-A +A

Dwangsom vergt geen opgelegde respijttermijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Justitie
Datum van de uitspraak: 
vri, 11/02/2011
A.R.: 
A 2010/1
De dwangsom kan niet worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak.
de rechter kan bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren Bepaalt de rechter een uitvoeringstermijn dan is de dwangsom verbeurd na het verstrijken van de uitvoeringstermijn indien zowel uitoeringstermijn verstreken is als de betekening heeft plaatsgehad.

Indien geen respijttermijn is bepaald is de dwangsom verbeurd vanaf de beteking bij niet uitvoering van de verbintenis onder dwangsom.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
1073
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
V. t/ Gewesteijk stedenbouwkundig inspecteur

Arrest nr. A 2010/1

Conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal G. Dubrulle

I. Feiten en voorafgaande rechtspleging

1. Deze zaak heeft betrekking op de termijnen die worden bepaald door de rechter die een dwangsom oplegt, de “dwangsomrechter”, waarover het Hof van Cassatie van België, in het arrest van 24 december 2009 (AR C.05.0318.N), drie prejudiciële vragen stelt.

Uit het arrest en de stukken waarop het Hof van Cassatie vermocht acht te slaan, blijkt wat volgt.

Bij vonnis van 26 mei 2000 veroordeelt de Correctionele Rechtbank te Tongeren de eisers tot herstel in de vorige staat van een plaats door verwijdering van een boogloods “binnen de termijn van één jaar te rekenen vanaf de datum waarop dit vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen” en tot betaling van een dwangsom van 74,37 euro per dag vertraging in de tenuitvoerlegging. Deze correctionele rechtbank preciseert, in het raam van een uitleggend vonnis van 11 juni 2004, dat voormelde termijn van een jaar, wat de uitvoering van de hoofdveroordeling betreft, ingaat nadat de dwangsombeslissing in kracht van gewijsde is getreden en niet na de betekening van het vonnis.

Het vonnis treedt in kracht van gewijsde op 11 juni 2000.

Op 11 september 2001 betekent de verweerder het vonnis aan de eisers.

Op 6 maart 2002 betekent de verweerder een bevel tot betalen aan de eisers, voor verbeurde dwangsommen van 74,37 euro per dag, berekend vanaf 12 september 2001 tot 5 maart 2002, aldus in totaal voor 13.014,75 euro.

Op 2 augustus 2002 betekent de verweerder een bevel voorafgaand aan uitvoerend onroerend beslag aan de eisers, strekkende tot betaling van het voormelde bedrag aan verbeurde dwangsommen.

Op 2 september 2002 legt de verweerder uitvoerend onroerend beslag ten laste van de eisers, strekkende tot betaling van het voormelde bedrag aan verbeurde dwangsommen.

Op 10 september 2002 tekenen de eisers verzet aan tegen het uitvoerend beslag.

Bij vonnis van 8 januari 2004 verklaart de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren het verzet gegrond.

Het bestreden arrest van 15 februari 2005 van het Hof van Beroep te Antwerpen hervormt dit beroepen vonnis en verklaart het verzet ongegrond.

2. Bij voormeld arrest van 24 december 2009 stelt het Hof van Cassatie vast dat het cassatiemiddel, dat een schending aanvoert van het art. 1385bis, derde en vierde lid van het (Belgische) Gerechtelijk Wetboek, welk artikel overeenstemt met art. 1, derde en vierde lid van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, een uitlegging vereist van deze bepaling. Deze rechtsregel is gemeen aan België, Luxemburg en Nederland in de zin van art. 1 van het Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuut van het Benelux-Gerechtshof.

Na de vaststelling dat de (nationale) wettelijke bepalingen inzake stedenbouw niet afwijken van de gemeenrechtelijke bepalingen inzake de dwangsom, oordeelt het Hof van Cassatie dat de noodzakelijkheid van een beslissing over de uitlegging van de rechtsregel vervat in art. 1, derde en vierde lid van de Eenvormige Beneluxwet, het Hof noopt prejudiciële vragen aan het Benelux-Gerechtshof over te leggen.

II. Prejudiciële vragen

3. Overeenkomstig art. 6.2 van het Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuut van het Benelux-Gerechtshof verzoekt het Hof van Cassatie derhalve het Benelux-Gerechtshof de volgende vragen tot uitlegging van deze in art. 1, derde en vierde lid van de Eenvormige Beneluxwet bevatte en aan België, Luxemburg en Nederland gemene rechtsregel, als bedoeld bij art. 1 van het eerstgenoemde verdrag, te willen beantwoorden:

1. Moet art. 1, derde en vierde lid van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom aldus worden uitgelegd dat wanneer de rechter een hoofdveroordeling uitspreekt en hiervoor een uitvoeringstermijn bepaalt vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling en daarbij een dwangsom oplegt per dag vertraging in de uitvoering, de termijn die voor de uitvoering is toegestaan, ook geldt als termijn die door de rechter wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening, zodat de rechter niet vermag te beslissen dat geen of slechts een kortere termijn voor het verbeuren van de dwangsom wordt toegestaan dan die welke bepaald is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening?

2. Indien de rechter vermag te beslissen dat geen of slechts een kortere termijn voor het verbeuren van de dwangsom wordt toegestaan dan die welke bepaald is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling, moet uit het stilzwijgen van de rechter betreffende de termijn voor het verbeuren van de dwangsom worden afgeleid dat de termijn die is bepaald voor de uitvoering van de hoofdveroordeling, ook geldt als termijn die wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening?

3. Moet art. 1, vierde lid van de eenvormige wet aldus worden uitgelegd dat wanneer de rechter een termijn bepaalt om de hoofdveroordeling uit te voeren vanaf het ogenblik dat de hoofdveroordeling in kracht van gewijsde is getreden, dit artikel verhindert dat de rechter een langere termijn voor het verbeuren van de dwangsom toestaat, berekend vanaf de betekening van de beslissing dan de termijn toegestaan voor de uitvoering?

III. Bespreking

4. Art. 1, derde lid van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom bepaalt: “De dwangsom kan niet worden verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij ze is vastgesteld”. Het vierde lid bepaalt: “De rechter kan bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren”.

Het Hof van Cassatie baseert zijn redengeving uitdrukkelijk op de arresten van het Benelux-Gerechtshof van 25 juni 2002 (zaak A 200/3, Jur. 2002, 50, met conclusie van eerste advocaat-generaal J. du Jardin): de termijn die de rechter toekent voor de uitvoering van de hoofdvordering (uitvoeringstermijn) en de termijn gedurende welke volgens de beslissing van de rechter de dwangsom niet is verbeurd (of “délai de grâce” (ibid., rechtsoverweging 8), of respijttermijn) zijn van verschillende juridische aard en strekking.

De eerste termijn (uitvoeringstermijn) is bedoeld om aan de schuldenaar de gelegenheid te geven de tegen hem uitgesproken veroordeling na te komen, zodat de schuldenaar binnen deze termijn geen dwangsom kan verbeuren, daar de dwangsom slechts kan worden opgelegd voor het geval de hoofdveroordeling niet of niet tijdig wordt nagekomen, terwijl de tweede termijn (respijttermijn) ertoe strekt de schuldenaar nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van een dwangsom tot gevolg heeft (ibid., rechtsoverwegingen 10-12). Deze termijnen worden ook omschreven als hersteltermijn, resp. dwangsomtermijn (P. Vansant, “Hersteltermijn en dwangsomtermijn: één termijn met twee gedaanten?” (noot onder Cass. 28 maart 2003), TMR 2003, 611) of nakomingstermijn, resp. verbeuringstermijn (H.J. Snijders, noot onder Beneluxhof A 2003/3, NJ 2003, 5183).

De betekening heeft tot doel de schuldenaar ter kennis te brengen dat de schuldeiser nakoming van de rechterlijke uitspraak verlangt en dat de schuldenaar mitsdien ook ervan op de hoogte gesteld moet worden dat de dwangsomrechter hem nog een bepaalde termijn heeft vergund om aan de veroordeling te voldoen voordat een dwangsom wordt verbeurd. Daaruit volgt dat de termijn als bedoeld in art. 1, vierde lid van de eenvormige wet pas ingaat op het ogenblik van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald (Benelux-Gerechtshof 25 juni 2002, zaak A 2000/3, rechtsoverwegingen 16-18).

Er is dus een duidelijk onderscheid tussen een uitvoeringstermijn en een respijttermijn.

Het cassatiearrest verwijst ook naar het arrest van het Benelux-Gerechtshof van 16 december 2004 (zaak A 2004/1, Jur. 2004, 70, met conclusie van plaatsvervangend advocaat-generaal J.F. Lecercq, TMR 2005, 271-281, noot P. Vansant, “Hersteltermijn en dwangsomtermijn alias uitvoeringstermijn en respijttermijn na het arrest van het Benelux Gerechtshof van 16 december 2004, de fata morgana van de duale termijn dan toch doorprikt?” (278)). Dit arrest beslist wat volgt.

Behoudens de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld, behoeft de schuldeiser van de dwangsom niets te ondernemen om de dwangsom te laten verbeuren. Zodra de termijn waarbinnen de dwangsom niet kan worden verbeurd, voorbij is, gaat het enkel nog om de niet-naleving van de hoofdveroordeling door de schuldenaar van de dwangsom, d.w.z. de niet-naleving van de rechterlijke uitspraak die de dwangsom oplegt. De rechter die een dwangsom oplegt, heeft de vrijheid aan de dwangsomveroordeling al dan niet een respijttermijn als bedoeld in art. 1, vierde lid van de eenvormige wet te verbinden (Benelux-Gerechtshof 16 december 2004, zaak A 2004/1, rechtsoverwegingen 10-12).

5. Met de eerste vraag wenst het Hof van Cassatie te weten of de rechter die een hoofdveroordeling uitspreekt en die hierbij enkel een uitvoeringstermijn bepaalt en een dwangsom oplegt per dag vertraging in de uitvoering, daardoor meteen (of “noodzakelijk en tevens”) een respijttermijn voor de verbeurte van de dwangsom bepaalt.

Wegens de verschillende juridische aard en strekking van beide termijnen, zoals bepaald door de voormelde arresten van 25 juni 2002 van het Benelux-Gerechtshof, is deze vraag niet zonder belang. Deze vraag lijkt me evenwel ontkennend te moeten worden beantwoord.

In deze arresten heeft het Benelux-Gerechtshof immers voor recht gezegd dat de termijn die de dwangsomrechter aan de veroordeelde verleent om een hoofdveroordeling uit te voeren naar zijn aard geen termijn is in de zin van art. 1, vierde lid van de eenvormige wet (rechtsoverweging 13 en dictum 24). Dit is dus geen respijttermijn die de rechter al dan niet kan opleggen. Het opleggen van een respijttermijn is overigens geen vanzelfsprekendheid. Het toekennen ervan behoort tot de modaliteiten van de dwangsom waarover de rechter onaantastbaar oordeelt (conclusie van plaatsvervangend advocaat-generaal J.F. Leclercq voor Benelux-Gerechtshof 16 december 2004, A 2004/1, Jur. 2004, 77, randnr. 3.2, TMR 2005, 271, noot P. Vansant, “Hersteltermijn en dwangsomtermijn alias uitvoeringstermijn en respijttermijn na het arrest van het Benelux Gerechtshof van 16 december 2004, de fata morgana van de duale termijn dan toch doorprikt?” (278) 280).

Dat de rechter een termijn voor de uitvoering van de hoofdveroordeling kan of moet verlenen, wordt niet bepaald door de eenvormige wet, maar wel door het nationale recht (zoals, in dit geval, inzake stedenbouw, door de Belgische wet), terwijl zijn bevoegdheid om een respijttermijn te verlenen wel bepaald is door de eenvormige wet, die immers slechts van toepassing is “voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan”.

Om uit te maken of er sprake is van een respijttermijn, zal dan ook de bedoeling van de rechter moeten worden achterhaald. Daar deze termijn van aard en strekking verschilt van de uitvoeringstermijn, zal de rechter nochtans niet kunnen beslissen dat de uitvoeringstermijn ook het bestaan van een respijttermijn inhoudt.

De arresten van het Belgische Hof van Cassatie van 28 maart 2003 gaan ervan uit dat de toen voor het Hof bestreden arresten aannemen dat de dwangsomrechter gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van art. 1385bis Ger.W., dat overeenstemt met art. 1 van de eenvormige wet. Uit de antwoorden van het Benelux-Gerechtshof, in de arresten van 25 juni 2002, leidt het Hof van Cassatie af dat de uitvoeringstermijn de strekking heeft van een respijttermijn (Cass. 28 maart 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 214, met conclusie van advocaat-generaal met opdracht Thijs en nr. 216, TMR 2003, 611, noot P. Vansant, “Hersteltermijn en dwangsomtermijn: één termijn met twee gedaanten?”, RABG 2003/17, noot B. Maes, “Vanaf welk tijdstip is een dwangsom verbeurd bij een veroordeling wegens een stedenbouwmisdrijf met herstel in de vorige staat binnen een bepaalde termijn?”, RW 2004-05, 137, noot K. Wagner, “Dwangsom en de januskop van de uitvoerings- en respijttermijn”).

Dit wordt in de actuele casus niet vastgesteld. En het is thans precies de bedoeling van de prejudiciële vraagstelling te weten hoe de beslissing van de dwangsomrechter, in het licht van art. 1, derde en vierde lid van de eenvormige wet, moet worden opgevat wanneer uit die beslissing niet blijkt dat de rechter deze bepaling heeft toegepast.

De doctrine blijft verdeeld over de strekking, de verenigbaarheid en de aanvang van beide termijnen en over de interpretatie van zowel de arresten van het Hof van Cassatie van 28 maart 2003 en zijn invulling van de arresten van het Benelux-Gerechtshof van 25 juni 2002 als van laatstgenoemde arresten zelf (zie de hiervoren vermelde annotaties alsook de conclusie van advocaat-generaal C. Vandewal voor Cass. 24 december 2009).

6. Wanneer de rechter bepaalt dat de dwangsom eerst kan worden verbeurd na de termijn voor het uitvoeren van de hoofdveroordeling, verwoordt hij enkel een logisch gevolg, voortvloeiend uit het gegeven dat de dwangsom enkel kan worden opgelegd voor het geval de hoofdveroordeling niet of niet tijdig wordt nagekomen. Uit een dergelijke zinsnede kan dan ook niet zomaar de wil van de rechter worden afgeleid om (tevens) een dwangsomtermijn/respijttermijn in de zin van art. 1385bis Ger.W. (dat overeenstemt met art. 1 van de eenvormige wet) op te leggen (P. Vansant, “Hersteltermijn en dwangsomtermijn alias uitvoeringstermijn en respijttermijn na het arrest van het Benelux Gerechtshof van 16 december 2004, de fata morgana van de duale termijn dan toch doorprikt?” (noot onder Benelux-Gerechtshof 16 december 2004, TMR 2005, (271) 279).

Dat, volgens nationaal recht, de hoofdveroordeling erin kan bestaan dat een herstelmaatregel – wat ook de aard ervan mag zijn, strafrechtelijk of burgerlijk (volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is een herstelmaatregel inzake stedenbouw (in casu een afbraak) een straf in de zin van het EVRM: EHRM nr. 21861/03, 27 november 2007 (Hamer t/ België), Amén. 2008, 136, JLMB 2008, 732, noot T. Bombois, Not.Fisc.M. 2008, 185, noot M. Boes, RABG 2008, 419, noot F. Van Volsem, TMR 2008, 36, noot P. Vansant, TROS 2008, 71, T.Strafr. 2008, 153) – binnen de door de (straf)rechter bepaalde termijn moet worden uitgevoerd en deze termijn loopt zodra deze veroordeling in kracht van gewijsde treedt, ook zonder betekening, onder verbeurte van een dwangsom indien de maatregel niet binnen de bepaalde termijn is uitgevoerd, heeft niet tot gevolg dat, na betekening, wat de dwangsom betreft, eenzelfde termijn, d.i. een respijttermijn van dezelfde duur loopt. Zo’n “automatisme” zou de indruk kunnen wekken dat de schuldenaar, die jarenlang flagrant in gebreke blijft, ten onrechte wordt beloond (B. Maes, “Vanaf welk tijdstip is een dwangsom verbeurd bij een veroordeling wegens een stedenbouwmisdrijf met herstel in de vorige staat binnen een bepaalde termijn?” (noot onder Cass. 28 maart 2003), RABG 2003/17).

Dat de schuldeiser de verbeurde dwangsom wenst te verhalen, staat inderdaad los van de uitvoerbaarheid van de hoofdveroordeling, die door het executierecht in het algemeen en niet door het dwangsomrecht in het bijzonder wordt beheerst.

In strafzaken, die van openbare orde zijn, gaat het er niet om te weten of en wanneer de “schuldeiser”, zoals de bevoegde overheid in stedenbouwzaken, aandringt op de uitvoering van de veroordeling (tot herstel) en dit dus duidelijk zou moeten maken door een betekening van deze titel (wat, naar Belgisch recht, niet hoeft), waaraan de dwangsom als prikkel gekoppeld is. Het straf(proces)recht zelf (bv. toegepast op de ruimtelijke ordening) bepaalt dat een veroordeling moet worden uitgevoerd en dat wordt ook de veroordeelde geacht te weten, al wordt hem de nodige tijd verleend om dit vrijwillig te doen. Hoewel een betekening van de titel vereist is opdat de dwangsom kan worden verbeurd (art. 1.3 van de eenvormige wet), valt het dus niet in te zien waarom vanaf de betekening “eenzelfde” (of “nieuwe”?) termijn om uit te voeren aan de veroordeelde (dan daartoe gedwongen) zou (moeten) worden toegestaan. Hij wordt dan ook niet in een “valstrik” gelokt wanneer de dwangsom meteen na de betekening kan worden verbeurd.

Het Benelux-Gerechtshof heeft vrij recentelijk, bij arrest van 17 december 2009, overwogen: “De rechter is niet verplicht een dwangsom op te leggen. Of hij dat doet, wordt aan zijn beleid overgelaten en zal afhangen van de omstandigheden“ (zaak A 2008/3, Stedenbouwkundig inspecteur Vlaams Gewest t/ Van Baelen R., RW 2010-11, 829, rechtsoverweging 8, met conclusie van advocaat-generaal J.-F. Leclercq).

Art. 1, vierde lid van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom biedt de rechter inderdaad enkel de mogelijkheid een respijttermijn en uiteraard de duur ervan te bepalen. Dit betekent dat hij dit uitdrukkelijk moet doen, minstens dat over zijn bedoeling dit te doen geen twijfel bestaat, maar dus ook dat, wanneer hij niets anders dan een uitvoeringstermijn heeft bepaald en daaraan een dwangsom heeft verbonden, daaruit dan ook niets anders kan worden afgeleid, inzonderheid niet dat dezelfde termijn ook zou gelden als een respijttermijn.

Wanneer enkel een termijn voor de uitvoering van de hoofdveroordeling wordt toegekend, vanaf de dag van haar in kracht van gewijsde treden, kan de opgelegde dwangsom dan ook worden verbeurd vanaf het verstrijken van die termijn, mits de uitspraak die de hoofdveroordeling inhoudt, wordt betekend, zelfs vóór het verstrijken van die termijn, maar zonder dat de betekening een nieuwe termijn, in casu een respijttermijn gelijk aan de uitvoeringstermijn, doet lopen.

Bij een ontkennend antwoord op de eerste vraag is het eraan verbonden gevolg (“zodat de rechter niet vermag te beslissen dat geen of slechts een kortere termijn voor het verbeuren van de dwangsom wordt toegestaan, ...”) niet aan de orde. De beslissingsvrijheid van de rechter om een zelfs kortere respijttermijn toe te staan, is immers niet afhankelijk van zijn beslissing betreffende een uitvoeringstermijn.

7. Met betrekking tot de tweede vraag volgt hieruit noodzakelijkerwijs dat uit het stilzwijgen van de rechter betreffende een (overigens aan zijn beslissingsvrijheid over te laten) respijttermijn, niet kan worden afgeleid dat de uitvoeringstermijn ook geldt als respijttermijn die, wat de dwangsom betreft, pas begint te lopen vanaf de betekening.

8. Met betrekking tot de derde vraag volgt hieruit dan ook dat, wanneer de rechter een uitvoeringstermijn bepaalt, vanaf het ogenblik dat de hoofdveroordeling in kracht van gewijsde is getreden, dit niet verhindert dat hij een langere respijttermijn toestaat, berekend vanaf de betekening van de beslissing, dan de uitvoeringstermijn. Gelet op de verschillende aard en strekking van beide termijnen zou dit doorgaans echter geen zin hebben en, althans in strafzaken, zelfs niet verantwoord zijn, daar de rechter aldus aan het particulier belang meer ruimte zou bieden dan aan het algemeen belang.

IV. Conclusie

9. Op grond van de voormelde redenen ben ik van mening het Hof te kunnen adviseren als volgt te antwoorden op de door het Hof van Cassatie van België gestelde prejudiciële vragen.

1. Art. 1, derde en vierde lid van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom moet niet aldus worden uitgelegd dat, wanneer de rechter een hoofdveroordeling uitspreekt en hiervoor een uitvoeringstermijn bepaalt vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling en daarbij een dwangsom oplegt per dag vertraging in de uitvoering, de termijn die voor de uitvoering is toegestaan, ook geldt als termijn die door de rechter wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening, zodat de rechter niet vermag te beslissen dat geen of slechts een kortere termijn voor het verbeuren van de dwangsom wordt toegestaan, dan die welke is bepaald voor de uitvoering van de hoofdveroordeling vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening.

2. Uit het stilzwijgen van de rechter betreffende de termijn voor het verbeuren van de dwangsom kan niet worden afgeleid dat de termijn die is bepaald voor de uitvoering van de hoofdveroordeling, ook geldt als termijn die wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening.

3. Art. 1, vierde lid van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer de rechter een termijn bepaalt om de hoofdveroordeling uit te voeren vanaf het ogenblik dat de hoofdveroordeling in kracht van gewijsde is getreden, het niet verhindert dat de rechter een langere termijn voor het verbeuren van de dwangsom toestaat berekend vanaf de betekening van de beslissing dan de termijn toegestaan voor de uitvoering.

Arrest

1. Overeenkomstig art. 6 van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof (verder: het Verdrag) heeft het Hof van Cassatie van België, in een arrest van 24 december 2009 gewezen in de zaak van M. en L.V. (hierna: V.) tegen de Gewestelijk Stedenbouwkundig Inspecteur (verder: stedenbouwkundig inspecteur), vragen gesteld van uitleg van de bijlage van de Benelux-Overeenkomst van 26 november 1973 houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom (verder: eenvormige wet betreffende de dwangsom).

Ten aanzien van de feiten

2. Uit het arrest van het Hof van Cassatie blijken de navolgende feiten:

– bij vonnis van 26 mei 2000 veroordeelt de Correctionele Rechtbank te Tongeren V. tot herstel in de vorige staat van een plaats door verwijdering van een boogloods “binnen de termijn van één jaar te rekenen vanaf de datum waarop dit vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen” en tot betaling van een dwangsom van 74,37 euro per dag vertraging in de tenuitvoerlegging;

– dit vonnis treedt in kracht van gewijsde op 11 juni 2000;

– op 11 september 2001 betekent de stedenbouwkundig inspecteur dit vonnis aan V.;

– op 6 maart 2002 betekent de stedenbouwkundig inspecteur een bevel tot betalen aan V. voor verbeurde dwangsommen van 74,37 euro per dag, berekend vanaf 12 september 2001 tot 5 maart 2002, aldus in totaal voor 13.014,75 euro;

– op 2 augustus 2002 betekent de stedenbouwkundig inspecteur een bevel voorafgaand aan uitvoerend onroerend beslag aan V., strekkende tot betaling van het voormelde bedrag aan verbeurde dwangsommen;

– op 2 september 2002 legt de stedenbouwkundig inspecteur uitvoerend onroerend beslag ten laste van V., strekkende tot betaling van het voormelde bedrag aan verbeurde dwangsommen;

– op 10 september 2002 tekent V. verzet aan tegen het uitvoerend beslag;

– bij vonnis van 8 januari 2004 verklaart de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren het verzet gegrond;

– de Correctionele Rechtbank te Tongeren preciseert in een uitleggend vonnis van 11 juni 2004 dat in haar vonnis van 26 mei 2000 de termijn van één jaar, wat de uitvoering van de hoofdveroordeling betreft, ingaat nadat de dwangsombeslissing in kracht van gewijsde is getreden en niet na de betekening van het vonnis;

– bij arrest van 15 februari 2005 hervormt het Hof van Beroep te Antwerpen het beroepen vonnis en verklaart het verzet ongegrond.

De prejudiciële vragen

3. Het Hof van Cassatie oordeelt dat uitlegging van art. 1, derde en vierde lid van de eenvormige wet betreffende de dwangsom noodzakelijk is om uitspraak te kunnen doen; bij arrest van 24 december 2009 heeft het de zaak aangehouden totdat het Benelux-Gerechtshof uitspraak zal hebben gedaan over de drie volgende vragen:

“1. Moet art. 1, derde en vierde lid van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom aldus worden uitgelegd dat wanneer de rechter een hoofdveroordeling uitspreekt en hiervoor een uitvoeringstermijn bepaalt vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling en daarbij een dwangsom oplegt per dag vertraging in de uitvoering, de termijn die voor de uitvoering is toegestaan, ook geldt als termijn die door de rechter wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening, zodat de rechter niet vermag te beslissen dat geen of slechts een kortere termijn voor het verbeuren van de dwangsom wordt toegestaan dan die welke bepaald is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening?

“2. Indien de rechter vermag te beslissen dat geen of slechts een kortere termijn voor het verbeuren van de dwangsom wordt toegestaan dan die welke bepaald is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling vanaf het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling, moet uit het stilzwijgen van de rechter omtrent de termijn voor het verbeuren van de dwangsom worden afgeleid dat de termijn die is bepaald voor de uitvoering van de hoofdveroordeling, ook geldt als termijn die wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening?

“3. Moet art. 1, vierde lid van de eenvormige wet aldus worden uitgelegd dat wanneer de rechter een termijn bepaalt om de hoofdveroordeling uit te voeren vanaf het ogenblik dat de hoofdveroordeling in kracht van gewijsde is getreden, dit artikel verhindert dat de rechter een langere termijn voor het verbeuren van de dwangsom toestaat, berekend vanaf de betekening van de beslissing dan de termijn toegestaan voor de uitvoering?

...

Ten aanzien van het recht

5. Art. 1, derde en vierde lid van de eenvormige wet betreffende de dwangsom bepaalt:

“3. De dwangsom kan niet worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld.

“4. De rechter kan bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren”.

6. Het Benelux-Gerechtshof heeft in zijn arrest A 2004/4 van 25 juni 2002 geoordeeld dat de termijn die de rechter toekent voor de uitvoering van de hoofdveroordeling (uitvoeringstermijn) en de termijn na verloop waarvan de dwangsom zal zijn verbeurd (respijttermijn) een verschillende juridische aard en strekking hebben.

De uitvoeringstermijn geeft de schuldenaar de gelegenheid de tegen hem uitgesproken veroordeling uit te voeren. Gedurende die termijn kan hij geen dwangsom verbeuren daar de dwangsom slechts verschuldigd is indien de hoofdveroordeling niet of niet tijdig is uitgevoerd. Het nationale recht en niet de eenvormige wet betreffende de dwangsom bepaalt de voorwaarden voor het verlenen van die uitvoeringstermijn. De respijttermijn geeft de schuldenaar nog enige tijd de veroordeling na te komen, zonder dat bij niet-nakoming de dwangsom wordt verbeurd. Voor die respijttermijn geldt wel de eenvormige wet betreffende de dwangsom.

7. Het staat aan de rechter te bepalen of hij naast de uitvoeringstermijn ook nog een respijttermijn toekent.

8. Wanneer de rechter enkel beslist dat de uitgesproken veroordeling moet uitgevoerd zijn binnen een bepaalde termijn, dit onder verbeurte van een dwangsom, dan verleent hij de schuldenaar uitsluitend een uitvoeringstermijn en geen respijttermijn.

Daaruit volgt dat na het verstrijken van de uitvoeringstermijn niet nog bijkomend eenzelfde respijttermijn begint te lopen vanaf de betekening.

Wanneer de rechter enkel een uitvoeringstermijn verleent, kan de dwangsom dus verbeurd worden vanaf het verstrijken van die termijn. Vereist is wel dat de uitspraak die de dwangsom bepaalt, aan de schuldenaar is betekend. Die betekening, binnen of buiten de uitvoeringstermijn, verleent geen respijttermijn.

9. De eerste vraag van uitleg die het Hof van Cassatie heeft gesteld, dient derhalve aldus te worden beantwoord dat art. 1, derde en vierde lid van de eenvormige wet betreffende de dwangsom aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de rechter een hoofdveroordeling uitspreekt en hiervoor een uitvoeringstermijn bepaalt vanaf het in kracht van gewijsde gaan van deze veroordeling met oplegging van een dwangsom zonder respijttermijn, de dwangsom verbeurd is indien zowel de uitvoeringstermijn is verstreken als betekening heeft plaatsgehad.

10. Uit het ontkennend antwoord op de eerste vraag volgt, als antwoord op de tweede vraag, dat wanneer de rechter niet uitdrukkelijk een respijttermijn verleent, daaruit niet mag worden afgeleid dat naast de uitvoeringstermijn ook nog een respijttermijn is toegekend die begint te lopen vanaf de betekening.

11. Uit het bovenstaande volgt, als antwoord op de derde vraag, dat wanneer de rechter een uitvoeringstermijn bepaalt, hij daarnaast nog een respijttermijn kan toestaan die begint te lopen vanaf de betekening van de beslissing.

...

Het Benelux-Gerechtshof

Uitspraak doende op de door het Hof van Cassatie van België in zijn arrest van 24 december 2009 gestelde vragen.

Verklaart voor recht

Op de eerste vraag:

13. Art. 1, derde en vierde lid van de eenvormige wet betreffende de dwangsom moet aldus worden uitgelegd dat wanneer de rechter een hoofdveroordeling uitspreekt en hiervoor een uitvoeringstermijn bepaalt vanaf het in kracht van gewijsde gaan van deze veroordeling met oplegging van een dwangsom zonder respijttermijn, de dwangsom verbeurd is indien zowel de uitvoeringstermijn is verstreken als betekening heeft plaatsgehad.

Op de tweede vraag:

14. Uit het stilzwijgen van de rechter betreffende de termijn voor het verbeuren van de dwangsom mag niet worden afgeleid dat de termijn die bepaald is voor de uitvoering van de hoofdveroordeling, ook geldt als termijn die wordt toegestaan voor het verbeuren van de dwangsom en die wat de dwangsom betreft pas begint te lopen vanaf de betekening.

Op de derde vraag:

15. Art. 1, vierde lid van de eenvormige wet betreffende de dwangsom moet aldus worden uitgelegd dat wanneer de rechter een termijn bepaalt om de hoofdveroordeling uit te voeren vanaf het ogenblik dat de hoofdveroordeling in kracht van gewijsde is getreden, dit artikel niet verhindert dat de rechter een langere termijn voor het verbeuren van de dwangsom toestaat, berekend vanaf de betekening van de beslissing, dan de termijn toegestaan voor de uitvoering.

 

Noot: 

K. Wagner, Dwangsom, uitvoeringstermijn, respijttermijn: het Benelux-Gerechtshof trancheert, noot onder vonnis zoals gepubliceerd in het RW

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 04/02/2012 - 23:26
Laatst aangepast op: za, 04/02/2012 - 23:26

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.