-A +A

Dringende noodzakelijkheid en Raad voor Vergunningsbetwistingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Andere
Datum van de uitspraak: 
din, 21/04/2015

De procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is een ernstige verstoring van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt aanzienlijk de rechten van verdediging van de verwerende partij en van eventuele belanghebbenden.

Deze procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven en mag alleen worden aangewend wanneer het uiterst dringende karakter meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partijen duidelijk en onomstootbaar wordt aangetoond.

De verzoekende partijen in een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid moeten bewijzen dat zij bij het instellen van de vordering met de vereiste spoed en diligentie zijn opgetreden. Zij moeten tevens, op basis van precieze, pertinente en concrete gegevens, aannemelijk maken dat zij de vernietigings- of de gewone schorsingsprocedure niet kunnen afwachten of dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, wanneer ze pas na de afwikkeling van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat komt om hun belangen veilig te stellen.

Artikel 40, § 1 en 2 DBRC-decreet bepaalt dat het verzoekschrift “in voorkomend geval” de redenen omschrijft op grond waarvan, bij wijze van voorlopige voorziening, om de schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing wordt verzocht.

Artikel 56, § 1, 3° van het procedurebesluit bepaalt dat het verzoekschrift, in geval van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een uiteenzetting bevat van de redenen die, volgens de verzoekende partij(en), de hoogdringendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dat verzoekschrift wordt ingeroepen.

Artikel 57, 2° van hetzelfde besluit bepaalt dat de verzoekende partij(en) “in voorkomend geval” bij het verzoekschrift de overtuigingsstukken voegt (of voegen) die aantonen dat de schorsing uiterst dringend noodzakelijk is.

Uit deze bepalingen volgt dat het toekomt aan de verzoekende partijen, die kiezen voor het instellen van de uitzonderingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, om door middel van uiteenzettingen in het verzoekschrift en “in voorkomend geval” door het bijbrengen van documenten, te overtuigen dat de gegevens en de gevolgen van de zaak dermate imminent en dringend zijn, dat alleen de uitzonderingsprocedure, die uit de aard ervan gepaard gaat met uiterst korte termijnen voor het voeren van een verweer en voor het onderzoeken van de zaak door de Raad, uitkomst kan bieden.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/20
Pagina: 
1439
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(F.B. Jantzen en W.S. Liu / Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen)

I. VOORWERP VAN DE VORDERING
De verzoekende partijen vorderen met een aangetekende brief van 9 april 2015 de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging en de vernietiging van de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 26 februari 2015.

De deputatie heeft het administratief beroep van de belanghebbende tegen de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens-Latem van 7 november 2014 ingewilligd.

De deputatie heeft aan de belanghebbende een stedenbouwkundige vergunning verleend voor de uitvoering van technische werken, de aanleg van wegen, een voetpad en riolering.

De bestreden beslissing heeft betrekking op de percelen gelegen te 9830 Sint-Martens-Latem, Bunderweg, Molenstraat en Maenhoutstraat en met als kadastrale omschrijving afdeling 1, sectie B, nummers 417A, 418, 419, 423B, 424.

II. VERLOOP VAN DE RECHTSPLEGING
De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen over de gevorderde schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend en heeft een afschrift van het administratief dossier neergelegd.

De belanghebbende heeft een nota met opmerkingen over de gevorderde schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend.

De procespartijen zijn opgeroepen voor de openbare zitting van 15 april 2015, waarop de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt behandeld.

Kamervoorzitter Eddy Storms heeft verslag uitgebracht.

Advocaten Laurent Proot en Sofie De Maesschalck, die verschijnen voor de verzoekende partijen, mevrouw Kaat Van Keymeulen, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Dirk Abbeloos, die verschijnt voor de belanghebbende, zijn gehoord.

Het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (DBRC-decreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (procedurebesluit) zijn toegepast.

III. FEITEN
Op 27 juni 2014 (datum van het ontvangstbewijs) dient de belanghebbende bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens-Latem een aanvraag in voor een stedenbouwkundige vergunning voor “het uitvoeren van technische werken, de aanleg van wegenis, een voetpad en riolering”.

Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens-Latem weigert op 7 november 2014 een stedenbouwkundige vergunning aan de belanghebbende.

De belanghebbende tekent tegen deze beslissing op 20 november 2014 administratief beroep aan bij de verwerende partij.

De provinciale stedenbouwkundige ambtenaar adviseert in zijn verslag van 30 januari 2015 dit administratief beroep in te willigen en een stedenbouwkundige vergunning te verlenen.

Na de hoorzitting van 10 februari 2015 beslist de verwerende partij op 26 februari 2015 als volgt het administratief beroep in te willigen en een stedenbouwkundige vergunning te verlenen:

“(…)

De aanvraag is gelegen binnen een (woon)gebied met culturele, historische en/of esthetische waarde. Bijgevolg dient de aanvraag een dubbele toets te doorstaan.

De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften van het geldend gewestplan voor wat betreft het aspect woongebied, aangezien het gevraagde in functie staat van een woonontwikkeling.

Voor wat betreft het aspect culturele, historische en/of esthetische waarde van dit gebied, dient verwezen naar het inrichtingsbesluit, dat bepaalt in artikel 6.1.2.3.: 'De gebieden en plaatsen van culturele, historische en/of esthetische waarde zijn gebieden waar de wijziging van de bestaande toestand wordt onderworpen aan bijzondere voorwaarden, gegrond op de wenselijkheid van het behoud.'

Het inrichtingsbesluit bepaalt dat in dergelijke gebieden de wijziging van de bestaande toestand dient te worden onderworpen aan bijzondere voorwaarden, gegrond op de wenselijkheid van het behoud.

Niettemin heeft dit gebied als grondkleur woongebied, zodat de aanduiding van deze omgeving als gebied van culturele, historische en/of esthetische waarde de verkaveling van deze grond niet in de weg mag staan. Het kan immers niet de bedoeling geweest zijn van de wetgever enerzijds dit binnengebied aan te duiden als woongebied en anderzijds door de overdruk onbebouwbaar te maken.

De hier voorgestelde wegenisaanleg heeft geen nadelige gevolgen voor de culturele, historische en/of esthetische waarde van dit gebied, en heeft evenmin een visuele relatie met de verderop gelegen beschermde molen, die aan de andere zijde van de Molenstraat gelegen is. Tussen het binnengebied en de molen, langsheen de Molenstraat, werden al tal van kavels gerealiseerd en bebouwd, zodat er quasi geen visuele relatie meer bestaat tussen de molen en het binnengebied op zich. De bebouwing die in deze omgeving voorkomt is niet van die aard dat er vanuit cultureel, historisch en/of esthetisch perspectief een specifieke waarde kan uit gedestilleerd worden die de ontsluiting van dit gebied door middel van de hier gevraagde wegenis kan bepalen.

De Raad van State heeft in het kader van een verkavelingsinitiatief gelegen aan de vlakbij huidige aanvraag gelegen Paplepelstraat, gelegen binnen dezelfde bestemmingszone te Sint-Martens-Latem, geoordeeld:

'(...) dat dient gesteld te worden dat het goed deel uitmaakt van een ruim woongebied, waarbij de historische, culturele en/of esthetische context van ondergeschikt belang is, gezien de omgeving reeds vrijwel volledig ingevuld is met verkavelingen, en het perceel volledig gelegen is buiten het gezichtsveld van beschermde monumenten binnen de ruimere omgeving.'

Deze argumentatie kan ook hier ingeroepen worden.

De houten staakmolen 'Koutermolen' werd als monument beschermd in 1945. Op dat ogenblik werd er bewust voor gekozen om alleen de molen te beschermen en niet de omliggende zone. De keuze om enkel de molen en niet de omliggende zone te beschermen, werd overigens in de loop der tijd herbevestigd in het kader van de opmaak van de inventaris onroerend erfgoed voor de gemeente Sint-Martens-Latem in 1991. Op basis van die inventaris werden de meest relevante relicten, doch niet de omgeving van de molen, beschermd.

Tevens dient nog aangestipt te worden dat onroerend erfgoed een gunstig advies heeft verleend in het kader van de discipline archeologie en ook in algemene zin (vanuit de diverse erfgoeddisciplines) gunstig heeft geadviseerd bij het hoger vermelde verkavelingsdossier 'Latem Kouter' (2012).

Onder referte aan het hierboven geciteerde arrest van de Raad van State (12 december 2008) aangaande een vlakbij gelegen verkavelingsinitiatief aan de Palepelstraat kan worden gesteld dat het terrein 'deel uitmaakt van een ruim woongebied', waarbij 'de historische, culturele en/of esthetische context van ondergeschikt belang is, gezien de omgeving reeds vrijwel volledig ingevuld is met verkavelingen', waarbij het terrein visueel grotendeels is afgescheiden van de (in het recentere verleden verplaatste) molen omwille van de huizenrij langs de Molenstraat, en waarbij voorzien wordt in een ingegroende wandelas richting de molen.

De voorliggende aanvraag omvat de aanleg van een nieuwe wegenis, zodat de aanvraag dient voorgelegd te worden aan de gemeenteraad.

Het wegenistracé werd reeds bij beslissing van de gemeenteraad van Sint-Martens-Latem van 7 september 2011 goedgekeurd vanuit de gemeentelijke visie op een kwalitatieve wegenisinrichting. De gemeenteraadsbeslissing bevestigt aldus de afstemming van de wegenisinrichting op een goede ruimtelijke ordening.

Deze gemeenteraadsbeslissing is niet bestreden, en vormt in het kader van voorliggend dossier het uitgangspunt voor de aangevraagde wegeniswerken.

Het aanvraagdossier is geheel in overeenstemming met de wegenisvisie en met de technische bepalingen, zoals goedgekeurd bij voornoemde gemeenteraadsbeslissing, zodat de aanvraag thans bezwaarlijk nog in vraag kan worden gesteld. De aanvraag dient bijgevolg niet meer aan de gemeenteraad te worden voorgelegd.

Verder dient gesteld dat de aanvraag enkel de technische realisatie en uitrusting van een door de gemeenteraad goedgekeurd tracé voor wegenis omvat en daardoor los kan bekeken worden van het later ingediende verkavelingsdossier. Voor de verkaveling van de aan deze wegenis palende gronden werd immers een afzonderlijke verkavelingsaanvraag ingediend.

De problematiek van de voetweg is in deze niet bepalend aangezien deze op vandaag nog steeds als verplaatst te beschouwen is, zodat het gevraagde hierdoor niet gehypothekeerd wordt. Zelfs wanneer de verplaatsing teniet zou gedaan worden dan kan het gevraagde nog zonder meer uitgevoerd worden.

2.4. De goede ruimtelijke ordening
Voorliggende aanvraag omvat zuiver de aanleg van een gedeelte nieuwe wegenis, met bijhorende riolering en omvat geen verkaveling van de aanliggende gronden.

De wegenis omvat een wegbedding volgens de tracés op plan:

een hoofdweg met tweesporenverharding KWS - kassei - KWS (1,7 m - 1,4 m - 1,7 m) over een lengte van 230 m.
insteekwegen met tweesporenverharding KWS grasdallen KWS (0,85 m - 0,70 m - 0,85 m) over een totale lengte van 210 m.
voetweg met een breedte van 1,50 m; aard van de verharding nog te bepalen.
De gemeenteraad van Sint-Martens-Latem heeft op 7 september 2011 het tracé en uitrustingsvoorwaarden inzake de wegenis goedgekeurd vanuit de gemeentelijke visie op een kwalitatieve wegenisinrichting.

De gemeenteraadsbeslissing bevestigde aldus de afstemming van de wegenisinrichting op het recht en op een goede ruimtelijke ordening.

Het afwijzen van een louter technische uitwerking van de raadsbeslissing op grond van motieven die buiten het dossier staan, schendt het rechtszekerheidsprincipe, nu het aanvraagdossier geheel in overeenstemming is met de wegenisvisie en met de technische bepalingen, zoals goedgekeurd bij voornoemde gemeenteraadsbeslissing.

De bouwheer dient rekening te houden met de voorwaarden vervat in de gemeenteraadsbeslissing van 7 september 2011 houdende de vaststelling van de uitrustingsvoorwaarden van de nieuwe wegenis.

(…)”

Dit is de bestreden beslissing.

IV. ONTVANKELIJKHEID VAN DE VORDERING TOT SCHORSING BIJ UITERST DRINGENDE NOODZAKELIJKHEID
De verwerende partij, noch de belanghebbende betwisten de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging en tot vernietiging van de bestreden beslissing. Het ontbreken van excepties belet niet dat de Raad de ontvankelijkheid van een beroep onderzoekt. De Raad oordeelt echter dat dit onderzoek alleen nodig is wanneer de voorwaarden vervuld zijn om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen en, zoals hierna blijkt, is dat niet zo.

V. ONDERZOEK VAN DE VORDERING TOT SCHORSING BIJ UITERST DRINGENDE NOODZAKELIJKHEID
Krachtens artikel 40, § 2 DBRC-decreet en artikelen 56 en 57 van het procedurebesluit kan de Raad de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing bevelen op voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid is en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de aangevochten beslissing kan verantwoorden.

A. Uiterst dringende noodzakelijkheid
Standpunt van de partijen
1.

De verzoekende partijen omschrijven de uiterst dringende noodzakelijkheid als volgt:

“(…)

Bij de beoordeling van de uiterste dringende noodzakelijk dient evident ook rekening te worden gehouden met het voorwerp van de vergunningsaanvraag: de aanleg van wegen, de aanleg van een voetweg en de aanleg van riolering. Dit zijn werken die slechts een zeer korte tijdspanne in beslag nemen. Bovendien moet er op worden gewezen dat de NV IPON in 2013 reeds deels was gestart met de aanleg van de voorziene wegenis op grond van de inmiddels vernietigde verkavelingsvergunning van 13 december 2012, tot op het moment dat de tenuitvoerlegging door Uw Raad werd geschorst bij arrest van 9 juli 2013 (en zelfs nog erna).

In 2013 werden reeds de funderingen geplaatst van de nieuwe wegenis. Deze wegenis dient momenteel nog verder te worden afgewerkt en geasfalteerd. Ook de voetweg moet nog verder worden aangelegd, alsook de riolering. Dit zijn werken die op zich zeer snel kunnen worden uitgevoerd. De verdere uitvoering van de bestreden stedenbouwkundige vergunning zal dus op enkele dagen, hooguit een week, kunnen worden gerealiseerd, waardoor de uiterst dringende noodzakelijkheid ontegensprekelijk vaststaat.

Zoals vermeld had de bouwheer in 2013 reeds een deel an de voorziene werken uitgevoerd, ook al was er door verschillende partijen een verzoekschrift tot schorsing ingediend. Dit hield de bouwheer dus niet tegen om reeds van start te gaan met de werken. Meer zelfs, de bouwheer deinsde er in het verleden niet voor terug om het schorsingsarrest van 9 juli 2013 tot 3 maal toe te doorbreken (stuk 13):

6 augustus 2013: uitvoering van asfaltwerken, waarbij de bouw werd stilgelegd door de politie (PV GE.66.L5.004036/13 van 6 augustus 2013);
20 augustus 2013: aanbrengen van paaltjes op het terrein (PV GE.66.L5.006766/13 van 20 december 2013);
26 december 2013: aanplanten van bomen (PV GE.66.L5.006844/13 van 26 december 2013).
De bouwheer gaat dus met een ongeziene doortastendheid te werk om zijn gewenst verkavelingsproject alsnog te kunnen realiseren.

Bovendien is er een ernstige indicatie dat de bouwheer op korte termijn zal starten met de uitvoering van de vergunning, nu zij recent een plaatsbeschrijving aan de gemeente Sint-Martens-Latem heeft overgemaakt 'met het oog op de aanvang van de werken' (stuk 14). Ook dit geeft aan dat het uiterst reëel is dat er zal worden gestart met de werken van zodra de vergunning uitvoerbaar wordt, zijnde op 10 april 2015.

Aangezien er opnieuw blijkt dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning manifest onwettig is (zie hierboven) dient te worden vermeden dat de bouwheer intussentijd toch de werken verder zou kunnen uitvoeren en de verzoekende partijen aldus onherroepelijk voor voldongen feiten worden geplaatst.

Indien de bouwheer de werken kan voltooien, wordt het binnengebied definitief aangetast en zullen de verzoekende partijen permanent visuele hinder lijden.

Gelet op het voorgaande, in het bijzonder de snelheid van de vergunde werken en de houding van de bouwheer, is de gewone schorsingsprocedure niet nuttig voor de verzoekende partijen. Op het ogenblik van een eventuele uitspraak door Uw Raad volgens de gewone kortgedingprocedure zal de volledige vergunning reeds zijn uitgevoerd. Op dat moment is het onrealistisch dat de verzoekende partijen op redelijke termijn en met redelijke proceskosten de afbraak hiervan zullen kunnen verkrijgen. Op het ogenblik van een 'normaal' schorsingsarrest zal het kwaad reeds lang geschied zijn.

De verzoekende partijen willen er ook op wijzen dat hun absoluut geen gebrek aan diligentie kan worden verweten. Een UDN-procedure is een zeer uitzonderlijke procedure die als dusdanig moet worden aangewend. Een UDN-procedure kan enkel worden ingeleid indien de uiterst dringende noodzakelijkheid ontegensprekelijk vaststaat. In die zin kan het de verzoekende partijen niet verweten worden dat zij niet onmiddellijk na de aanplakking van de bestreden vergunning tot het instellen van een UDN-procedure zijn overgegaan. Van cruciaal belang is immers dat artikel 4.7.23, § 5 VCRO expliciet voorziet dat de vergunning slechts kan worden uitgevoerd vanaf de 36ste dag na de dag van aanplakking. Dit betekent dat er in die tussenperiode van 36 dagen een absoluut bouwverbod is voor de bouwheer en er dus sowieso niet kan worden gestart met de werken. Indien de verzoekende partijen dus vroeger hun UDN-procedure hadden opgestart, na de aanplakking van de vergunning, was het uiterst reëel dat hun vordering zou worden afgewezen omdat er op dat ogenblik uiteraard geen uiterst dringende noodzakelijkheid kon worden aangetoond, gelet op het bouwverbod.

In die zin is het ook relevant te wijzen op de vaste rechtspraak van Uw Raad die stelt dat er geen hoogdringendheid kan worden aanvaard indien de tenuitvoerlegging van de bestreden stedenbouwkundige vergunning voor een milieuvergunningsplichtige activiteit van rechtswege geschorst is zolang de milieuvergunning nog niet definitief is verleend.

Gelet op de tijdelijke onuitvoerbaarheid van de stedenbouwkundige vergunning, gaat Uw Raad in die gevallen nooit over tot een schorsing. Huidig verzoekschrift wordt dan ook tijdig en met een uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend.

Er anders over oordelen zou impliceren dat elke stedenbouwkundige vergunning via de UDN-procedure moet worden bestreden bij Uw Raad kort na de aanplakking. Dit is evident in strijd met het uitzonderlijke karakter van deze specifieke procedure, die een ernstige mate van terughoudendheid vereist bij de verzoekende partijen.

Het gegeven dat de verzoekende partij bij het instellen van een UDN-procedure niet al te voortvarend mag te werk gaan, werd ook recent bevestigd door Uw Raad in het UDN-arrest van 24 maart 2015 met nr. UDN/2015/006:

(…)

Gelet op het voorgaande, is een onmiddellijke schorsing noodzakelijk. Elke dag vertraging impliceert immers dat de voorziene wegeniswerken definitief kunnen worden voltooid nu er potentieel kan worden gestart met de werken.

Uw Raad dient ook vast te stellen dat de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunningsbeslissing een zwaarwichtig nadeel zal berokkenen aan verzoekster, en dat de belangen van verzoekster slechts gevrijwaard kunnen worden door een onmiddellijke schorsing. Het bestreden besluit houdt de toelating in voor de aanleg van grootschalige wegenis, een voetweg en riolering op zeer korte afstand van de eigendommen van de verzoekende partijen. Dit zorgt in hoofde van beide partijen voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel:

a) Wat betreft de eerste verzoekende partij
De eigendom van de eerste verzoekende partij paalt onmiddellijk aan het betrokken bouwterrein, dat vandaag een onbebouwd weiland is. Uit onderstaande foto's blijkt dat de eigendom van de verzoekende partij volledig georiënteerd is naar dit voorliggende weiland. Deze specifieke oriëntatie is te wijten aan de begraafplaats die onmiddellijk achter de woning van de verzoekende partij is gelegen. Zowel vanuit hun voortuin, hun terras, de woon- en leefruimtes uit hun woning en hun aanpalende boomgaard hebben de eerste verzoekende partij en zijn echtgenote rechtstreeks uitzicht op dit mooie grasland.

(…)

b) Wat betreft de tweede verzoekende partij
Ook de eigendom van de tweede verzoekende partij paalt onmiddellijk aan het betrokken bouwterrein. Ook deze woning is specifiek ontworpen om zoveel mogelijk uitzicht te bieden op het achterliggende weiland.

Zowel vanuit zijn achtertuin, de woon- en leefruimtes uit zijn woning, het balkon op de eerste verdieping heeft de tweede verzoekende partij een rechtstreeks uitzicht op dit weiland. Dit geldt des te meer nu er geen enkele groenbuffer bestaat tussen zijn achterste perceelsgrens en het achterliggende open gebied.

(…)

De ernstige nadelen voor de verzoekende partijen door de tenuitvoerlegging van de wegenis en voetweg staan dan ook vast. In dit kader willen de verzoekende partijen opmerken dat het gegeven dat de bouwheer reeds was gestart met de aanleg van deze wegeniswerken - momenteel zijn louter de funderingen gelegd - uiteraard geen afbreuk doet aan de ernst van deze nadelen, wel integendeel. Deze werken werden in 2013 immers uitgevoerd op basis van een onwettige en ondertussen vernietigde verkavelingsvergunning! Het zou tergend en onredelijk zijn indien de ernstige nadelen van de verzoekende partijen op grond daarvan zouden worden betwist. Integendeel blijkt uit de voorgelegde foto's dat de beide verzoekende partijen zonder meer een rechtstreeks uitzicht hebben op de verder aan te leggen wegenis, waardoor hun visuele hinder vaststaat.

Verder zal ook het woongenot en de privacy van de verzoekende partijen op een ernstige wijze worden geschaad nu de aanvraag wegenis én een ruime voetweg voorziet op zeer korte afstand van de woning van de eerste verzoekende partij.

Van essentieel belang is tevens dat Uw Raad in het schorsingsarrest van 9 juli 2013 reeds expliciet het moeilijk te herstellen ernstig nadeel heeft aanvaard in hoofde van de eerste verzoekende partij, ook specifiek voor wat betreft de aanleg van de nieuwe wegenis:

(…)”

2.

De verwerende partij antwoordt hierop:

“(…)

Verzoekers voeren als hoogdringende omstandigheden om hun vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid te staven aan dat de vergunninghouder in het verleden blijk heeft gegeven van 'een ongeziene doortastendheid' enerzijds en de indicatie dat de werken op korte termijn zullen gestart worden nu deze aan de gemeente recentelijk een plaatsbeschrijving heeft overgemaakt 'met het oog op de aanvang van de werken' anderzijds.

Geen van deze elementen vormt echter een basis om tot hoogdringendheid wegens uiterst dringende noodzakelijkheid te besluiten.

De handelwijze van de vergunninghouder in het verleden is niet noodzakelijkerwijze een indicatie voor de toekomst.

Evenmin is het louter overhandigen van een plaatsbeschrijving aan de gemeente een aanwijzing dat de werken eerstdaags zullen gestart worden. Een administratieve formaliteit vervullen impliceert niet dat de vergunde werken daadwerkelijk zullen worden gestart.

Bovendien vinden de door verzoekers ingeroepen nadelen, m.n. schending van het rechtstreeks uitzicht, van het woongenot en van hun privacy, geen rechtstreekse oorzaak in de bestreden beslissing, nu deze laatste enkel de aanleg van wegenis, een voetpad en riolering vergunt. Verzoekers zullen immers het uitzicht op het grasland behouden bij aanleg van wegenis en riolering.

De vordering tot schorsing dient te worden verworpen.

(…)”

3.

De belanghebbende voegt hier nog aan toe:

“(…)

3.2.1. Nopens het feit dat de werken in een korte tijdspanne zouden kunnen worden gerealiseerd

- Verzoekers hechten ten onrechte belang aan het gegeven dat de werken niet al te veel tijd in beslag nemen (maar toch wel enkele maanden en niet zomaar een paar dagen zoals verzoekers willen doen geloven - zonder stavingsstukken overigens).

Zij relateren dit gegeven echter nergens aan een concrete en dwingende noodzaak tot het tegenhouden van deze werken.

- Nochtans stelt het arrest nr. UDN/2015/0002 van 3 maart 2015:

'3.1. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan niet voortvloeien uit de omstandigheid alleen dat de doorlooptijd voor de behandeling van een dossier bij de Raad de verzoekende partij niet zou toelaten een uitspraak te verkrijgen voor de bestreden beslissing eventueel uitgevoerd is.'

3.2.2. Nopens de verstreken tijdsduur vanaf de aanplakking

- Verzoekers gaan kennelijk voorbij aan de rechtspraak van Uw Raad, dewelke in het arrest nr. UDN/2015/0003 van 3 maart 2015 oordeelt als volgt:

'(…)

De verzoekende partijen hebben hun vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij de Raad ingesteld met een aangetekende brief van 28 januari 2015, dit is meer dan een maand nadat zij kennis hebben kunnen nemen van de bestreden beslissing.

De verzoekende partijen voeren noch in hun verzoekschrift, noch tijdens de terechtzitting van 18 februari 2015, gegronde redenen aan voor dit talmen.

Alleen al het laten verstrijken van een dergelijk lange termijn vooraleer de vordering in te stellen, zonder daarvoor gegronde redenen aan te voeren, is een negatie van de uiterst dringende noodzakelijkheid die de verzoekende partijen inroepen.

(…)'

Het 'opzijleggen' van het dossier gedurende meer dan een maand - zonder dat daarvoor specifieke redenen worden of kunnen worden aangedragen - is dus evident een gebrek aan diligentie …

Een en ander strijdt met het wezen zelf van de UDN-procedure.

3.2.3. Nopens de bewering omtrent het bouwverbod gedurende 35 dagen

- Uw Raad aanvaardt helemaal niet dat verzoekers mogen stilzitten gedurende de periode waarbinnen vergunde werken nog niet mogen worden uitgevoerd. Zeer zeker stelt Uw Raad dat het feit dat de werken aangevat zullen worden of werden op zich geen UDN uitmaakt. In het arrest nr. UDN/2015/0002 van 3 maart 2015 wordt daaromtrent gesteld:

(…)

3.2.4. Nopens het beweerde nadeel

- Verzoekers kunnen niet ernstig beweren dat een 2-dimensionale wegenisstructuur van aard is om visuele hinder te veroorzaken.

De vordering kan dan ook simpel ontmaskerd worden als een poging om een verkavelings- of groepsbouwinitiatief dat aansluit op de wegenis tegen te houden. Dat is echter níet hetgeen door de vergunning is vergund.

Het gevreesde nadeel staat dus in geen enkel verband met de bestreden deputatiebeslissing waardoor het niet als grondslag voor een UDN kan worden weerhouden.

- Overigens kan niet worden voorbijgegaan aan het gegeven dat het grasland waarop verzoekers uitkijken gelegen is in woongebied, weliswaar met een overdruk 'CHE'.

Het is zeer betekenisvol dat verzoekers geen kritiek uiten op de exacte vormgeving van het wegtracé. Daaruit mag dus worden afgeleid dat zij zich verzetten tegen elke constructie in het gebied.

Nochtans oordeelt de administratieve rechter dat de vergunningverlenende overheid zich bij de beoordeling van een aanvraag voor een woonproject of infrastructuren niet aan de gewestplanbestemming 'wonen' kan onttrekken; de Raad van State stelde omtrent de aansnijding van een woongebied meer bepaald als volgt:

'het feit dat, op basis van een woonbehoeftestudie, er voor werd geopteerd dit gebied niet voor woningbouw aan te snijden, maar in andere functies dan het loutere wonen te voorzien, kan, gelet op het hiervoor gestelde, evenmin een wettige verantwoording zijn om het betrokken plangebied niet conform de gewestplanvoorschriften in hoofdzaak voor 'wonen' te bestemmen.'

De decreetgever legt in dat kader via artikel 2.1.2, 5° van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid de overheden op om een grond- en pandenbeleid te voeren dat gericht is op

'het versneld verwezenlijken van bestemmingsvoorschriften door middel van gebiedsontwikkeling en -herontwikkeling'.

Ook Uw Raad aanvaardt niet dat in het kader van beroepsdossier tegen vergunningsbeslissingen bezwaren worden opgeworpen die gericht zijn tegen de realisatie van de woonbestemming van een gebied:

'(…)

De verzoekende partijen hebben geen exclusief recht op rust en stilte. Hun eigendom is gelegen in een woongebied.

Het bestreden project ligt eveneens in een woongebied en overeenkomstig de voorschriften van het bijzonder plan van aanleg is het bouwproject tevens gelegen in een zone voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen. De verzoekende partijen dienen derhalve rekening te houden met hinder die inherent is aan dergelijke zones.

(…)'

- Verzoekers hebben aldus geen 'recht' op een uitzicht onder meer beperkte lijn­infrastructuur, net nu het project gesitueerd wordt in bestaand woongebied conform het gewestplan.

In woongebieden zijn weliswaar groene elementen toelaatbaar, maar dat neemt volgens de Raad van State niet weg dat

'deze groene ruimten evenwel in functie [dienen] te staan van de hoofdbestemming van het gebied, met name wonen. Zij kunnen niet een dergelijke omvang aannemen dat zij het verwezenlijken van de hoofdbestemming van het gebied, met name 'wonen', uitsluiten.'

- Nogmaals moet worden hernomen dat verzoekers louter kritiek leveren op het feit dat weginfrastructuur wordt aangelegd, zonder aan te geven waarom precies déze wegenis ontoelaatbaar zou zijn.

Daardoor geven zij aan tegenstanders te zijn van elke residentiële benutting van het woongebied.

Dat nadeel vloeit dus rechtstreeks voort uit de residentiële gewestplanbestemming en niet uit het concrete wegenisproject.

Zulks impliceert dat de vordering afgewezen dient te worden nu zij geenszins grondslag vindt in de uitvoering van de kwestieuze stedenbouwkundige vergunning doch de facto gericht is op de tenuitvoerlegging van een gewestplanbestemming die reeds werd vastgesteld bij KB van 14 september 1977.

ER IS KENNELIJK GEEN UDN.

(…)”

Beoordeling door de Raad
1.

De procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is een ernstige verstoring van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt aanzienlijk de rechten van verdediging van de verwerende partij en van eventuele belanghebbenden.

Deze procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven en mag alleen worden aangewend wanneer het uiterst dringende karakter meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partijen duidelijk en onomstootbaar wordt aangetoond.

De verzoekende partijen in een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid moeten bewijzen dat zij bij het instellen van de vordering met de vereiste spoed en diligentie zijn opgetreden. Zij moeten tevens, op basis van precieze, pertinente en concrete gegevens, aannemelijk maken dat zij de vernietigings- of de gewone schorsingsprocedure niet kunnen afwachten of dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, wanneer ze pas na de afwikkeling van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat komt om hun belangen veilig te stellen.

Artikel 40, § 1 en 2 DBRC-decreet bepaalt dat het verzoekschrift “in voorkomend geval” de redenen omschrijft op grond waarvan, bij wijze van voorlopige voorziening, om de schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing wordt verzocht.

Artikel 56, § 1, 3° van het procedurebesluit bepaalt dat het verzoekschrift, in geval van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een uiteenzetting bevat van de redenen die, volgens de verzoekende partij(en), de hoogdringendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dat verzoekschrift wordt ingeroepen.

Artikel 57, 2° van hetzelfde besluit bepaalt dat de verzoekende partij(en) “in voorkomend geval” bij het verzoekschrift de overtuigingsstukken voegt (of voegen) die aantonen dat de schorsing uiterst dringend noodzakelijk is.

Uit deze bepalingen volgt dat het toekomt aan de verzoekende partijen, die kiezen voor het instellen van de uitzonderingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, om door middel van uiteenzettingen in het verzoekschrift en “in voorkomend geval” door het bijbrengen van documenten, te overtuigen dat de gegevens en de gevolgen van de zaak dermate imminent en dringend zijn, dat alleen de uitzonderingsprocedure, die uit de aard ervan gepaard gaat met uiterst korte termijnen voor het voeren van een verweer en voor het onderzoeken van de zaak door de Raad, uitkomst kan bieden.

2.

De verzoekende partijen verantwoorden de hoogdringendheid in hun verzoekschrift met de volgende argumenten:

de bestreden vergunning is potentieel uitvoerbaar vanaf vrijdag 10 april 2015;
de aanleg van een voetweg en een riolering zijn werken die een zeer korte tijdspanne in beslag nemen;
de bouwheer heeft in het verleden reeds een vergunning uitgevoerd niettegenstaande er een schorsingsprocedure was ingesteld en heeft het toen uitgesproken schorsingsarrest tot drie keer toe doorbroken;
de bouwheer heeft recent een plaatsbeschrijving aan de gemeente Sint-Martens-Latem bezorgd “met het oog op de aanvang van de werken”.
Tijdens de openbare terechtzitting van 15 april 2015 stellen de verzoekende partijen dat de werken ook gestart zijn op maandag 13 april 2015 en de tussenkomende partij ontkent dat niet.

3.

De bestreden beslissing dateert van 26 februari 2015. Uit het attest van aanplakking blijkt dat de bekendmaking van de stedenbouwkundige vergunning werd aangeplakt op 5 maart 2015.

De verzoekende partijen zijn aanpalende eigenaars van de percelen waarop de bestreden beslissing betrekking heeft. Zij voeren niet aan dat ze later dan de eerste dag van de aanplakking, en dus later dan sinds 5 maart 2015, wisten dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning verleend is, en bijgevolg vanaf de 36ste dag na de dag van de aanplakking - dus vanaf 10 april 2015 - uitvoerbaar is. De potentiële uitvoerbaarheid van een verkregen vergunning vanaf 36 dagen na de dag van de aanplakking is derhalve een te verwachten gevolg van het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning en is op zich niet voldoende om de uiterst dringende noodzakelijkheid van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verantwoorden.

Wanneer de verzoekende partijen zelf stellen dat de “werken (…) slechts een zeer korte tijdspanne in beslag nemen (en) op zich zeer snel kunnen worden uitgevoerd (zodat) de verdere uitvoering van de bestreden stedenbouwkundige vergunning (…) op enkele dagen, hooguit een week, kunnen worden gerealiseerd” terwijl, volgens hen, “de bouwheer (…) met een ongeziene doortastendheid te werk”, moeten zij niet wachten tot de dag voor de potentiële uitvoerbaarheid van de bestreden vergunning om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te vorderen.

De bepaling dat van een vergunning pas gebruik gemaakt mag worden vanaf de 36ste dag na de dag van de aanplakking, belet immers niet dat de verzoekende partijen voordien, bij uiterst dringende noodzakelijkheid, de schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing kunnen vorderen.

Bovendien zijn voormelde, door de verzoekende partijen aangevoerde argumenten om de hoogdringendheid te verantwoorden, met uitzondering van de aan de gemeente Sint-Martens-Latem bezorgde plaatsbeschrijving, feitelijke gegevens die de verzoekende partijen kenden op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd aangeplakt.

De verzoekende partijen bezorgen de Raad wel een op donderdag 26 maart 2015 gedateerde brief van de belanghebbende, gericht aan en blijkbaar ontvangen door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens-Latem op vrijdag 27 maart 2015, maar waarvan niet duidelijk is (hoe en) wanneer de verzoekende partijen deze brief ontvangen hebben.

De belanghebbende meldt in deze brief dat zij, “zoals gemeld in (…) eerder schrijven d.d. 5 maart 2015 (de bestreden vergunningsbeslissing) bekwam (…), waarvan de mededeling op 5 maart 2015 ter plaatse werd aangeplakt” en bezorgt “met het oog op de aanvang van deze werkzaamheden, (…) 4 exemplaren van het proces-verbaal van de plaatsbeschrijving van de openbare wegenis dat zich rondom de plaats waar de beoogde werken worden uitgevoerd, bevindt”, met verzoek “de plaatsbeschrijving te willen nakijken en (…) voor akkoord ondertekend toe te sturen vóór 3 april 2015.”

Voor zover dit proces-verbaal van plaatsbeschrijving er inderdaad op wijst dat de belanghebbende onmiddellijk na het verstrijken van de termijn van 36 dagen na de dag van de aanplakking zal starten met de uitvoering van de door de bestreden beslissing vergunde werken, voegt dit enerzijds niets nieuws toe aan hetgeen de verzoekende partijen zelf stellen al te weten, en verklaren de verzoekende partijen anderzijds niet waarom zij tot 9 april 2015 wachten om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te vorderen: de verzoekende partijen verduidelijken niet vanaf wanneer zij (sinds vrijdag 27 maart 2015 of pas later) op de hoogte zijn van de mededeling van het proces-verbaal “met het oog op de aanvang van de (…) werkzaamheden”.

Het is de Raad dan ook niet duidelijk waarom de verzoekende partijen tot meer dan een maand na de aanplakking en/of bijna twee weken na de mededeling door de belanghebbende aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens-Latem, en één dag voor de uitvoerbaarheid van de bestreden beslissing, hebben gewacht om, op basis van voormelde gegevens, waarvan ze de meest (relevante) reeds geruime tijd kenden, de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen.

Nochtans is het aan de verzoekende partijen om met passende diligentie en alertheid op te treden vanaf het ogenblik waarop de uiterst dringende noodzakelijkheid ontstaat.

De vereiste terughoudendheid van verzoekende partijen bij het instellen van een procedure wegens uiterst dringende noodzakelijkheid vloeit voort uit het zeer uitzonderlijke karakter van die procedure, die dan ook “zeer uitzonderlijk” moet worden aangewend, maar impliceert niet dat de verzoekende partijen daarvoor tot de laatste dag van de termijn van 36 dagen “bouwverbod” moeten wachten om de vordering in te stellen.

Dat de tussenkomende partij na de 36ste dag vanaf de dag van de aanplakking gestart is met de uitvoering van de werken betekent op zich niet dat een schorsing opeens zodanig dringend is dat het aanwenden van een procedure van uiterst hoogdringendheid verantwoord is.

Dit geldt des te meer nu de verzoekende partijen niet verduidelijken vanaf wanneer zij (sinds vrijdag 27 maart 2015 of pas later) op de hoogte zijn van de mededeling van het proces-verbaal “met het oog op de aanvang van de (…) werkzaamheden” en evenmin aanvoeren later dan sinds 5 maart 2015 op de hoogte te zijn geweest van de andere feitelijke gegevens die zij nu aanvoeren om het uiterst dringend noodzakelijke karakter te verantwoorden.

4.

Er is dan ook niet voldaan aan de in artikel 40, § 2 DBRC-decreet en de artikelen 56 en 57 van het procedurebesluit gestelde voorwaarde dat een bestreden vergunningsbeslissing alleen geschorst kan worden bij uiterst dringende noodzakelijkheid wanneer de verzoekende partijen een uiterst dringende noodzakelijkheid aantonen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.

B. Ernstige middelen
Aangezien de Raad in het vorige onderdeel oordeelt dat de verzoekende partijen niet voldoende aantonen dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid is, is een onderzoek naar de ernst van de middelen niet nodig.

OM DEZE REDENEN BESLIST DE RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN

De Raad verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
De Raad legt de kosten van het beroep tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 200 EUR, ten laste van de verzoekende partijen.

Noot: 

Vermeire, N., « “Uiterst dringende noodzakelijkheid” voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen: timing is everything », R.A.B.G., 2015/20, p. 1454-1462

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 11/07/2017 - 08:50
Laatst aangepast op: di, 11/07/2017 - 08:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.