-A +A

Dwangsom in kortgeding versus uitspraak ten gronde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Benelux gerechtshof
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 22/02/2011

Een dwangsom opgelegd door een kortgedingrechter, verliest elke uitwerking van zodra een vonnis ten gronde de dwangsom afwijst, zelfs wanneer het vonnis ten gronde niet uitvoerbaar bij voorraad is. 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2012-2013
Pagina: 
510
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

VZW RCR t/ R.

...

In het ten uitvoer gelegde arrest overweegt het hof: “Het ligt niet op de weg van [het] hof om hier en nu deze rechtsvragen te beslechten, maar vast staat dat er ernstige betwisting bestaat over de wettigheid van de rechten waarop geïntimeerden zich in hun verweer beroepen”.

Het hof voert een verder onderzoek en overweegt verder: “De hierboven gemaakte analyse van de in het geding zijnde rechten van partijen, de afweging van hun respectieve belangen, het onderzoek naar de betwisting over de wijze waarop eerste geïntimeerde de hem toegekende bevoegdheid tot dusver heeft uitgeoefend en tweede geïntimeerde zich tot dusver van haar verbintenissen heeft gekweten, brengen het hof ertoe om in afwachting van de beslissing van de bodemrechter de vordering alsnog in te willigen”.

In het dictum wordt het (...) bevel gegeven aan geïntimeerden en dit “in afwachting van de uitspraak ten gronde”.

4.1. Uit war voorafgaat volgt dat het hof van beroep het gegeven bevel – zo in de overwegingen als in het dictum – in uitdrukkelijke bewoordingen heeft beperkt in de tijd en met name totdat er een uitspraak ten gronde is geveld. In het arrest wordt niet beslist dat het gegeven bevel geldt totdat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis wordt gewezen of totdat het te vellen vonnis kracht van gewijsde heeft verworven.

Zelfs al zou met appellante nog dienen te worden aangenomen dat het door de kortgedingrechter gegeven bevel in algemene regel uitvoerbaar blijft totdat een uitvoerbaar vonnis van de bodemrechter is geveld, dan nog kan appellante in dit geval niet zonder schending van het gezag van het rechterlijk gewijsde van de ten uitvoer gelegde titel worden gevolgd wanneer zij aanvoert dat het gegeven bevel blijft gelden en – krachtens de geëxecuteerde titel – dient te worden nagekomen totdat een vonnis van de bodemrechter, dat uitvoerbaar is, wordt verleend. Aldus zou aan de ten uitvoer gelegde titel worden geraakt, in die zin dat de periode, waarbinnen het bevel (...) dient te worden nageleefd, wordt verlengd.

4.2. Anders dan appellante aanvoert, houdt een in kort geding verleende beschikking trouwens op uitwerking te hebben vanaf de uitspraak van de andersluidende beslissing van de bodemrechter, die gezag van rechterlijk gewijsde heeft vanaf haar uitspraak (art. 24 Ger.W.) en dit gezag blijft behouden zolang ze niet ongedaan is gemaakt (art. 26 Ger.W.). De aanwending van een rechtsmiddel staat, anders dan appellante aanvoert, het verder bestaan van dit gezag van het rechterlijk gewijsde niet in de weg. Niet vereist is dat de uitspraak van de bodemrechter uitvoerbaar zou zijn, opdat de kortgedingbeschikking haar gelding en uitvoerbare kracht zou verliezen.

Dit is trouwens te verantwoorden door de vaststelling dat de beschikking in kort geding geen nadeel toebrengt aan de zaak zelf (art. 1039, eerste lid Ger.W.), dat de kortgedingrechter zich beperkt tot een beoordeling van de ogenschijnlijke rechten van de partijen, dat de kortgedingrechter een bewarende maatregel mag nemen van zodra het recht waarschijnlijk genoeg is om zijn beslissing te verantwoorden en dat het kennelijk volstaat dat in dat verband de kortgedingrechter geen rechtsregels onredelijk betrekt in zijn beoordeling van de voornoemde ogenschijnlijke rechten. Dit is ook hier het geval en geldt te dezen des te meer, gelet op hiervoor geciteerde overwegingen, waarin onder meer werd overwogen dat het niet op de weg van het hof ligt om de in het arrest beschreven rechtsvragen te beslechten. Bijgevolg zal het rechterlijk gewijsde van de beslissing van de bodemrechter, waarin – anders dan in een beslissing van de kortgedingrechter – de materieelrechtelijke aanspraken van partijen na een diepgaand onderzoek ten gronde worden beslecht, eraan in de weg staan dat een kortgedingbeslissing, die de hiervoor beschreven aard heeft en die als zending heeft een ordemaatregel te zijn, verder uitwerking heeft. Dit geldt ook al heeft de beslissing van de bodemrechter geen kracht van gewijsde en ook al is ze niet uitvoerbaar bij voorraad. Het standpunt van appellante zou het absurde gevolg meebrengen dat de beslissing van de kortgedingrechter, die de aanspraken prima facie beslecht, verder en in strijd met een beslissing van de bodemrechter, die de aanspraken ten gronde ontmoet en na een diepgaand onderzoek beslecht, wordt uitgevoerd.

...
 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 22/11/2012 - 23:09
Laatst aangepast op: do, 22/11/2012 - 23:09

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.