-A +A

Drukpersmisdrijf vereist beoordeling van de geuite mening

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 07/12/2004
A.R.: 
P041006N

Een drukpersmisdrijf is het misdrijf gepleegd door misbruik van een meningsuiting door middel van gedrukte en ruchtbaar gemaakte geschriften; de beoordeling van dergelijk misdrijf vereist derhalve de beoordeling van de geuite mening (1). (1) Cass., 11 dec. 1979, A.C., 1979-1980, 452; 21 okt. 1981, AR 1902, A.C., 1981-1982, 271; 9 okt. 1985, AR 4319, nr 77; 17 jan. 1990, AR 7768, nr 306; DUPONT, L. en VERSTRAETEN, R., Handboek Belgisch Strafrecht, 1990, p. 177 e.v., nr 277-287; HANOTIAU, M., 'Le délit de presse: insolite, arbitraire et fragile', Journ. procès, 1990, nr 169; p. 35-38; LEMMENS, K., La presse et la protection juridique de l'individu. Attention aux chiens de garde, Bruxelles, Larcier, 2004, p.349, nr 480.

Misbruik van door inzage in het strafdossier verkregen inlichtingen, zelfs door middel van gedrukte en ruchtbaar gemaakte geschriften, vereist geen beoordeling van een mening en is derhalve geen drukpersmisdrijf, zodat de beoordeling van dat wanbedrijf toekomt aan de correctionele rechtbank.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.04.1006.N
M. J. A. G.,
eiser, beklaagde,
tegen
S. J.,
verweerder, burgerlijke partij.

I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 25 mei 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer.

II. Rechtspleging voor het Hof

III. Cassatiemiddelen

Eiser stelt in een memorie twee middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

IV. Beslissing van het Hof

A. Onderzoek van de middelen

1. Eerste middel

1.1. Eerste onderdeel

Overwegende dat artikel 150 Grondwet bepaalt dat de jury wordt ingesteld voor alle criminele zaken, alsmede voor politieke en drukpersmisdrijven, behoudens voor drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie ingegeven zijn; dat een drukpersmisdrijf het misdrijf is gepleegd door misbruik van een meningsuiting door middel van gedrukte en ruchtbaar gemaakte geschriften; dat de beoordeling van dergelijk misdrijf de beoordeling van de geuite mening vereist;

Overwegende dat het misbruik van door de inzage in het strafdossier verkregen inlichtingen, zelfs door middel van gedrukte en ruchtbaar gemaakte geschriften, evenwel geen beoordeling van een mening vereist en derhalve geen drukpersmisdrijf is; dat de beoordeling van dat wanbedrijf toekomt aan de correctionele rechtbank;

Dat het onderdeel faalt naar recht;

1.2. Tweede onderdeel

Overwegende dat het onderdeel dat gericht is tegen een overtollige reden, niet ontvankelijk is;

2. Tweede middel

2.1. Eerste onderdeel

Overwegende dat om reden dat de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting plichten en verantwoordelijkheden meebrengt, artikel 10.2 EVRM beperkingen aan deze vrijheid toelaat; dat deze beperkingen tot gevolg kunnen hebben dat bepaalde inlichtingen of denkbeelden niet kunnen worden ontvangen of verstrekt;

Overwegende dat het verbod dat artikel 460ter Strafwetboek aan de inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij oplegt om misbruik te maken van door inzage van het dossier verkregen inlichtingen met het oog op de bescherming van het gerechtelijk onderzoek, het privé-leven of de morele integriteit van de in het dossier genoemde persoon, beantwoordt aan de door artikel 10.2 EVRM gestelde vereisten en doeleinden;

Overwegende dat de appèlrechters door eiser te veroordelen wegens mededaderschap aan inbreuk op het artikel 460ter Strafwetboek de waarborg van de vrijheden van meningsuiting, nieuwsgaring en informatieverstrekking van artikel 10.1 EVRM niet miskennen;

Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen;

Overwegende, voor het overige, dat de appèlrechters eisers verweer beantwoorden;
Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist;

2.2. Tweede onderdeel

Overwegende dat de rechter niet alleen moet oordelen of een door de wet gestelde beperking aan de in artikel 10.1 EVRM bedoelde vrijheden in concreto beantwoordt aan de vereisten en doeleinden van artikel 10.2 EVRM, maar tevens in concreto moet nagaan of de door hem op te leggen sanctie evenredig is met de vermelde doeleinden;

Overwegende dat de appèlrechters vooreerst oordelen dat artikel 460ter Strafwetboek, waardoor het misbruik door de inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij van door de inzage in het strafdossier verkregen inlichtingen strafbaar wordt gesteld, beantwoordt aan de door artikel 10.2 EVRM gestelde beperkingen;

Dat zij oordelen dat een ander oordeel "het nefaste gevolg (zou) inhouden dat de journalistieke druk op inverdenkinggestelden en burgerlijke partijen tot het zo vlug mogelijk bekomen van een kopie van een strafdossier nog groter wordt, en dat uiteindelijk het geheim van het vooronderzoek, gekoppeld aan het vermoeden van onschuld van ieder die in verdenking wordt gesteld, volkomen ondermijnd wordt";

Dat zij zodoende nagaan of de schuldigverklaring in concreto noodzakelijk en in verhouding is met de door artikel 10 EVRM beschermde vrijheden en de daarop toegestane beperkingen en eisers verweer beantwoorden;

Overwegende dat de appèlrechters vervolgens met de redenen die zij vermelden en die door het onderdeel niet worden bekritiseerd, in concreto de afweging van de op te leggen sanctie maken;

Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;

2.3. Derde onderdeel

Overwegende dat de omstandigheid dat artikel 10.1 EVRM ook de nieuwsgaring en het bronnengeheim van de journalist waarborgt, niet belet dat de wettelijke beperkingen aan de vrijheid van meningsuiting die beantwoorden aan de vereisten en doeleinden van artikel 10.2 EVRM, ook voor hem gelden;

Overwegende dat de bedoelde wettelijke beperkingen niet vereisen dat onder meer de inlichtingen onwettig verkregen zijn, onjuist zijn of geen zaak van openbaar belang betreffen;

Overwegende dat de appèlrechters door eiser te veroordelen wegens mededaderschap aan inbreuk op het artikel 460ter Strafwetboek de uit artikel 10.1 EVRM afgeleide persvrijheid niet miskennen;

Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen;

Overwegende, voor het overige, dat het Hof ten volle de wettigheid van het bestreden arrest kan toetsen;

Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist;

B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;

OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Gezegde kosten begroot op de som van vierennegentig euro vierenzeventig cent verschuldigd.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel,  en uitgesproken in openbare terechtzitting van zeven december tweeduizend en vier

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 27/12/2017 - 12:16
Laatst aangepast op: wo, 27/12/2017 - 12:17

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.