-A +A

Doorverwijzing naar een bemiddelaar belet niet dat nadien nog in limine litis excepties worden ingeroepen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 31/05/2010

Een arbitrageclausule dient te voldoen aan de artikelen 1676 en 1677 Ger.W. Partijen die bekwaam of bevoegd zijn om een dading aan te gaan, kunnen overeenkomen om op een onafhankelijke en onpartijdige derde beroep te doen om hun geschil omtrent een bepaalde rechtsbetrekking waarover een dading mag worden gesloten, buitengerechtelijk te laten beslechten via een arbitrale procedure.

Op een "in limine litis" voorgedragen exceptie van een partij, verklaart de rechter voor wie een aan arbitrage onderworpen geschil is aanhangig gemaakt, zich zonder rechtsmacht om daarvan kennis te nemen (art. 1679, 1° Ger.W.)

Overeenkomstig art. 1734 § 1 Ger.W. kan in elke stand van het geding, de reeds geadieerde rechter, op gezamenlijk verzoek van de partijen, of op eigen initiatief maar met instemming van de partijen, een bemiddeling bevelen.

Wanneer een rechter partijen doorverwijst naar een bemiddelaar overeenkomstig art. 1734 §1 e.v. Ger.W., wordt er nog géén enkel aspect van het geschil en van de vorderingen beslecht.

Wanneer een rechter partijen doorverwijst naar een bemiddelaar oordeelt hij niet over zijn vereiste rechtsmacht en verklaart hij zelfs niet impliciet over de nodige rechtsmacht te beschikken om het geschil te beslechten.

Een bemiddeling is géén geschillenbeslechting. Wie een zaak beslecht, oordeelt over een bepaald geschil volgens de principes van wet, rechtspraak, rechtsleer, enz. ... De bemiddelaar daarentegen helpt enkel de partijen bij het zoeken naar een redelijke en voor beide partijen aanvaardbare oplossing, dit zonder te oordelen.

Publicatie
tijdschrift: 
niet gepubliceerd
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Gent, 7bis kamer, 31 mei 2010

In de zaak van:

ERIKO B.V.B.A.,
met maatschappelijke zetel te 2930 BRASSCHAAT, Lange Straat 91, ingeschreven met KBO-nummer 0895.118.374,
appellante,

tegen:

TROC COM BENELUX NV (voorheen GDP DEVELOPMENT NV),
met maatschappelijke zetel te 6040 JUMET (CHARLEROI), Rue Bastin 16/2, ingeschreven met KBO-nummer 0460.913.712,
geëntimeerde,

velt het Hof het volgend arrest:

De partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies, alsook werden hun stukken ingezien.

1.

Bij verzoekschrift, neergelegd op 12 februari 2010, heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 8 januari 2010 op tegenspraak gewezen door de 1ste kamer van de rechtbank van koophandel te Gent (A/09/02285). Een exploot van betekening ligt niet voor.

Feiten en procedure in eerste aanleg

2.

De NV TROC.COM BENELUX, voorheen de NV G.D.P. DEVELOPMENT (hierna: "geëntimeerde") is een Belgische dochtervennootschap van de Franse groep TROC.COM, gespecialiseerd in depot-verkoop van tweedehandse meubelen.

In België zijn er ongeveer dertig TROC-winkels actief, meestal uitgebaat via een overeenkomst van franchising. Eind 2007 zocht geëntimeerde een overnemer voor de TROC-winkel te Gent, Dok Zuid 27a.

Geëntimeerde kwam in contact met E.... C......., aan wie zij een bundel genaamd "pre-contractueel informatiedocument" van 7 december 2007 overhandigde. Er werd een franchisingovereenkomst ondertekend op 14 december 2007.

Bij akte van 18 januari 2008 werd de BVBA ERIKO (hierna: "appellante") opgericht, met V...... V.... M......... als zaakvoerder en als doel de uitbating van een winkel voor depot-verkoop van tweedehandse meubelen.

De overname van de winkel startte per 1 april 2008. Hierbij werden enkele bijkomende overeenkomsten ondertekend door E.... C....... namens appellante: (1) op 1 april 2008 de overdracht van de stock in de winkel, kassa en postzegels ; (2) op 15 april 2008 de overdracht van het handelsfonds, met afspraken rond prijs en overname van de handelshuur ; (3) op 25 april 2008 de overname van de handelshuurovereenkomst.

Appellante stelt dat reeds van bij de aanvang van de exploitatie problemen rezen: E..... C........ was niet de geschikte persoon, de winkel was een puinhoop en als voornaamste gebrek bleek de handelszaak steeds verlieslatend te zijn geweest.

Volgens appellante had zij, ondanks de wettelijke plicht van de franchisegever conform de Wet van 19 december 2005 betreffende de precontractuele informatieplicht bij commerciële samenwerkingsovereenkomsten, géén kennis gekregen van essentiële informatie (eigen jaarrekening) véér de ondertekening van de franchisingovereenkomst.

Per 1 april 2009 zette appellante de uitbating van de winkel stop.

Bij dagvaarding, betekend op 26 mei 2009, vorderde appellante lastens geëntimeerde:

(1) de nietigverklaring van het franchising-contract van 14 december 2007, de overeenkomst tot overdracht van handelsfonds van 15 april 2008 en de overeenkomst tot overdracht van handelshuur van 25 april 2008, alsook alle hieraan verbonden tussen partijen gesloten overeenkomsten, dit op grond van artikel 5 van de Wet van 19 december 2005 ;

(2) ondergeschikt: de ontbinding van voormelde overeenkomsten wegens wanprestatie ;

(3) in elk geval veroordeling tot betaling van een provisionele schadevergoeding van: 15.000,00 EUR (betaalde instapfee) + 11.514,61 EUR (betaalde commissies) + 25.912,63 EUR (verlies) + 50.000,00 EUR (bijkomend gefinancierd bedrag) + 25.000,00 EUR (kosten beëindiging huur) + 10.000,00 EUR (kosten stopzetting handelszaak) = 147.427,24 EUR, méér de wettelijke rente vanaf datum dat de oorspronkelijke bedragen werden betaald, c.q. vanaf datum van de ingebrekestelling op 19 februari 2009, méér de gedingkosten.

Geëntimeerde betwistte de vordering als onontvankelijk bij gebrek aan rechtsmacht (art. 18 van het franchisingcontract voorziet arbitrage), minstens bij gebrek aan hoedanigheid (ze handelde met E.... C........). Ondergeschikt vorderde ze voorbehoud om aanvullend te concluderen over de grond van de zaak en een tegeneis in te stellen.

Op 21 juli 2009 gingen partijen over tot het opmaken van een inventaris van alle goederen in het handelspand te Gent en werden de sleutels onder alle voorbehoud van rechten van beide partijen overgemaakt aan geëntimeerde.

Bij vonnis van 18 september 2009 stelde de eerste rechter vast dat partijen het eens waren met een bemiddeling. Overeenkomstig art. 1734 §1 Ger.W. werd de bemiddeling bevolen en werd mr. G...... W.................... als bemiddelaar aangesteld. Er werd geen akkoord bereikt.

Bij het vonnis a quo van 8 januari 2010 stelde de eerste rechter vast dat zij géén rechtsmacht heeft om het geschil te beoordelen, waarbij appellante werd veroordeeld tot de gedingkosten nl. 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Procedure in hoger beroep

3.

Voor een uitgebreide uiteenzetting van de middelen en argumenten van partijen in hoger beroep, wordt verwezen naar de beroepsakte en de conclusies.

Beoordeling

4.

Op basis van art. 747 §1 Ger.W. werden op 22 maart 2010 de conclusietermijnen van partijen bepaald, waarbij geëntimeerde uiterlijk op 27 april 2010 conclusie mocht neerleggen.

De door geëntimeerde op 27 april 2010 neergelegde conclusie is derhalve tijdig en het verzoek vanwege appellante tot wering van deze conclusie is ongegrond.

5.

In artikel 18 van de frachisingovereenkomst (stuk 1 partijen) wordt expliciet gesteld:

"TOEPASSELIJK RECHT EN RECHTSBEVOEGDHEIDSCLAUSULE:

Alleen het Belgische recht is van toepassing op het onderhavige contract, met name wat betreft de interpretatie, de uitvoering en de ontbinding ervan.
De franchisenemer verbindt zich ertoe om, in het geval van een geschil met een ander lid van het netwerk, het meningsverschil voor te leggen aan de franchisegever alvorens een rechtsvordering in te stellen.

Alle betwistingen waartoe het onderhavige contract aanleiding zou kunnen geven, met name wat betreft de geldigheid, de interpretatie, de niet-naleving of de ontbinding ervan, moeten ter arbitrage worden voorgelegd". (onderlijning door het Hof)

Deze arbitrageclausule voldoet aan de artikelen 1676 en 1677 Ger.W. Partijen die bekwaam of bevoegd zijn om een dading aan te gaan, kunnen overeenkomen om op een onafhankelijke en onpartijdige derde beroep te doen om hun geschil omtrent een bepaalde rechtsbetrekking waarover een dading mag worden gesloten, buitengerechtelijk te laten beslechten via een arbitrale procedure.

Op een "in limine litis" voorgedragen exceptie van een partij (zoals geëntimeerde deed), verklaart de rechter voor wie een aan arbitrage onderworpen geschil is aanhangig gemaakt, zich zonder rechtsmacht om daarvan kennis te nemen (art. 1679, 1° Ger.W.)

5.1.

Overeenkomstig art. 1734 § 1 Ger.W. kan in elke stand van het geding, de reeds geadieerde rechter, op gezamenlijk verzoek van de partijen, of op eigen initiatief maar met instemming van de partijen, een bemiddeling bevelen.

In het kader van deze gerechtelijke bemiddeling stelde de eerste rechter bij vonnis van 18 september 2009 mr. G...... W.......als bemiddelaar aan. De duur van de bemiddeling werd voorlopig op

één maand bepaald en de zaak werd in voortzetting gesteld ter terechtzitting van 20 november 2009 om 10 uur.

Wanneer een rechter partijen doorverwijst naar een bemiddelaar overeenkomstig art. 1734 §1 e.v. Ger.W., wordt er nog géén enkel aspect van het geschil en van de vorderingen beslecht.

Ten onrechte stelt appellante dat de eerste rechter hierbij impliciet oordeelde zelf over de vereiste rechtsmacht te beschikken om het geschil te beslechten.

Een bemiddeling is géén geschillenbeslechting. Wie een zaak beslecht, oordeelt over een bepaald geschil volgens de principes van wet, rechtspraak, rechtsleer, enz. ... De bemiddelaar daarentegen helpt enkel de partijen bij het zoeken naar een redelijke en voor beide partijen aanvaardbare oplossing, dit zonder te oordelen.

Het initiatief tot bemiddeling kwam in casu trouwens volledig van beide partijen. Uit haar akkoord met bemiddeling, kan niet worden afgeleid dat geëntimeerde afstand deed van de contractueel voorziene arbitrage voor geschillenbeslechting (vgl. art. 1679, 2° Ger.W.).

5.2.

De Wet van 19 december 2005 betreffende de precontractuele informatie bij commerciële samenwerkingsovereenkomsten is enkel van toepassing op de precontractuele fase die is voorafgegaan aan de franchisingovereenkomst.

De betwisting in casu reikt echter véél verder dan de geldigheid van het precontractueel informatiedocument van 7 december 2007 (stuk 2 appellante). Het betreft ook de geldigheid, de interpretatie, de uitvoering en de nietigheid van de franchisingovereenkomst zelf. Ook andere accessoire contracten (overdracht handelsfonds en handelshuur - stukken 3 en 4 appellante), die het lot volgen van het hoofdcontract van franchising, zijn in het geschil betrokken.

Appellante roept tevergeefs de Wet van 19 december 2005 in om de franchisingovereenkomst en alle hieraan verbonden overeenkomsten nietig te zien verklaren.

Ten onrechte argumenteert appellante op basis van de "analogie" met de Wet van 27 juli 1961 op de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde duur gesloten overeenkomsten van concessie van alleenverkoop. Laatstgenoemde wet betreft de beëindiging van concessieovereenkomsten, terwijl de Wet van 19 december 2005 enkel de precontractuele fase betreft.

 

5.3. Op bovenstaande gronden is het Hof van oordeel dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld over géén rechtsmacht te beschikken. Het eerste vonnis moet worden bevestigd.

Van de rechtsplegingsvergoeding wordt de hoegrootheid bepaald door het bedrag van de vordering en niet op basis van wat de rechter uitsprak. In eerste aanleg vorderde appellante in totaal betaling van 147.427,24 EUR. Er is geen sprake van een "niet in geld waardeerbare vordering". Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt in casu 5.000,00 EUR.

Herleiding tot het minimumbedrag kan niet worden toegestaan, waar appellante nergens aantoont "het financieel niet gemakkelijk " te hebben. Ook hier oordeelde de eerste rechter correct volgens art. 1022 Ger.W. en artikel 2 van het K.B. van 26 oktober 2007.

OM D E Z E R E D E N E N
H E T H O F:

Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep onontvankelijk;

Bevestigt het bestreden vonnis;

Veroordeelt appellante tot de gedingkosten van de beroepsprocedure, vereffend in hoofde van geëntimeerde op 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Aldus gewezen door de zevende bis kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Frank Deschoolmeester, alleenrechtsprekend raadsheer bijgestaan door Leentje Mouton, griffier en uitgesproken door de alleenrechtsprekend raadsheer in openbare terechtzitting op éénendertig mei tweeduizend en tien.

Noot: 

R. Steennot, exceptie van gebrek aan rechtsmacht, noot onder rb. Kh Tongeren 22 oktober 2013, NJW 2014/312, 903, bevestigend dat de exceptie van gebrek aan rechtsmacht voor elk verweer dient ingeroepen.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 04/04/2018 - 16:16
Laatst aangepast op: vr, 11/05/2018 - 00:16

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.