-A +A

Dwangsom uitvoering in buitenland vergt exequatuur

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 29/10/2015
A.R.: 
C.14.0386.N

Wanneer een hoofdveroordeling waaraan een dwangsom is verbonden gedeeltelijk in de Bondsrepubliek Duitsland moet worden voldaan, kan de dwangsom in die Staat enkel worden verbeurd wegens niet-nakoming van de hoofdveroordeling, indien de hoofdveroordeling er uitvoerbaar werd verklaard op grond van een exequaturprocedure (1). (1) Zie concl. OM.

 

 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.14.0386.N
UNION CYCLISTE INTERNATIONALE, vereniging naar Zwitsers recht, met zetel te 1860 Aigle (Zwitserland), Chaussée de la Melée 12,
eiseres,
tegen
I. K.,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 7 maart 2014.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 1385bis, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, dat overeen-stemt met artikel 1, lid 1, van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom, kan de rechter op vordering van een der partijen de wederpartij veroordelen tot beta-ling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan.

Krachtens het derde lid van voornoemde bepaling, dat overeenstemt met artikel 1, lid 3, van de Eenvormige Wet, kan de dwangsom niet worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld.

2. Zoals blijkt uit het arrest in de zaak A84/3 van het Benelux Gerechtshof van 5 juli 1985, volgt uit deze bepaling dat de dwangsom enkel verbeurd wordt indien de hoofdveroordeling waaraan zij is verbonden, niet wordt voldaan. Hiertoe is vereist dat de hoofdveroordeling voor gedwongen tenuitvoerlegging vatbaar is.

3. Krachtens artikel 1 (1) van de Overeenkomst van 30 juni 1958 tussen het Koninkrijk België en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de erkenning en wederzijdse tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, scheidsrechterlijke uitspraken en authentieke akten in burgerlijke zaken of in handelszaken, dat over-eenstemt met artikel 33.1 van de Verordening nr. 44/2001 van de Raad van 22 de-cember 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuit-voerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Verordening), worden rechterlijke beslissingen, waarbij de rechten van partijen definitief zijn vastgesteld, ongeacht de rechtsmiddelen die nog zouden openstaan, in de andere Staat erkend tenzij een weigeringsgrond voorhanden is.

Krachtens artikel 6 (1) van voormelde Overeenkomst, dat overeenstemt met artikel 38.1 van de EEX-Verordening, kunnen de rechterlijke beslissingen die in een van beide Staten uitvoerbaar zijn en overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst in de andere Staat erkend kunnen worden, op het grondgebied van die Staat ten uitvoer worden gelegd nadat zij er uitvoerbaar zijn verklaard.

4. Uit het vorenstaande volgt dat wanneer een hoofdveroordeling waaraan een dwangsom is verbonden gedeeltelijk in de Bondsrepubliek Duitsland moet wor-den voldaan, de dwangsom in die Staat enkel kan worden verbeurd wegens niet-nakoming van de hoofdveroordeling, indien de hoofdveroordeling er uitvoerbaar werd verklaard op grond van een exequaturprocedure.

5. De appelrechters stellen vast dat:

- bij tussenarrest van 10 november 2010 de tenuitvoerlegging van de arbitrale beslissing van het TAS van 6 juli 2010 werd geschorst, waarbij de verweerder werd geschorst in de uitoefening van zijn beroepsactiviteiten, en de eiseres veroordeeld werd om hieraan gevolg te geven onder verbeurte van een dwang-som van 100.000 euro;

- het tussenarrest van 10 november 2010 de werking van de hoofdveroordeling tot schorsing niet tot België heeft willen beperken;

- het tussenarrest van 10 november 2010 aan de eiseres werd betekend op 6 ja-nuari 2011;

- de eiseres twee inbreuken heeft gepleegd op de hoofdveroordeling in het tus-senarrest van 10 november 2010 door de verweerder te verbieden om deel te nemen aan de zesdaagse wielerwedstrijd van Rotterdam en aan de zesdaagse wielerwedstrijd van Bremen.

De appelrechters oordelen vervolgens dat "als een Belgische rechter een veroor-deling uitspreekt die in het buitenland moet worden nagekomen, zoals hier het ge-val is, dat in geval van niet-nakoming de verbeurte van een dwangsom kan ople-veren die in België kan ingevorderd worden", dat "voor de verbeurte van de opge-legde dwangsom niet vereist is dat er voor de tenuitvoerlegging van de hoofdver-oordeling in het buitenland een exequatur bekomen werd" en dat "aldus vaststaat dat betreffende zesdaagse van Bremen, [de eiseres] het haar opgelegde bevel om gevolg te geven aan de voorlopige schorsing van de tenuitvoerlegging van de be-slissing van het T.A.S. van 6 juli 2010, overtreden heeft zodat de dwangsom van 100.000,00 euro verbeurd is."

6. Door aldus te oordelen dat een dwangsom kan verbeuren wegens niet-nakoming van de hoofdveroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland, zonder dat de hoofdveroordeling in die Staat uitvoerbaar werd verklaard op grond van een exequaturprocedure, schenden de appelrechters de hierboven vermelde wettelijke bepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer


C.14.0386.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:
I. SITUERING
1. Verweerder werd bij arbitrale beslissing van het Internationaal Sporttribunaal (TAS) geschorst als beroepswielrenner voor een periode van twee jaar.
2. Bij tussenarrest van 10 november 2010 van het hof van beroep te Brussel werd de tenuitvoerlegging van deze beslissing, op vordering van verweerder, voorlopig geschorst en werd eiseres (in afwachting van het verder te wijzen eindarrest in kort geding) opgelegd hieraan gevolg te geven onder verbeurte van een dwangsom.
3. Voormeld tussenarrest werd aan eiseres betekend die zich evenwel omwille van de territoriale werking van het tussenarrest tegen de deelname van verweerder aan wedstrijden buiten België verzette, waardoor deze niet kon aantreden in verschillende buitenlandse zesdaagsen.
4. Als gevolg daarvan legde verweerder lastens eiseres uitvoerend beslag onder derden om de in het tussenarrest van 10 november 2010 opgelegde dwangsom in te vorderen.
5. Het verzet van eiseres daartegen werd door het bestreden arrest afgewezen.
6. Tegen deze beslissing voert eiseres een enig middel tot cassatie aan dat op twee onderdelen berust.
II. BESPREKING VAN HET MIDDEL
1. In het eerste onderdeel voert eiseres aan dat uit de bilaterale Belgisch-Duitse Overeenkomst(1) volgt dat een Belgische beslissing in Duitsland een exequaturprocedure moet doorlopen om er uitvoerbaar te zijn en dat pas na het verkrijgen van de uitvoerbaarverklaring de Belgische beslissing eenzelfde uitwerking in Duitsland heeft als in België. Hieruit vloeit volgens eiseres voort dat de hoofdveroordeling waaraan een dwangsom wordt gekoppeld, in Duitsland niet voor gedwongen tenuitvoerlegging vatbaar is zonder uitvoerbaarverklaring, zelfs als de Belgische beslissing reeds werd betekend.
2. Indien de bilaterale Belgisch-Duitse Overeenkomst toch niet van toepassing zou zijn op een Belgische rechterlijke beslissing die een arbitrale uitspraak schorst en die in Duitsland moet worden tenuitvoergelegd, werpt eiseres in het tweede onderdeel daaromtrent op dat in dat geval als algemene wetgevende bron voor de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen uitgesproken na 1 maart 2002 door een EU-lidstaat in een andere EU-lidstaat de Verordening (EG) nr. 44/2001(2) (EEX-Verordening) geldt om tot dezelfde vaststelling te komen.
3. Op grond van de betwisting rijst in deze aldus de vraag of een dwangsom kan verbeuren voor niet-nakoming in het buitenland van een hoofdveroordeling, uitgesproken door de Belgische rechter, en of deze dwangsom door de Belgische rechter kan worden ingevorderd.
4. Waar de rechter op vordering van één der partijen de wederpartij kan veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan (Art. 1385bis, eerste lid, Ger. W.), kan deze dwangsom niet verbeurd worden vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld (Art. 1385bis, derde lid, Ger. W.).
5. Als dusdanig is de dwangsom een indirect executiemiddel dat als geldelijke prikkel dient tot nakoming van de hoofdveroordeling en slechts accessoir aan die hoofdveroordeling kan worden opgelegd(3).
6. In het algemeen kan in dat verband worden gesteld dat het verbeuren van een opgelegde dwangsom in het Belgisch recht onderworpen is aan twee voorwaarden: de beslissing die de dwangsom oplegt moet uitvoerbaar zijn, en ze dient aan de schuldenaar te worden betekend.
7. De betekening heeft tot doel dat aan de schuldenaar wordt ter kennis gebracht dat de schuldeiser nakoming van de rechterlijke uitspraak verlangt. Zonder betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom werd vastgesteld, kan deze niet verbeuren(4). Alzo wordt enerzijds voorkomen dat de dwangsom zou kunnen worden verbeurd ten gevolge van een aan de debiteur onbekende uitspraak, en wordt anderzijds aan de zijde van de schuldenaar iedere twijfel weggenomen over het feit dat de schuldeiser aanspraak maakt op de nakoming van de hoofdveroordeling(5).
8. Nu de dwangsom een executiemiddel uitmaakt, impliceert de verbeuring van de dwangsom een uitvoerbare rechterlijke veroordeling. Zulks houdt in dat, in geval de gedwongen tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling is geschorst, de dwangsom derhalve niet verbeurd kan worden(6).
9. De bilaterale Belgisch-Duitse Overeenkomst van 30 juni 1958 werd bij artikel 69 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000, met ingang van 1 maart 2002 (artikel 76), vervangen door deze EEX-Verordening. Overeenkomstig artikel 70 van deze Verordening blijven de in artikel 69 vermelde verdragen en overeenkomsten evenwel van kracht voor onderwerpen waarop deze verordening niet van toepassing is. Wat het toepassingsgebied betreft, bepaalt artikel 1.2.d) van de EEX-Verordening dat zij niet van toepassing is op de arbitrage.
10. Zowel arbitrageprocedures als rechterlijke procedures die verband houden met arbitrage worden aldus in principe van het toepassingsgebied van deze verordening uitgesloten(7). Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in de loop van de tijd bepaald wat onder deze arbitrage-uitzondering moet worden begrepen. Zo diende men volgens het Hof, om te bepalen of het Executieverdrag op een geding van toepassing is, (alleen) te letten op het onderwerp van het geding(8), maar het voegt daar achteraf aan toe dat of Verordening nr. 44/2001 erop kan worden toegepast, inzonderheid wordt bepaald door de aard van de rechten die door de betrokken procedure worden bewaard(9).
11. Bovendien wordt door het Hof in dat verband er eveneens aan herinnerd dat het Executieverdrag niet van toepassing is op rechterlijke beslissingen waarin de geldigheid of ongeldigheid van een arbitrageovereenkomst wordt vastgesteld of waarbij de partijen wordt bevolen de arbitrageprocedure niet voort te zetten vanwege die ongeldigheid, en evenmin op procedures of beslissingen over verzoeken tot vernietiging, wijziging, erkenning en tenuitvoerlegging van arbitrale uitspraken(10).
12. Waar in deze het tussenarrest van 10 november 2010 van het hof van beroep te Brussel een rechterlijke beslissing betreft waarin als hoofdveroordeling een arbitrale uitspraak wordt geschorst, waaraan eiseres moet voldoen onder verbeurte van een dwangsom, komt het mij op basis van de hierboven vermelde benadering dan ook voor dat de EEX-Verordening aldus niet van toepassing is.
13.Bijgevolg is de bilaterale Belgisch-Duitse Overeenkomst van 30 juni 1958 van toepassing op een rechterlijke beslissing in België die als hoofdveroordeling een arbitrale uitspraak schorst, en die gedeeltelijk in Duitsland (Bremen) moet worden nagekomen.
14. Ingevolge het territorialiteitsbeginsel heeft een rechter enkel executiebevoegdheid op het grondgebied van de eigen lidstaat. Dit brengt mee dat een binnenlandse beslissing in het buitenland in principe dus niet uitvoerbaar is zonder uitvoerbaarheidsverklaring (exequatur). Hieruit volgt dat een door de Belgische rechter uitgesproken hoofdveroordeling in het buitenland enkel uitvoerbaar is wanneer ze aldaar uitdrukkelijk uitvoerbaar is verklaard op basis van een exequaturprocedure(11).
15. Hoewel in de rechtspraak en rechtsleer een tendens bestaat om een hoofdveroordeling die onder verbeurte van een dwangsom wordt uitgesproken ook grensoverschrijdend te laten werken, zodat de dwangsom ook kan verbeuren voor niet-nakoming van een hoofdveroordeling in het buitenland, zonder dat daar een bijkomend exequatur voor nodig is(12), sluit de hierboven vermelde formele toepassing van het territorialiteitsbeginsel naar mijn aanvoelen ook aan bij een strikte implementatie van de Unierechtelijke bepalingen, te weten artikel 38.1 van de EEX-Verordening (dat overeenstemt met artikel 6 (1) van de bilaterale Belgische-Duitse Overeenkomst van 30 juni 1958), op grond waarvan de beslissingen die in een lidstaat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, in een andere lidstaat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard. Waar deze bepalingen geen onderscheid maken tussen de aard van de maatregelen, nl. tussen rechtstreekse of onrechtstreekse executiemaatregelen (zoals de dwangsom) waarvan melding in de andersluidende strekking(13), komt het mij op grond van deze bepalingen dan ook aangewezen voor dat alle rechtelijke beslissingen zonder onderscheid uitvoerbaar moeten worden verklaard om grensoverschrijdend uitvoering te kunnen krijgen.
16. Tot slot kan de interpretatie van een recent arrest van het Hof van Justitie van 12 april 2011(14) m.i. deze strekking ondersteunen. In dit arrest oordeelt (de Grote Kamer van) het Hof m.b.t. een eerste prejudiciële vraag (betreffende de reikwijdte van een verbod op inbreuk op een gemeenschapsmerk en de mogelijkheid van de verbeurte van een dwangsom bij niet-nakoming van dit verbod in een andere lidstaat) dat de territoriale werking van een verbod op voortzetting van inbreuken of dreigende inbreuken op een gemeenschapsmerk zich in beginsel uitstrekt tot het hele grondgebied van de Unie. Het Hof voegt hier (r.o. 49) echter aan toe: "Evenwel moeten de overige lidstaten overeenkomstig artikel 90 van verordening nr. 40/94 (dat de toepassing van het Verdrag van Brussel betreft), gelezen in samenhang met artikel 33, lid 1, van verordening nr. 44/2001, in beginsel de rechterlijke beslissing erkennen en ten uitvoer leggen, waardoor aan deze beslissing grensoverschrijdende gevolgen worden verleend". Hieruit volgt m.i. dat een verbod onder verbeurte van een dwangsom aldus enkel een grensoverschrijdende uitwerking kan hebben - en de dwangsom dus enkel kan verbeuren wegens gedragingen in een andere lidstaat - op voorwaarde dat de beslissing die dit verbod uitspreekt uitvoerbaar wordt verklaard in die andere lidstaat.
16.1 Op de derde en vierde prejudiciële vraag (betreffende de uitvoerbaarheid van dwangmaatregelen in een andere lidstaat) antwoordt het Hof bovendien (r.o. 55) dat opdat een (dergelijke) dwangmaatregel rechtsgevolgen sorteert op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat van de rechtbank die deze heeft vastgesteld, een daartoe geadieerde rechterlijke instantie van deze andere lidstaat overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van verordening nr. 44/2001 (Erkenning en tenuitvoerlegging) deze maatregel moet erkennen en ten uitvoer leggen volgens de voorschriften en modaliteiten van het nationale recht van laatstgenoemde lidstaat.
16.2 Het Hof oordeelt dus expliciet dat voor de tenuitvoerlegging van een verbeurde dwangsom in het buitenland een uitvoerbaarverklaring nodig is. In samenhang met de lezing van de hiervoor geciteerde passage r.o. 49 geldt echter dat ook voor de verbeurte van een dwangsom wegens gedragingen in het buitenland, waarbij de dwangsom in het binnenland wordt ingevorderd, een uitvoerbaarverklaring van de hoofdveroordeling in het buitenland nodig is.
17. Op grond van de hierboven vermelde zienswijze en rechtvaardiging, en zonder dat daardoor op een juridisch onverantwoorde en onherroepelijke wijze afbreuk zou worden gedaan aan de efficiëntie als procedure-instrument waar de dwangsom proceseconomisch voor staat(15), ben ik dan ook de mening toegedaan dat de appelrechters hun beslissing niet naar recht verantwoorden, en dat het middel derhalve gegrond is.
III. CONCLUSIE: VERNIETIGING.
_________________________
(1) Overeenkomst van 30 juni 1958 tussen het Koninkrijk België en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de erkenning en de wederzijdse tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, scheidsrechterlijke uitspraken en authentieke akten in burgerlijke zaken of in handelszaken. (BS 18 november 1960).
(2) Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
(3) Beneluxhof nr. A 2008/2 en nr. A 2008/3, 17 december 2009, Benelux Jur. 2011, 25 en 45, concl. J-F LECLERCQ.
(4).Beneluxhof nr. A 2000/3 en 2000/4, 25 juni 2002; Cass. 20 september 2002, AR C.97.0383.N, AC 2002, nr. 466.
(5) E. DIRIX, Executieproblemen met betrekking tot de dwangsom, in De dwangsom, Jura Falconis Libri, 1998, 44.
(6) Beneluxhof nr. A 84/3, 5 juli 1985, Benelux Jur. 1985, 115; zie ook Cass. 28 maart 2003, AR C.02.0248.N, AC 2003, nr. 215, met concl. van advocaat-generaal THIJS.
(7) B. DEN TANDT, Europees internationaal privaatrecht en arbitrage: een introductie, in G. VAN CALSTER (ed.), Themis, Internationaal privaatrecht, Brugge, die Keure, 2012, 19-21, nrs. 2-5.
(8) HvJ 25 juli 1991, C-190/89, Rich, r.o. 26.
(9) HvJ 17 november 1998, C-391/95, VAN UDEN, r.o. 33-34; HvJ 10 februari 2009, C-185/07, Allianz, r.o. 22.
(10) HvJ 17 november 1998, C-391/95, VAN UDEN, r.o. 32.
(11) G. DE LEVAL en J. VAN COMPERNOLLE, Les problèmes posés par l'exécution de l'astreinte, in I. MOREAU-MARGRÈVE e.a. (eds.), Tien jaar toepassing van de dwangsom, Brussel, Creadif, 1991, 241; E. DIRIX, Executieproblemen met betrekking tot de dwangsom, in Jura Falconis Libri (ed.), De dwangsom, Leuven, 1999, 60; J. VAN COMPERNOLLE, L'astreinte. Règles générales et champ d'application, in G. DE LEVAL en J. VAN COMPERNOLLE (eds.), Saisies et astreinte, CUP, 2003, 216; K. WAGNER, Dwangsom, in APR, Mechelen, Kluwer, 2003, 203.
(12) Volgens deze strekking geldt een uitzondering op het territorialiteitsbeginsel voor een hoofdveroordeling waaraan een dwangsom verbonden is, en is deze hoofdveroordeling een maatregel (in personam) die aan de persoon zelf kleeft en een verbintenis inhoudt om iets te geven, te doen of na te laten. Deze maatregel moet door die persoon overal - zowel in het binnenland als in het buitenland - worden nagekomen. De dwangsom die aan die hoofdveroordeling wordt gekoppeld is slechts een onrechtstreekse executiemaatregel, waarop het territorialiteitsbeginsel volgens deze visie niet onverkort van toepassing is en enkel geldt voor rechtstreekse executiemaatregelen (M. NIOCHE, La décision provisoire en droit international privé européen, Brussel, Bruylant, 2012, nr. 343; G. DE LEVAL, Art. 1385quater C. jud., in F. GEORGES (ed.), La jurisprudence du Code judiciaire commentée, IV, Saisies, Brugge, die Keure, 2009, 39; E. DIRIX en K. BROECKX, Beslag, in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, 72-73; R. FRANSIS, Het territorialiteitsbeginsel in het executierecht, RW 2009-2010, 227). Aangezien een hoofdveroordeling, die betekend werd en uitvoerbaar is in een bepaald land, volgens deze benadering sowieso ook grensoverschrijdend moet worden nagekomen, kan de dwangsom aldus verbeuren wegens niet-nakoming in een ander land, zonder dat aldaar een uitvoerbaarverklaring nodig is op grond van een exequaturprocedure (J. ERAUW, Internationaal privaatrecht, in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, XVII, Mechelen, Kluwer, 2009, 193, nr. 127; M. NIOCHE, o.c., nr. 378; T. SCHOORS en P. DEBAENE, De dwangsom in een grensoverschrijdende context, RW 2005-2006, (1001), 1005-1008; J. VAN COMPERNOLLE en G. DE LEVAL, Astreintes encourues aux Pays-Bas et recouvrées en Belgique, Larcier, Ius et Actores 2013, 64; J. VAN COMPERNOLLE en G. DE LEVAL, L'astreinte, Brussel, Bruylant, 2013, 44, nr. 37).
De benadering dat een hoofdveroordeling waaraan een dwangsom wordt gekoppeld ook grensoverschrijdend uitwerking heeft, wordt ook gevolgd door bepaalde rechtspraak in Frankrijk (Cass. Fr. Civ. 19 november 2002, JCP 2002, nr. II. 10.201, 2296) en Nederland (Hoge Raad 24 november 1989, NJ 1992, nr. 404, p. 1606; Hoge Raad 19 maart 2004, nr. C 02/110 HR, r.o.3.4.3). Tot slot oordeelde het Benelux-Gerechtshof in een arrest van 26 maart 1993 dat geen enkele bepaling van het Benelux-Verdrag inzake de warenmerken of de Eenvormige Beneluxwet op de merken, noch het systeem van deze wet, noch enig beginsel van het Beneluxmerkenrecht de rechter van een van de verdragsstaten belet volgens het nationale toepasselijke recht een verbod van een inbreuk op een merk in de andere verdragsstaten uit te spreken (RW 1992-93, 1441).
(13) Zie supra voetnoot (12).
(14) HvJ 12 april 2011, C - 235/09, DHL Express France SAS t. Chronopost S.A.
(15) T. SCHOORS en P. DEBAENE, De dwangsom in een grensoverschrijdende context, RW 2005-2006, (1001), 1007-1009.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 12/04/2016 - 14:03
Laatst aangepast op: di, 12/04/2016 - 14:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.