-A +A

Eén familie, één familiedossier, één onveranderlijke familierechtbank

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 25/02/2016
A.R.: 
29/2016

De territoriale bevoegdheid van de familierechtbank is absoluut en wijkt niet voor het belang van het kind.
Territoriale onveranderlijkheid familierechtbank is grondwettig.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2015/338
Pagina: 
317
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

In zake: de prejudiciële vraag over artikel 629bis van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik.

[ ... ]

Bij vonnis van 2 december 2014 in zake A.L. tegen M. E.M., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 december 2014, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld:

« Schendt artikel 629bis van het Gerechtelijk Wetboek niet met name de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met andere supranationale wetsbepalingen

zoals het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met name artikel 8 ervan, in zoverre het de rechter op absolute wijze de mogelijkheid ontzegt rekening te houden met het noodzakelijkerwijs hogere belang van het kind, door het hem niet mogelijk te maken de zaak te behouden in de hypothese dat het belang van het kind dat vereist en dat een vroegere beslissing ten aanzien van dat kind door een andere rechter is uitgesproken, terwijl het die andere rechter toestaat de zaak in die hypothese door te verwijzen? ».

[ ... )

III IN RECHTE

-A-

A.1.1. Wat de referentienormen betreft, stelt de Ministerraad vast dat, naast de grondwetsbepalingen die in de prejudiciële vraag worden beoogd, alleen artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens duidelijk wordt aangegeven als verdragsbepaling ten aanzien waarvan het Hof wordt verzocht zijn toetsing uit te oefenen.

A.1.2. De Ministerraad betwist eveneens de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag in zoverre zij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet beoogt, aangezien noch de vraag, noch de motivering van de verwijzingsbeslissing de vergeleken categorieën van personen aangeven.

A.2.1. Wat betreft de toetsing aan artikel 22bis van de Grondwet en aan het hoger belang van het kind, is de Ministerraad van mening dat de in het geding zijnde maatregel pertinent is en gerechtvaardigd door het legitieme doel dat door de wetgever werd nagestreefd toen hij de wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank aannam, namelijk een einde maken aan de versnippering van de bevoegdheden op dat gebied, door een familiegeschil volledig in handen van één enkele rechter te laten.

Wat de territoriale bevoegdheid betreft, heeft de wetgever de keuze gemaakt om het beginsel van” permanente saisine” dat ertoe leidt dat die rechtbank bevoegd blijft die zich moet uitspreken over een geschil waarbij de familie in ruime zin betrokken is, te laten primeren op het criterium van de rechtbank die gelegen is nabij de woonomgeving van de in de procedures betrokken minderjarige. Zodoende heeft de wetgever geoordeeld dat in principe op adequatere wijze aan het hoger belang van het kind wordt tegemoetgekomen door de rechter die reeds de voorgeschiedenis van het familiegeschil kent bevoegd te maken, eerder dan een rechter die dichtbij de plaats van de woonomgeving van het kind die kan variëren zitting houdt.

A.2.2. De maatregel heeft geen onevenredige gevolgen omdat artikel 629bis, § 7, van het Gerechtelijk Wetboek de familierechtbank die wettelijk bevoegd is krachtens artikel 629bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, de mogelijkheid biedt om te beslissen het dossier door te verwijzen naar de familierechtbank van een ander arrondissement indien het hoger belang van het kind het vereist.

De door de verwijzende rechter bepleite oplossing die erin bestaat de zaak te behouden, zou daarentegen dat hoger belang van het kind, zoals de wetgever het heeft vastgelegd en dat moet worden beoordeeld door de wettelijk bevoegde rechter in het licht van alle nuttige elementen die voorkomen in het familiedossier dat, overeenkomstig artikel 725bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt geopend vanaf de eerste vordering die bij de familierechtbank wordt ingesteld, miskennen.

A.2.3. De Ministerraad verzoekt het Hof bijgevolg de prejudiciële vraag ontkennend te beantwoorden.

-B-

B.1.1. De wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank (hierna: de wet van 30 juli 2013) strekt ertoe een einde te maken aan de versnippering van de bevoegdheden in die aangelegenheden.

De wet van 30 juli 2013, die op 1 september 2014 in werking is getreden, heeft dan ook een centralisatie doorgevoerd van de materiële bevoegdheid inzake fa milie- en jeugdkwesties, door van de familie- en jeugdrechtbank - die een afdeling van de rechtbank van eerste aanleg is - de gemeenrechtelijke rechter in die aangelegenheden te maken.

Met die wet wilde de wetgever « het geheel aan familiale zaken [ ... ] groeperen rond eenzelfde rechter, door een familierechtbank op te richten die bevoegd is voor alle familiale aangelegenheden » (Parl.St., Kamer, 2010-2011, DOC 53- 0682/001, p. 4), waarbij hij « toegankelijkheid, eenvormigheid en soepelheid » nastreefde (ibid., p. 5):

« Door alle geschillen van eenzelfde familie toe te vertrouwen aan één enkel rechtscollege kan men komen tot een harmonisering van de procedureregels, minder kosten, minder tegenstrijdigheden en doorverwijzingen van rechtbank naar rechtbank» (ibid., p. 4).

B.2. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 629bis van het Gerechtelijk Wetboek met de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het de familierechtbank op absolute wijze de mogelijkheid zou ontzeggen om rekening te houden met het hogere belang van het kind en de zaak te behouden indien het belang van het kind dat vereist en indien een vroegere beslissing ten aanzien van dat kind door een andere rechter, waarbij een vordering werd ingesteld in de aangelegenheden bedoeld in artikel 572bis, is uitgesproken, terwijl het de familierechtbank waarbij de vordering is ingesteld overeenkomstig het in het geding zijnde artikel 629bis, § 1, toestaat de zaak in dat geval door te verwijzen.

B.3.1. Te dezen heeft de verwijzende rechter de kwestie van zijn territoriale bevoegdheid ambtshalve opgeworpen, in het licht van artikel 629bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat de vorderingen aangaande de kinderen van personen die gehuwd geweest zijn, « voor de familierechtbank [worden] gebracht waarbij reeds een vordering voor de aangelegenheden als bedoeld in artikel 572bis aanhangig is gemaakt».

B.3.2. Het komt in beginsel aan de verwijzende rechter toe te beslissen over de toepassing van wetskrachtige normen op de feiten van het geding. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat die rechter van oordeel is dat artikel 629bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek in casu toepassing vindt en dat dus een vordering aangaande de uitoefening van het ouderlijk gezag, de verblijfsregeling of het recht op persoonlijk contact ten aanzien van de minderjarige kinderen, reeds aanhangig werd gemaakt voor een andere familierechtbank, zodat hij de zaak naar die rechtbank zou dienen te verwijzen. Die interpretatie van de verwijzende rechter wordt door de Ministerraad - die als enige partij een memorie voor het Hof heeft ingediend - niet betwist. Het Hof beantwoordt de prejudiciële vraag in die interpretatie.

B.4.1. De Ministerraad werpt in de eerste plaats de onontvankelijkheid van de vraag op in zoverre zij een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aanvoert zonder aan te geven ten opzichte van welke categorie van personen de discriminatie wordt aangevoerd.

B.4.2. Wanneer een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt aangevoerd, moet in de regel worden gepreciseerd welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken en in welk opzicht de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling teweegbrengt dat discriminerend zou zijn.

Wanneer echter een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met een ander grondrecht, wordt aangevoerd, volstaat het te preciseren in welk opzicht dat grondrecht is geschonden. De categorie van personen van wie dat grondrecht is geschonden moet immers worden vergeleken met de categorie van personen voor wie dat grondrecht is gewaarborgd.

B.4.3. Aangezien de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt aangevoerd in samenhang met artikel 22bis van de Grondwet en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de

B.5.1. Zoals in B.l is vermeld, geeft het in het geding zijnde artikel 629bis, § 1, uitvoering aan het zogenoemde principe « één familie - één dossier - één rechter »: de familierechtbank waarbij reeds een vordering voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 572bis aanhangig is gemaakt, blijft die welke bevoegd zal zijn voor de vorderingen tussen partijen die hetzij gehuwd zijn of geweest zijn, hetzij wettelijk samenwonenden zijn of geweest zijn, alsook de vorderingen aangaande gemeenschappelijke kinderen van partijen of goederen van die kinderen of aangaande kinderen waarvan de afstamming slechts ten aanzien van één van de ouders vaststaat.

Met de aanneming van de in het geding zijnde bepaling wilde de wetgever het beginsel van continuïteit bekrachtigen van de bevoegdheid van de rechter bij wie reeds een dossier aangaande een familie aanhangig is gemaakt, omdat hij oordeelde dat die rechter het best in staat is om zich met kennis van zaken uit te spreken over een familiedossier dat wordt geopend vanaf de eerste vordering die bij de familierechtbank wordt ingesteld (artikel 725bis van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 150 van de wet van 30 juli 2013), en dat wordt opgevat als « één enkel dossier [ ... ] voor de minderjarige en zijn familie » (Parl.St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0682/015, p. 8).

B.5.2. Wat het bepalen van de territoriale bevoegdheid betreft, vermeldt de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 juli 2013:

« De auteurs van dit wetsvoorstel wensen op burgerrechtelijk vlak de' gerechtelijke geschiedenis ' van de familie in één enkel dossier onder te brengen om enerzijds te zorgen voor coherentie tussen de beslissingen en anderzijds de debatten te beperken tot hetgeen strikt noodzakelijk is voor de oplossing van het geschil gegeven het feit dat niet alle antecedenten van het dossier opnieuw aan bod moeten komen» (Parl.St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0682/001, p. 14).

 

Door die goede dossierkennis van de magistraat streeft de in het geding zijnde maatregel ernaar « de meest rechtvaardige en menselijke beslissingen » te nemen (ibid., pp. 4-5; zie ook Parl.St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-1189/7, p. 4).

B.5.3. De auteurs van het wetsvoorstel dat de wet van 30 juli 2013 is geworden, leggen ook uit dat zij twee principes willen combineren: enerzijds, wordt de territoriale bevoegdheid van de familierechtbank « beoordeeld [ ... ] in het belang van het kind. Daarom moet de bevoegde rechtbank zich dichtbij de woonplaats van de betrokken minderjarige bevinden » (Parl.St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0682/001, p. 15); anderzijds, werd, naast dat criterium van territoriale bevoegdheid, erin voorzien.« teneinde de toegang tot justitie te verbeteren (kosten vermijden, grotere zichtbaarheid van de bevoegde rechter, snelheid) en een betere continuïteit van de gerechtelijke procedure te verzekeren (de rechter kent de situatie van de familie) », dat « de territoriale bevoegdheid van de oorspronkelijk gevatte familierechtbank definitief vastgelegd [zal] worden, behalve indien, op verzoek van een partij, het openbaar ministerie, of de aanvankelijk gevatte rechter uit eigen beweging oordeelt dat het belang van het kind of het voeren van een goede justitie de transfer vereisen naar de familierechtbank van een ander arrondissement » (ibid., p. 16). Ingevolge de opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad van State werden verschillende amendementen ingediend om het principe « één familie - één rechter - één dossier » te verankeren (Parl.St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0682/007, p. 22), waaronder het amendement waarbij wordt voorgesteld de tekst die zal worden aangenomen in de in het geding zijnde bepaling in te voegen, en dat als volgt wordt verantwoord:

« Voor aangelegenheden die rechtstreeks met het kind te maken hebben, blijft de woonplaats van het kind deze voorkeur wegdragen, omdat het veilig en heel eenvoudig is, aangezien het volstaat een beroep te doen op het bevolkingsregister.

De gewone verblijfplaats is het criterium dat op Europees niveau en in het internationaal privaatrecht geldt.

[ ... ]

In tegenstelling tot wat men bij het wetsontwerp zou kunnen denken ten slotte, werd de mogelijkheid voor de rechter veralgemeend om het dossier door te verwijzen naar een rechtbank die beter beantwoordt aan de belangen van het kind of aan de goede rechtsbedeling. Om die reden wordt de doorverwijzing opgesplitst tussen de gevallen waarin de doorverwijzing noodzakelijk is en het geval waarin ze mogelijk is. Het belang van het kind, dat centraal staat bij het bepalen van de territoriale bevoegdheid, moet de rechter ertoe verplichten het dossier naar een andere rechter door te verwijzen. Anderzijds kan de rechter, indien hij dat opportuun acht, het familiedossier doorverwijzen naar een rechtbank die beter geplaatst is omdat ze reeds kennis heeft genomen van een jeugddossier, met het oog op de goede rechtsbedeling of indien het openbaar ministerie of een partij daarom verzoekt.

[ ... ]

Indien er bij een rechtbank reeds een familiedossier geopend werd, is het dus die rechtbank die territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van de zaak. Wanneer echter alle partijen (inclusief het kind) naar een ander gerechtelijk arrondissement verhuizen, dan gebiedt de goede rechtsbedeling dat de partijen doorverwijzing naar de bevoegde rechter vragen.

Er wordt een nieuwe paragraaf 7 ingevoegd om de partijen de kans te geven in onderling overleg hun familierechtbank te kiezen wanneer er een familiedossier wordt geopend. Indien er voordien reeds een dossier geopend werd, zal paragraaf 1 ten volle worden toegepast, want het is primordiaal dat de continuïteit van het familiedossier verzekerd blijft en het kan niet de bedoeling zijn de partijen te laten ' rechtbankshoppen ' » (Parl.St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-1189/4, pp. 11-12).

B.5.4. Uit de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt dat het systeem waarin artikel 629bis, § 1 voorziet, een principiële voorrang heeft wat het bepalen van de territoriaal bevoegde rechter betreft: de continuïteit van de bevoegdheid, die voortvloeit uit artikel 629bis, § 1, wijkt immers af van het andere beginsel, vervat in artikel 629bis, § 2, krachtens hetwelk de vorderingen aangaande het ouderlijk gezag, de verblijfsregeling en de onderhoudsverplichtingen voor een minderjarig kind voor de familierechtbank van de woonplaats van de minderjarige worden gebracht of, bij ontstentenis, van de gewone verblijfplaats van de minderjarige; bovendien kunnen de partijen niet in onderling overleg afwijken van de bevoegdheid die voortvloeit uit artikel 629bis, § 1 (artikel 629bis, § 8).

B.6. Door in artikel 629bis, § i, af te wijken van het beginsel van nabijheid dat vervat is in artikel 629bis, § 2, volgens hetwelk de rechter die territoriaal bevoegd is om zich uit te spreken, die van de woonplaats van de minderjarige is of, bij ontstentenis, van diens gewone verblijfplaats, opteert de wetgever voor een systeem waarin een globale bevoegdheid voor een familiedossier sensu lato en voor de latere ontwikkelingen erin wordt beschouwd als de meest efficiënte om de belangen van de familie van de minderjarige en van die laatste te beoordelen.

Die keuze die volgt uit de bekommernis van de wetgever om een einde te maken aan de versnippering van de bevoegdheden, door het centraliseren van de geschillen van een familie bij één enkele rechter, is niet zonder redelijke verantwoording.

B.7.1. De blijvende bevoegdheid van de rechter waarbij de zaak oorspronkelijk werd ingeleid, heeft overigens geen onevenredige gevolgen.

Artikel 629bis, § 7, bepaalt immers dat kan worden afgeweken van de principiële bevoegdheid van de familierechtbank waarbij de zaak oorspronkelijk werd ingeleid:

« Indien het belang van het kind het vereist, beslist de familierechtbank het dossier door te verwijzen naar de familierechtbank van een ander arrondissement.

De familierechtbank kan, op verzoek van een partij of van het openbaar ministerie, of als de goede rechtsbedeling een dergelijke doorverwijzing vereist, beslissen de zaak door te verwijzen naar de familierechtbank van een ander arrondissement indien daar een jeugddossier werd samengesteld.

De beslissing waarin het eerste en het tweede lid voorzien, wordt met redenen omkleed en er kan geen enkel rechtsmiddel tegen worden aangewend».

Uit die bepaling volgt dat de familierechtbank die krachtens artikel 629bis, § 1, bevoegd is, verplicht is het dossier door te verwijzen naar de familierechtbank van een ander arrondissement indien het belang van het kind het vereist (artikel 629bis, § 7, eerste lid) en dat zij, op verzoek van een partij of van het openbaar ministerie, of als de goede rechtsbedeling een dergelijke doorverwijzing vereist, de zaak kan doorverwijzen naar de familierechtbank van een ander arrondissement indien daar een jeugddossier werd samengesteld (artikel 629bis, § 7, tweede lid).

B.7.2. Het hogere belang van het kind - dat zou kunnen vereisen dat de rechter bevoegd voor de verblijfsmaatregelen die op dat kind betrekking hebben, de rechter is van zijn woonplaats of van zijn gewone verblijfplaats -, heeft dus de overhand op het beginsel dat vastligt bij artikel 629bis, § I, en laat in elk geval toe dat de rechter bij wie de zaak oorspronkelijk werd ingeleid, de zaak doorverwijst naar de familierechtbank van de woonplaats of van de verblijfplaats van de minderjarige indien hij oordeelt dat het hogere belang van het kind het vereist.

Ook al laat die mogelijkheid waarin artikel 629bis, § 7, voorziet om een andere territoriaal bevoegde rechter aan te wijzen dan de rechter die volgt uit artikel 629bis, § 1, toe om af te wijken van het beginsel dat vervat is in paragraaf 1, toch ligt zij in de lijn van het doel dat door de wetgever wordt nagestreefd: het is de rechter bij wie de zaak oorspronkelijk is ingeleid die, aangezien hij de historiek van het familiedossier kent, het best in staat is om, rekening houdend met alle elementen die betrekking heb-

ben op de familie, te oordelen over het hogere belang van het kind, en die zich bijgevolg over de territoriale bevoegdheid kan uitspreken.

Bovendien wordt, in geval van verwijzing van een familierechtbank naar een andere overeenkomstig artikel 629bis, § 7, het volledige familiedossier onverwijld overgedragen (artikel 725bis, § 2, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek), teneinde de rechter bij wie de zaak overeenkomstig artikel 629bis, § 7, aanhangig wordt gemaakt volledig in te lichten.

B.8. Indien de zaak daarentegen aanhangig wordt gemaakt bij een andere familierechtbank dan die welke wordt opgelegd bij artikel 629bis, § 1, moet die rechtbank zich onbevoegd verklaren en de zaak doorverwijzen naar de familierechtbank die krachtens artikel 629bis, § 1, bevoegd is, zonder het hogere belang van het kind te mogen beoordelen.

Dat gevolg van de keuze die door de wetgever is gemaakt, is niet zonder redelijke verantwoording. Indien immers iedere andere rechter dan de rechter die wordt aangewezen bij artikel 629bis, § 1, over het hogere belang van het kind zou mogen oordelen en zou mogen beslissen om de zaak te behouden wanneer hij oordeelt dat dat belang in elk geval ertoe verplicht de territoriale bevoegdheid van de familierechtbank te baseren op het criterium van de woonplaats of de gewone verblijfplaats van de minderjarige, zou dat een omkering inhouden van het door de wetgever gewilde beginsel van continuïteit van de bevoegdheid voor kwesties die betrekking hebben op eenzelfde familie.

De versnippering van bevoegdheden die bijvoorbeeld het gevolg zou kunnen zijn van opeenvolgende verhuizingen van de minderjarige en zijn familie, zou zeker niet bijdragen tot een volledige kennis van de aanwezige belangen, waaronder dat van de minderjarige.

B.9.1. De verwijzende rechter vermeldt ook artikel 660 van het Gerechtelijk Wetboek, waaruit zou volgen dat, in geval van doorverwijzing van de territoriaal onbevoegde rechter naar de rechter die bevoegd is op grond van artikel 629bis, § 1, die laatste de mogelijkheid zou worden ontnomen om de zaak door te verwijzen naar een andere familierechtbank overeenkomstig artikel 629bis, § 7.

Artikel 660 van het Gerechtelijk Wetboek dat is opgenomen in een hoofdstuk IV, met als opschrift « Bepalingen aan de vorige hoofdstukken gemeen », van titel IV « Regeling van geschillen van bevoegdheid » van het derde deel « Bevoegdheid » van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt:

« Behalve wanneer het voorwerp van de vordering niet tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht behoort, verwijst iedere beslissing betreffende de bevoegdheid de zaak zo nodig naar de bevoegde rechter die zij aanwijst.

De beslissing bindt de rechter naar wie de vordering wordt verwezen, met dien verstande dat zijn recht om over de rechtsgrond van de zaak te oordelen onverkort blijft».

B.9.2. Een algemene bepaling betreffende de regeling van geschillen van bevoegdheid zou geen voorrang kunnen hebben op de specifieke bepaling van artikel 629bis van het Gerechtelijk Wetboek, die de territoriale bevoegdheid van de familierechtbanken regelt.

Het zou strijdig zijn met het hogere belang van het kind dat de rechter die territoriaal bevoegd is op grond van artikel 629bis, § 1, de mogelijkheid zou worden ontnomen om dat belang te beoordelen, en te beslissen dat dit belang vereist dat de zaak wordt verwezen naar een andere rechtbank, louter omdat de zaak aanvankelijk verkeerdelijk voor een territoriaal onbevoegde rechter werd ingeleid.

 

B.10. Rekening houdend met hetgeen in B.9.2 is vermeld, dient de prejudiciele vraag ontkennend te worden beantwoord.

OM DIE REDENEN, HET HOF

zegt voor recht:

Rekening houdend met hetgeen in B.9.2 is vermeld, schendt artikel 629bis van het Gerechtelijk Wetboek niet de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

[ ... ]

 

Noot: 

K. Devolder, “De invoering van een familie- en jeugdrechtbank. Commentaar bij de wet van 30 juni 2013”, T.Fam. 2014, 128-147.

• Nicolas Jadouil, wees gezeten, tijdschriftfamilie 2017/01, pagina 2 (kritische analyse na twee jaar familierechtbank)
zie ook: Leonie Callens, Anderhalf jaar nieuwe familie- en jeugdrechtbanken: Een evaluatie op basis van kwalitatief onderzoek in de afdeling Gent, 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 01/04/2016 - 15:26
Laatst aangepast op: zo, 04/06/2017 - 19:31

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.