-A +A

Dreigen met gerechtelijke vervolging is geen strafrechtelijk strafbare bedreiging

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 16/06/2015
A.R.: 
P.14.0748.N

Behoudens in bijzondere gevallen die te maken hebben met de concrete omstandigheden waarin de feiten plaatsvinden of met de persoon van het slachtoffer, is er geen bedreiging in de zin van de artikelen 470 en 483, tweede lid, Strafwetboek, wanneer het vermeende slachtoffer een beroep kan doen op wettelijke middelen om de dreiging te doen ophouden of af te wenden, wat het geval is wanneer hij zich kan verdedigen voor de rechters voor wie de vermeende afperser dreigt rechtsvorderingen in te stellen; het enkele feit dat die rechtsvorderingen overdreven of ongerechtvaardigd zouden zijn, doet daaraan geen afbreuk (1). (1) MERCKX, D. en LOQUET, Th., Afpersing, Comm. Straf., 2014, p. 13 en p. 15; HUYBRECHTS, L., Afpersing en eigenrichting, T. Straf.,2005, p. 54.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.14.0748.N
1. L P K nv,
burgerlijke partij,
2. L P,
burgerlijke partij,
eisers,
Gent,
tegen
E S G G,
inverdenkinggestelde,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 maart 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 470 en 483 Strafwetboek: het arrest steunt de buitenvervolgingstelling van de verweerder op de reden: "Een-ieder heeft het recht om voor de rechter zijn vermeende rechten te laten gelden; het dreigen van vorderingen in te stellen voor burgerlijke en administratieve rechtscolleges indien geen dadingsovereenkomst voor een bedrag van euro 600.000,00 afgesloten wordt is dan ook geen bedreiging in de zin van artikel 483 Strafwetboek; noch de hallucinante omvang van de gevorderde som, noch het voorgehouden tergend en roekeloos karakter van de geplande rechtsvorderingen, doen hieraan afbreuk;" aldus sluit het arrest uit dat het dreigen met rechtsvorderingen een bedreiging kan uitmaken in de zin van de vermelde bepalingen, terwijl een dergelijke dreiging een morele dwang kan uitmaken door het verwekken van vrees voor een dreigend kwaad; door te oordelen dat het dreigen met gerechtelijke procedures nooit een bedreiging kan uitmaken zoals hier bedoeld, ongeacht de omvang van de gevorderde som en ongeacht het tergend en roekeloos karakter van de geplande rechtsvorderingen, miskent het arrest de vermelde bepalingen.

2. Artikel 470 Strafwetboek stelt strafbaar "hij die met behulp van geweld of bedreiging afperst, hetzij gelden, waarden, roerende voorwerpen, schuldbrieven, biljetten, promessen, kwijtingen, hetzij de ondertekening of de afgifte van enig stuk dat een verbintenis, beschikking of schuldbevrijding inhoudt of teweegbrengt".

Onder bedreiging wordt, krachtens artikel 483, tweede lid, Strafwetboek, verstaan "alle middelen van morele dwang door het verwekken van vrees voor een dreigend kwaad". Als zodanig moet worden beschouwd het kwaad waartegen de be-dreigde persoon denkt niets te kunnen ondernemen.

3. Behoudens in bijzondere gevallen die te maken hebben met de concrete omstandigheden waarin de feiten plaatsvinden of met de persoon van het slachtoffer, is er geen bedreiging in de zin van de vermelde bepalingen wanneer het vermeen-de slachtoffer een beroep kan doen op wettelijke middelen om de dreiging te doen ophouden of af te wenden, wat het geval is wanneer hij zich kan verdedigen voor de rechters voor wie de vermeende afperser dreigt de rechtsvorderingen in te stel-len. Het enkele feit dat die rechtsvorderingen overdreven of ongerechtvaardigd zouden zijn, doet daaraan geen afbreuk.

4. Met de reden zoals in het middel aangehaald, oordeelt het arrest niet dat een dreiging met rechtsvorderingen nooit afpersing kan opleveren, maar verantwoordt het de beslissing tot buitenvervolgingstelling van de verweerder omdat het hem verweten feit geen misdrijf uitmaakt, naar recht.
Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 67,51 euro waarvan 32,51 euro verschuldigd is.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

Noot: 

• Tijdschrift voor Strafrecht [T.Strafr.] VASSEUR, Roeland; Noot 'Het gerecht als 'bedreiging' in de zin van artikel 483, lid 2 van het Strafwetboek' 2015, nr. 4/5, p. 264-267.

• Tijdschrift voor Strafrecht, 2005, 54, Antwerpen 22 juni 2004 met noot L. Huybrecht.

• Tijdschrift voor Omgevingsrecht en Omgevingsbeleid [TOO] LUST, Antoon; Noot 'Nooit afpersing in vergunningsgeschillen?' 2015, nr. 3, p. 406-409.

•Tijdschrift voor Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw [TROS] HAENTJENS, Frederik; Noot 'Afpersing in het ruimtelijkeordeningsrecht' 2015, nr. 80, p. 355-359.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 29/10/2016 - 13:03
Laatst aangepast op: ma, 09/01/2017 - 14:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.