijn rijbewijs "onmiddellijk" werd ingetrokken. Hij werd voor het geïntoxiceerd besturen van zijn voertuig naderhand nog veroordeeld door het "Amtsgericht" van Aken.

4.1.

Gelet op hetgeen uiteengezet werd onder voormeld punt 3, staat vast dat FIDEA nv zich ten onrechte beroept op de precontractuele verzekeringsfraude in hoofde van K.P.

Dat K.P. vóór 30 januari 2009 in het verkeer werd aangetroffen in een toestand van alcoholintoxicatie en/of dat zijn rijbewijs werd ingetrokken, wordt immers niet aangetoond door FIDEA nv.

Op het ogenblik waarop de oorspronkelijke verzekeringsovereenkomst met FIDEA nv werd afgesloten, antwoordde K.P. bijgevolg terecht "neen" op de vraag "of er de afgelopen 5 jaar veroordelingen en/of geschillen waren voor dronkenschap, alcohol of drugsintoxicatie".

4.2.

Na 30 januari 2009 bleef op K.P. echter wel de verplichting rusten om de nieuwe omstandigheden of de wijzigingen van de omstandigheden aan te geven die van aard waren om een "aanmerkelijke" en "blijvende" verzwaring van het risico dat het verzekerde voorval zich voordoet, te bewerkstelligen.

Het hof is van oordeel dat de veroordeling voor alcoholintoxicatie een gewijzigde omstandigheid betrof, die aan K.P. zelf bekend was en dat hij deze redelijkerwijze moest beschouwen als een gegeven dat van invloed kon zijn op de beoordeling van het risico door zijn verzekeraar FIDEA nv.

In de oorspronkelijke vragenlijst bij het verzekeringsvoorstel en in de bijzondere voorwaarden van de navolgende voortgezette polissen werd immers telkens opnieuw verwezen naar eventuele voorgaande veroordelingen en/of geschillen inzake alcoholintoxicatie en intrekking van het rijbewijs.

Bij ondertekening van de navolgende voortgezette polissen had hij FIDEA nv bijgevolg wel dienen te wijzen op het gegeven dat zijn oorspronkelijk "neen"-antwoord op de vraag "of er de afgelopen 5 jaar veroordelingen en/ of geschillen waren voor dronkenschap, alcohol of drugsintoxicatie" diende aangepast te worden.

Deze vaststelling op zich volstaat evenwel niet om toepassing te kunnen maken van de in artikel 81 Wet Verzekeringen (oud artikel 26 WLVO) voorziene sancties. Het hof is immers van oordeel dat FIDEA nv niet aantoont dat deze risicoverzwaring in casu cumulatief"aanmerkelijk" en "blijvend" was.

De risicoverzwaring was zonder meer "aanmerkelijk" op 23 februari 2009 toen K.P. in geïntoxiceerde toestand zijn voertuig bestuurde. Deze tijdelijke toestand van intoxicatie, die éénmalig werd vastgesteld, volstaat evenwel niet om te besluiten dat het risico op een ongeval na dit voorval in hoofde van K.P. effectief "blijvend" was toegenomen.

Er is bijgevolg geen frauduleuze verzwijging in hoofde van K.P. bewezen in de zin van artikel 81 § 3, c) Wet Verzekeringen (oud artikel 26 WLVO), zodat FIDEA nv zich ook niet kan beroepen op de in dit artikel voorziene sancties om terugbetaling te vorderen van de door haar reeds gedane uitgaven.

5.

Vermits het hof geen opzettelijke verzwijging weerhoudt, is FIDEA nv wel degelijk gehouden om dekking te verlenen onder de omniumwaarborg.

Zij toont evenmin aan dat K.P. geweigerd zou hebben om alle nuttige inlichtingen te verschaffen teneinde de omstandigheden van het ongeval en de omvang van de schade te kunnen vaststellen in de zin van de artikelen 74 § 2 en 76 § 1 en 2 Wet Verzekeringen.

Er zijn evenwel ook geen redenen voorhanden om FIDEA nv te veroordelen tot het terugbetalen van premies.

6.

Het staat vast dat FIDEA nv reeds in de bij dagvaarding van 19 februari 2013 tegen K.P. ingeleide procedure voor de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren

(de zaak met AR-nr. 13/393/A) haar vordering mede gesteund heeft op oud artikel 6 WLVO (thans artikel 59 Wet Verzekeringen) en hierbij duidelijk mede de nietigheid van de polis beoogd heeft. Daarover was tussen partijen in conclusies trouwens geen enkele discussie gevoerd.

Daar waar de eerste rechter evenwel meende in het bestreden vonnis van 27 maart 2014 toch te moeten stellen dat de vordering tot terugbetaling van verstrekte tussenkomsten zou zijn gesteld zonder dat de nietigverklaring van de polis werd gevorderd en op basis hiervan de vordering van FIDEA nv afwees, kan het FIDEA nv geenszins ten kwade geduid worden dat zij - geconfronteerd zijnde met dit vonnis - veiligheidshalve haar rechten zeker heeft trachten te stellen door op 7 augustus 2014 opnieuw tot dagvaarding over te gaan van K.P. (de zaak met AR-nr. 14/1349/A).

Er is aldus geenszins sprake van enig procesmisbruik in hoofde van FIDEA nv, die de toekenning van een verhoogde rechtsplegingsvergoeding en/of een schadevergoeding aan K.P. verantwoordt.

Vermits het verweer in beide procedures in eerste aanleg op identiek dezelfde wijze werd gevoerd, kent het hof voor deze beide procedures samen bovendien slechts één rechtsplegingsvergoeding toe.

BESLISSING

[ ... ]

Verklaart het hoger beroep van FIDEA nv in de zaak met AR-nr. 2014/AR/2199 ontvankelijk maar ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis van 27 maart 2014 op grond van andere motieven.

Verklaart het hoger beroep van FIDEA nv in de zaak met AR-nr. 2015/AR/2825 ontvankelijk maar ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis van 5 november 2015 op grond van andere motieven.

[ ... ]

Noot: 

Noot:

Uitsluiting van dekking [Omnium verzekering] bij dronken/[geïntoxiceerd] rijden? Niet (meer) mogelijk G. Heirman en E. Van Leuven

Rechtsleer:

• J.-L. Fagnart, Le contrat d’assurance, Waterloo, Kluwer, 2012, 69; M. Fontaine, Droit des assurances, Brussel, Larcier, 2016, 307;

• M.A. Masschelein, Het verval van een recht in het materieel privaatrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 117;

• G. Heirman, «Vervalbedingen in het Belgische verzekeringsrecht», RW 2016-17, 52).

• Verkeer, Aansprakelijkheid, Verzekering [VAV] BREWAEYS, Luc: Noot onder cassatie. 2016, nr. 2, p. 4-8.

• De Juristenkrant HEIRMAN, Glenn; VAN LEUVEN, Eva; Noot 'Verzekeraar kan dronken chauffeur met omnium niet meer uitsluiten' 2016, nr. 335, p. 1.

• V. Callewaert, «La notion de déchéance et le devoir de vérification du juge de fond», Rec.jur.ass. 2012, 117;

• M. Michel, «Les conventions relatives à la charge de la preuve en droit des assurances sont-elles licites?, RGAR 2014, nr. 15125, 7;

• C. Van Schoubroeck, J. Amankwah, T. Meurs en N. Gilbert, «Overzicht van rechtspraak Wet op de Landverzekeringsovereenkomst 2004-2015»

Rechtspraak: 

• Cass. 20 september 2012 (in zelfde zin) , A.R. C.12.0029. F, AC 2012, nr. 477, met concl. van advocaat-generaal Genicot, in Pas. 2012, n° 477.

• Cass. 13 september 2010 (in zelfde zin) , JT 2010, 737;

• Pol. Gent 11 maart 2013,(in zelfde zin) RW 2014-15, 512 

• Brussel 14 december 2010, (in zelfde zin) RGAR 2011, nr. 14.738). I

• Zie ook voor zelfde interpretatie de parlementaire voorbereiding: (Parl.St. Kamer 1990-91, nr. 1586/1, p. 22).

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 01/04/2018 - 17:20
Laatst aangepast op: vr, 11/05/2018 - 00:27

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.