-A +A

Distributiecontracten van elektriciteit zijn reglementair en niet contractueel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
zat, 08/12/2012
A.R.: 
C.11.0568.N

De rechtsverhouding distributiebeheerder en afnemer is reglementair en niet contractueel.

Krachtens art. 159 Gw. passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke gebruiken en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Deze bepaling is in algemene bewoordingen gesteld en maakt geen onderscheid naargelang de aard van de wetten waarmee de daarin bedoelde besluiten en verordeningen moeten overeenstemmen om door de rechter te kunnen worden toegepast. Hieruit volgt dat de rechter de besluiten en verordeningen die niet overeenstemmen met wilsaanvullende wetsbepalingen, niet mag toepassen.

Probleemstelling:

Welke schade kan een een gebruiker van een elektriciteitsnet die door overspanning van het net schade lijdt vergoed zien?

Distributienetbeheerder beroepen zich vaak op het reglement inhoudende aansprakelijkheidsbeperking.

Art. 2 C van het reglement voor de aftakking, het ter beschikking stellen en het afnemen van elektriciteit in hoogspanning stelt dat alleen lichamelijke schade en materiële schade aan exclusief voor privédoeleinden gebruikte goederen in aanmerking komt.

De schadelijders kunnen dan met succes opwerpen dat die reglementaire exoneratiebepaling niet mogen toegepast worden omdat ze afwijken van de wettelijke bepalingen inzake buitencontractuele aansprakelijkheid (art.1382 B.W).,

• Vred. Roeselare 18 februari 2010, T.Vred. 2012, 316, noot A. Van Oevelen;
• Gent 23 december 2010, TGR-TWVR 2012, 162, noot P. Van Caenegem),

De schadelijders hebben derhalve recht op integrale vergoeding

Casatie tegen de toepassing van dit recht op integrale vergoeding resulteerde voor de netbeheerders niet in succes

• Cass. 8 maart 2012 (AR nr. C.11.0027.N; AR nr. C.11.0568.N);
• Cass. 4 december 2000, RW 2002-03, 1578, noot A. Van Oevelen;
• Cass. 27 november 2006, RABG 2007, 1257, noot L. Phang;
• Cass. 3 juni 2010, RW 2012-13, 1);
• RvS 27 september 1988, nr. 30.876, DCCR 1989, 62, noot P. De Vroede, DAOR 1989, 107, noot D. Philippe
• Cass. 27 november 2006;
• Cass. 3 juni 2010;

Rechtsleer:

• F. Vandendriessche, W. Geldhof en A. Carton, “De aard van de rechtsverhouding in nutssectoren: reglementair of contractueel” in I. Claeys, R. Steennot en M. Tison (eds.), Economisch recht: ondernemingen, concurrenten en consumenten, Mechelen, Kluwer, 2011, 201;

• A. Van Oevelen, “De contractuele versus de reglementaire rechtsverhouding tussen openbare nutsbedrijven en hun gebruikers, en de rechterlijke toetsing van de in die rechtsverhouding gehanteerde exoneratieclausules” (noot onder Cass. 4 december 2000), RW 2002-03, 1580;

• B. Peeters, “De verhouding tussen openbare diensten en hun gebruikers: een reglementaire relatie?”, RW 1990-91, 137);

• L. Phang, “Over de rechtsverhouding tussen elektriciteitsmaatschappijen en hun afnemers en het samenloopverbod in deze verhouding” (noot onder Cass. 27 november 2006), RABG 2007, p. 1270, nr. 9;

• F. Maussion, ”La responsabilité des pouvoirs locaux” in La responsabilité des pouvoirs publics, Brussel, Bruylant, 1991, 108; E. Van Hooydonk, “De geldigheid van in havenreglementen opgenomen bevrijdingsbedingen”, RW 1990-91, 1395)

• E. Dirix, “Algemene contractsvoorwaarden en monopolies” (noot onder Antwerpen 20 januari 1987), RW 1986-87, 2724).

• A. Mast, J. Dujardin, M. Van Damme en J. Vande Lanotte, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Mechelen, Kluwer, 2012, 5

• C. Delforge en J.F. Germain, “Le consommateur et les services publics. Etude de droit privé” in H. Dumont, P. Jadoul e.a. (eds.), Le service public: passé, présent et avenir, Brussel, la Charte, 2009, 446).

• P. Van Der Wielen, “La validité et la force obligatoire des clauses exonératoires de responsabilité contenues dans les conditions générales de distribution de l’électricité à la lumière d’une jurisprudence récente”, TBBR 1993, 430

• B. Peeters, De continuïtieit van het overheidsondernemen, Antwerpen, Maklu, 1989, 92-172).

• A. Van Oevelern, noot onder Cass. 4 december 2000, RW 2002-03, 1578;

• Rb. Kortrijk 21 maart 1995, Iuvis 1997, 718).

• F. Vandendriessche, “De invulling van het begrip administratieve overheid na de arresten Gimvindus en BATC van het Hof van Cassatie”, RW 2000-01, 500

•  D. Déom, Le statut juridique des entreprises publiques, Brussel, StoryScientia, 1990, 417;

• E. Van Hooydonck, RW 1990-91, 1391 en 1392). Qui peut le plus, peut le moins?;

• A. De Boeck, “De toetsing van de geldigheid van de in havenreglementen opgenomen bevrijdingsbedingen aan de beginselen van behoorlijk bestuur”, RW 2000-01, 57

Rechtspraak:

• Cass. 30 mei 2011 (verenigde kamers), AR C.10.0508.N, Vlaams Doping Tribunaal vzw, Vlaamse Gemeenschap t/ X.M-V, www.cass.be,

• Cass. 14 februari 1997 RW 1996-97, 1433.

• RvS 27 juli 1979, nr. 19.776, Scheuermann

• Cass. 6 september 2002, RW 2002-03, 817, noot R. Verstegen).

• Cass. 30 mei 2011, AR C.10.0508.N, www.cass.be).

• Cass. 26 april 1960, Pas. 1960, I, 1000;

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2013-2014
Pagina: 
1660
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

CVBA I.M.G.E.W. t/ NV K.V., J. De W. en G.V.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 23 december 2010.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Krachtens art. 159 Gw. passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen.

Deze bepaling is in algemene bewoordingen gesteld en maakt geen onderscheid naargelang de aard van de wetten waarmee de daarin bedoelde besluiten en verordeningen moeten overeenstemmen om door de rechter te kunnen worden toegepast.

Hieruit volgt dat de rechter de besluiten en verordeningen die niet met wilsaanvullende wetsbepalingen overeenstemmen, evenmin mag toepassen.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

2. In zoverre het middel schending aanvoert van art. 1101, 1102, 1106, 1108 en 1134, eerste lid BW, is het niet ontvankelijk, omdat deze bepalingen niet van toepassing zijn op een rechtsverhouding die, zoals te dezen, niet van contractuele maar van reglementaire aard is.

3. In zoverre het middel schending aanvoert van art. V.2, b van het reglement voor de aftakking, het ter beschikking stellen en het afnemen van elektriciteit in laagspanning, is het afgeleid uit de hiervoor tevergeefs aangevoerde schending van de overige in het middel aangehaalde wetsbepalingen en mitsdien niet ontvankelijk.

 

Noot: 

Noot onder dit arrest in RW 2013-2014, 1660, I. Claeys, Normenhiërarchie en afwijkingen van (aansprakelijkheids)wetgeving in reglementaire verhoudingen

I. Wat zijn reglementaire verhoudingen?
II. Is er nog ruimte in reglementaire verhoudingen voor van het gemene (aansprakelijkheids)recht afwijkende voorwaarden?


Zie ook Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, Afdeling Turnhout, 9 februari 2015, RW 2018-2018, 392

samengevat:

Rechtsverhoudingen tussen de distributienetbeheerder van een elektriciteitsnet en zijn afnemers zijn van reglementaire aard.

Een bepaling in het reglement het reglement van een distributienetbeheerder van een elektriciteitsnet waarin wordt gesteld dat de aansprakelijkheid van de netbeheerder op grond van art. 1384, eerste lid BW wordt uitgesloten is onwettig en dient met toepassing van art. 159 Gw. buiten toepassing te worden gelaten

De distributienetbeheerder van een elektriciteitsnet dient te worden beschouwd als bewaarder van dit net in de zin van art. 1384, eerste lid BW.

Wanneer het elektriciteitsdistributienet ingevolge een defect geen stroom meer levert, wijkt dit af van de normale gesteldheid van een elektriciteitsdistributienet en vertoont dit net een gebrek in de zin van art. 1384, eerste lid BW.

Een forfaitaire beperking van de schadevergoeding verschuldigd door de distributienetbeheerder van een elektriciteitsnet in geval van een stroomonderbreking is geldig en verantwoord in het belang van de openbare dienst.

tekst vonnis

NV M.P. t/ CVBA E. en I.

I. Feiten

Verweerster is de exploitant en de vrijwillig tussenkomende partij is de eigenaar van het distributienet van elektriciteit waarop eiseres is aangesloten.

Op 13 februari 2012 deed zich een panne voor op het net aan de zetel van eiseres. Eiseres meldde dit aan verweerster om 8 u 32. Deze verwittigde haar technische dienst om 8 u 42, die ter plaatse was om 8 u 55. De panne was hersteld om 12 u 50.

Volgens eiseres waren van de driefasige stroomaansluiting twee fasen aan elkaar gesmolten. De interventiefiche van verweerster vermeldt dat volgens eiseres één fase was uitgevallen, maar maakt geen melding van het aaneensmelten van twee fasen.

Namens eiseres stelde verzekeraar NV A.I. (dienst rechtsbijstand) verweerster in gebreke tot vergoeding van de schade, begroot op 2.261,60 euro. De beweerde schade bestaat in verlies ingevolge het stilvallen van de machines; er werd geen schade toegebracht aan de installaties van eiseres.

Verweerster betwistte haar aansprakelijkheid in brieven van 29 februari 2012 en 9 mei 2012.

Daarop volgden de dagvaarding en de vrijwillige tussenkomst.

De vrijwillig tussenkomende partij verwijst in haar argumentatie naar onder meer haar reglement van 6 november 2006 «betreffende de aansluitingen op het distributienet laagspanning U

n

1 kV voor afname en injectie van elektrische energie», dat in art. 8.2, «aansprakelijkheid inzake aansluiting op LS» bepaalt (DNB staat voor distributienetbeheerder, de vrijwillig tussenkomende partij; DNG staat voor distributienetgebruiker, eiseres):
«8.2.2 Schade aan zaken gebruikt voor andere dan privé-doeleinden

«Met inachtneming van de hierna genoemde regels, is de DNB aansprakelijk voor de door de DNG geleden schade aan zaken gebruikt voor andere dan privédoeleinden wanneer is aangetoond dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van een aan de DNB toerekenbare fout.

«Bijgevolg is de DNB niet aansprakelijk voor schade als gevolg van een gebrek in de zaak tenzij wordt aangetoond dat het gebrek te wijten is aan een fout van de DNB.

«Met betrekking tot het verzegelde gedeelte van de aansluiting dat zich bevindt in het betrokken vastgoed van de DNG, draagt de DNB evenwel de bewijslast om aan te tonen dat het gebrek, het defect of de storing buiten zijn fout of nalatigheid werd veroorzaakt.

«Met betrekking tot schade als gevolg van een gebrek, defect of storing aan de nulgeleider, draagt de DNB eveneens de bewijslast om aan te tonen dat dit gebrek, defect of storing buiten zijn fout of nalatigheid werd veroorzaakt.

«Voor de rechtstreekse materiële schade aan zaken gebruikt voor andere dan privédoeleinden, wordt de vergoeding van de schade als volgt voorzien:

a) In geval van bedrog, opzet, zware fout of nalatigheid, stelt de DNB de DNG volledig (niet-forfaitair) schadeloos;

b) In geval van gewone fout of nalatigheid is de aansprakelijkheid van de DNB beperkt tot het forfaitaire bedrag zoals nader bepaald in Bijlage 1, onder aftrek van een vrijstelling van 250 euro per benadeelde DNG.

«Voor alle andere door de DNG aangetoonde schade in het kader van activiteiten andere dan privé (onrechtstreekse schade of immateriële schade) en behoudens in geval van bedrog of opzet, gaat de DNB uitsluitend over tot betaling van een schadevergoeding wanneer zich een stroomonderbreking voordoet die meer dan vier uren bedraagt en die het rechtstreekse gevolg is van een aan de DNB toerekenbare fout. In voorkomend geval is het bedrag van de schadevergoeding in ieder geval beperkt tot het forfaitaire bedrag van 100 euro per benadeelde DNG».

...

II. Vorderingen

Met de inleidende dagvaarding vroeg eiseres de veroordeling van verweerster, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande ieder rechtsmiddel, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement, tot betaling van 2.261,60 euro, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 13 februari 2012 en de gerechtelijke interesten.

In conclusies stelt zij dezelfde vordering tegen verweerster en de vrijwillig tussenkomende partij, in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere.

Verweerster en de vrijwillig tussenkomende partij vragen:

– de vordering ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

– minstens verweerster buiten zake te stellen;

– subsidiair de vordering van eiseres ontvankelijk maar slechts gedeeltelijk gegrond te verklaren.

III. In rechte

A. Rechtsverhouding tussen partijen

1. Partijen zijn het er terecht over eens dat de verhouding tussen eiseres en de vrijwillig tussenkomende partij van reglementaire aard is.

Uit deze reglementaire rechtsverhouding volgt dat de vrijwillig tussenkomende partij eenzijdig kan overgaan tot wijziging van haar reglementen (uiteraard binnen de grenzen van de regelgeving en hogere normen) (F. Vandendriessche e.a., «De aard van de rechtsverhoudingen in nutssectoren: reglementair of contractueel?» in XXXVIIste Postuniversitaire Cyclus Willy Delva 2010-2011. Economisch recht: ondernemingen, concurrenten en consumenten, Mechelen, Kluwer, 2011, 229).

Hieruit volgt dat de vrijwillig tussenkomende partij tegenover eiseres in voorkomend geval buitencontractueel aansprakelijk kan worden gesteld (F. Vandendriessche, o.c., 231).

Verweerster licht toe dat zij in naam en voor rekening van de vrijwillig tussenkomende partij heeft ingestaan voor de exploitatie van het net en dat zij in dezen niet is opgetreden als leverancier.

Bij gebrek aan contractuele band zou ook verweerster in voorkomend geval buitencontractueel aansprakelijk gesteld kunnen worden.

2. Eiseres voert aan dat het reglement geen toepassing kan vinden omdat zij reeds klant was vóór het werd uitgevaardigd.

De reglementaire relatie tussen partijen impliceert evenwel de mogelijkheid van de vrijwillig tussenkomende partij om eenzijdig tot wijziging over te gaan. Bijgevolg geldt het reglement ten opzichte van eiseres.

B. Aansprakelijkheid

1. Eiseres acht verweerster en de vrijwillig tussenkomende partij aansprakelijk op grond van art. 1382 en art. 1384, eerste lid BW.

Verweerster en de vrijwillig tussenkomende partij betwisten het bestaan van enige fout. Zij zijn het erover eens dat de vrijwillig tussenkomende partij bewaarder is van het elektriciteitsnet in de zin van art. 1384, eerste lid BW, en niet verweerster.

Voorts verwijst de vrijwillig tussenkomende partij naar de aansprakelijkheidsbeperkingen in haar reglement. Eiseres acht deze onwettig.

2. Wat de fout betreft, vermeldt eiseres «onzorgvuldig handelen door een gebrekkige installatie en/of gebrek aan onderhoud ervan».

Het loutere feit dat zich een panne voordeed, bewijst evenwel geen gebrek aan onderhoud. Verweerster en de vrijwillig tussenkomende partij dienen een enorme installatie te beheren en te onderhouden. Het beperkte aantal pannes dat zich voordoet, spreekt tegen dat dit slecht zou gebeuren.

3. Wat het ingeroepen gebrek betreft, dient de vrijwillig tussenkomende partij te worden gevolgd dat zij ten opzichte van eiseres te beschouwen is als bewaarder in de zin van art. 1384, eerste lid BW, en niet verweerster. Het is immers de vrijwillig tussenkomende partij die distributienetbeheerder is en niet verweerster.

De vrijwillig tussenkomende partij acht art. 1384, eerste lid BW niet van toepassing, omdat er geen sprake was van een gebrek in de geleverde elektriciteit, maar van een niet-levering van elektriciteit. Eiseres baseert haar vordering evenwel niet op een gebrek in de geleverde elektriciteit, maar op een gebrek in het distributienet.

4. De vrijwillig tussenkomende partij verwijst naar de geciteerde exoneratie in art. 8.2.2, tweede lid van haar reglement. Deze clausule houdt een afwijking in op art. 1384, eerste lid BW: in het gemene aansprakelijkheidsrecht vereist de aansprakelijkheid van de bewaarder van een gebrekkige zaak geen fout van de bewaarder. De clausule komt in werkelijkheid neer op volledige uitsluiting van de gemeenrechtelijke aansprakelijkheid als bewaarder van een gebrekkige zaak, want de vrijwillig tussenkomende partij zou daarvoor slechts aansprakelijk zijn in geval van een aan haar toerekenbare fout, wat meteen aansprakelijkheid op grond van art. 1382 BW zou impliceren.

Eiseres vraagt met toepassing van art. 159 Gw. terecht om deze bepaling niet toe te passen. Art. 159 Gw. is van toepassing op dergelijke reglementen, ook wanneer zij afwijken van bepalingen van aanvullend recht (Cass. 8 maart 2012, RW 2013-14, 1660, noot I. Claeys en S. Rynwalt). Voor de reglementaire uitsluiting van de aansprakelijkheid op grond van art. 1384, eerste lid BW kan geen rechtsgrond worden gevonden; de vrijwillig tussenkomende partij geeft er overigens ook geen aan.

Het belang van de goede werking van de openbare dienst die de elektriciteitsdistributie is, vereist ook geen uitsluiting van aansprakelijkheid op grond van art. 1384, eerste lid BW.

Art. 8.2.2, zesde lid van het reglement van de vrijwillig tussenkomende partij heeft hetzelfde gevolg als het tweede lid in zoverre het bepaalt dat alleen schadevergoeding wordt uitbetaald voor een stroomonderbreking die het rechtstreeks gevolg is van een aan de vrijwillig tussenkomende partij toerekenbare fout. Deze clausule kan evenmin toepassing vinden in zoverre de aansprakelijkheid op grond van art. 1384, eerste lid BW wordt uitgesloten.

5. Een gebrek in de zin van art. 1384, eerste lid BW was effectief aanwezig. De vrijwillig tussenkomende partij maakt zelf melding van een ondergronds defect met onbekende oorzaak. Een elektriciteitsdistributienet dat ingevolge een defect geen stroom meer levert, wijkt af van de normale gesteldheid van een dergelijk net en vertoont dus een gebrek.

Als bewaarder is de vrijwillig tussenkomende partij aansprakelijk, ongeacht of zij het gebrek al dan niet kende of kon kennen en ongeacht of zij schuld heeft aan het gebrek. Zij zou zich slechts van haar aansprakelijkheid kunnen bevrijden indien zij zou aantonen dat niet het gebrek, maar de (beweerde) schade van eiseres het gevolg is van een vreemde oorzaak (fout van eiseres, fout van een derde).

6. De vrijwillig tussenkomende partij verwijt eiseres een fout, bestaande in een overtreding van art. 127 AREI: de driefasig aangesloten toestellen van eiseres hadden moeten voorzien zijn op het wegvallen van één fase.

Deze bepaling vindt evenwel geen toepassing: art. 127, tweede lid AREI verplicht gepaste maatregelen te nemen «indien de onderbreking van één enkele fase gevaar kan opleveren, bijvoorbeeld in geval van driefasige motoren». Het loutere stilvallen van de machines van eiseres bij gebrek aan stroom leverde geen gevaar in de zin van die bepaling (zoals bv. wel in geval van noodzakelijke verluchting of veiligheidssystemen).

Daarnaast verwijt de vrijwillig tussenkomende partij eiseres dat zij niet zelf het nodige deed om de continuïteit van de stroomvoorziening te garanderen, bijvoorbeeld door plaatsing van batterijen of een afzonderlijke noodvoeding.

Wegens het beperkte aantal onderbrekingen ingevolge gebreken aan het distributienet zou dit echter een buitensporige kost zijn met zich meebrengen en kan de afwezigheid van een dergelijke installatie dan ook niet als een fout van de elektriciteitsgebruiker beschouwd worden.

Het besluit is dus dat uitsluitend de vrijwillig tussenkomende partij aansprakelijk is voor de schade van eiseres.

C. Schade van eiseres – Beperking van schadevergoeding

1. Wat de vergoeding betreft, meent de vrijwillig tussenkomende partij op basis van art. 8.2.2, zesde lid van haar reglement dat deze beperkt is tot 100 euro.

Anders dan voor de uitsluiting van een aansprakelijkheidsgrond op zich, is een forfaitaire beperking van de verschuldigde vergoeding wel verantwoord in het belang van de openbare dienst. Een elektriciteitspanne kan immers vele benadeelden hebben en aanleiding geven tot grote schade met vele discussies over begroting. Een forfaitaire regeling draagt bij tot enerzijds rechtszekerheid en snelle regeling en anderzijds beperking van de risico’s voor de distributienetbeheerder tot een redelijk niveau. Dit geldt des te meer zoals in voorliggende zaak, waar de schade is beperkt tot stilligschade en geen vordering wordt ingesteld voor schade aan personen of goederen.

Sinds 1 januari 2015 geldt ook een decretaal geregelde (forfaitaire) vergoeding van schade bij niet-geplande stroomonderbrekingen (art. 4.1.11/5, § 1 Energiedecreet). Deze bepaling is niet van toepassing op voorliggende zaak, maar geeft wel aan dat ook de decreetgever heeft geoordeeld dat een forfaitaire en beperkte schadevergoeding verantwoord is.

2. Het is wel evident dat eiseres schade heeft geleden doordat haar vestiging gedurende enkele uren stillag. Het kan worden aangenomen dat de schade 100 euro in hoofdsom bereikte, zodat de vordering voor dat bedrag gegrond is, te vermeerderen met vergoedende interesten vanaf 13 februari 2012.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 14/06/2014 - 15:22
Laatst aangepast op: wo, 01/11/2017 - 16:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.