-A +A

Discretionaire beoordelingsbevoegdheid van tuchtoverheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
don, 29/06/2017
A.R.: 
238.717

De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het vlak van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag zich daarbij niet alleen te baseren op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien, zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen.

Het komt aan de Raad van State niet toe om, in het kader van zijn wettigheidstoezicht, zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen in de zin van art. 3 van de tuchtwet. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1544
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

D.E. t/ Politiezone H.

Arrest nr. 238.717

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 14 augustus 2014, strekt tot de nietigverklaring van «[h]et besluit van het politiecollege van de pz Herko van 19 juni 2014 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de schorsing bij tuchtmaatregel voor een duur van één week is opgelegd».

...

3.4. Met een beslissing van 19 juni 2014 wordt aan verzoeker de zware tuchtstraf van de schorsing gedurende één week opgelegd.

Dit is de thans bestreden beslissing.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

...

Beoordeling

6. De materiële motiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling gebaseerd moet zijn op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen.

De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het vlak van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag zich daarbij niet alleen te baseren op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien, zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen.

Het komt aan de Raad van State niet toe om, in het kader van zijn wettigheidstoezicht, zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen in de zin van art. 3 van de tuchtwet. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

7. In de bestreden beslissing wordt, wat het vaststaan van de feiten betreft, het volgende gesteld:

«4. Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten

4.1. Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier meent het Politiecollege dat de feiten vaststaan doordat de gegevens, aangeleverd door het CIC Vlaams-Brabant, een precieze geografische omzetting zijn van de gps-signalen die door de boordradio van uw dienstvoertuig werden uitgezonden en waardoor uw positie werd geregistreerd. U was op de vermelde tijdstippen in punt 2.1 met dienst en hebt deze dienst ook effectief uitgevoerd. Bovendien werd er in één geval een visuele vaststelling gedaan door uw coördinator interventie. U hebt de feiten gedurende de hele procedure nooit betwist. De verklaringen van de verschillende gehoorde getuigen zijn gelijklopend en bevestigen de feiten. [...]»

Niet wordt betwist dat de hogere tuchtoverheid het bewijs van het tuchtvergrijp in hoofdzaak baseert op de analyse van geautomatiseerd opgeslagen gegevens, zijnde de locatiebepaling van het dienstvoertuig aan de hand van gps-signalen (zogenaamde «fleetlog- of AVL-gegevens») en de visuele vaststelling gedaan door de coördinator interventie.

Verzoeker betwist te dezen niet de kwalificatie van de hem ten laste gelegde feiten als tuchtfeiten, maar voert aan dat de vaststelling van die feiten op onwettige wijze, met schending van de grondwettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen ter bescherming van het privéleven en het gezinsleven, zou zijn gebeurd.

8. Het feit dat het bewijs van het tuchtfeit zou zijn verkregen met (door verzoeker veronderstelde) schending van het recht op eerbieding van het privéleven zoals gewaarborgd door art. 22 Gw., art. 8 EVRM en art. 2 van de Privacywet, houdt niet noodzakelijk in dat de feitenvinding door de tuchtoverheid onwettig is en derhalve ook de gevoerde tuchtprocedure. Het feit dat de niet-nageleefde bepalingen de bescherming van het privéleven beogen, doet hieraan geen afbreuk.

Een onwettig of onregelmatig verkregen bewijs is slechts ongeldig en dient bijgevolg te worden uitgesloten als bewijselement, indien ofwel de naleving van de betrokken vormvoorwaarden wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid, ofwel de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, ofwel het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Onregelmatigheden waardoor geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde wordt overtreden en die evenmin voldoen aan de overige voormelde voorwaarden, worden niet uit het bewijs geweerd noch maken ze de gevoerde tuchtprocedure op zich onwettig. Dat geldt voor alle onregelmatigheden, ongeacht of zij een schending inhouden van een verdragsrechtelijk of grondwettelijk gewaarborgd recht.

9. Geen van de door verzoeker aangevoerde verdragsrechtelijke of grondwettelijke bepalingen die het recht op privacy en eerbiediging van het privéleven waarborgen, bevat een uitdrukkelijke nietigheid als sanctie bij de schending van de voorwaarden ervan. Hetzelfde geldt wat de door verzoeker geschonden geachte vormvoorwaarden betreft vervat in de Privacywet. De omstandigheid dat die voorwaarden strafrechtelijk worden beteugeld en volgens verzoeker de openbare orde raken, doet hieraan geen afbreuk. Hetzelfde geldt wat verzoekers argument betreft dat de «feitelijke observatie» enkel kan binnen een strikt wettelijk kader «zoals dat is uitgewerkt in strafzaken». Los van de vraag of de gedane observatie wel kan worden beschouwd als een observatie in de strafrechtelijke zin, blijkt niet dat de wetgever de uitdrukkelijke nietigheid heeft bepaald als sanctie bij de schending van de wettelijke voorwaarden inzake de bijzondere opsporingsmethode observatie.

De Raad van State stelt voorts vast dat wat de twee overige voorwaarden betreft, verzoeker niet concretiseert hoe en waarom de (veronderstelde) vaststelling van de onregelmatigheden betreffende het gebruik van de locatiebepaling van het dienstvoertuig aan de hand van gps-signalen (zogenaamde fleetlog- of AVL-gegevens) en de visuele vaststelling gedaan door de coördinator interventie, de betrouwbaarheid van de aldus verkregen gegevens heeft aangetast, noch in welke mate die onregelmatigheden het recht van verzoeker op een eerlijk proces in het gedrang brengen. Wat dat laatste betreft, bemerkt de Raad van State ten andere dat verzoeker alle mogelijkheden heeft (gehad) om, wat dat gebruik van de locatiebepaling en van de observatie en de daaruit voortvloeiende bewijselementen betreft, op nuttige wijze tegenspraak te voeren en alle middelen te ontwikkelen ten aanzien van die bewijselementen.

10. Uit wat voorafgaat volgt dat, in de mate dat verzoeker de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, hij niet aannemelijk maakt dat de tuchtoverheid inzake de waardering van het bewijs van de tuchtfeiten, tot een onwettige conclusie is gekomen door zich inzonderheid op die ingewonnen bewijzen te baseren ter motivering van het bewijs van het tuchtvergrijp.

Hieruit volgt dat de Raad van State niet moet onderzoeken of het gebruik van de locatiebepaling van het dienstvoertuig aan de hand van gps-signalen en de visuele vaststelling gedaan door de coördinator interventie, op onwettige wijze is gebeurd, aangezien niet blijkt dat die gebeurlijke vaststelling de wettigheid van de beslissing kan vitiëren.

11. Het middel kan niet tot nietigverklaring leiden.

Noot: 

A. Gjurova, Onrechtmatig verkregen bewijs in administratief tuchtrecht: de stille intrede van Antigoon, RW 2017-2018, 1544

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 20/05/2018 - 11:51
Laatst aangepast op: ma, 21/05/2018 - 14:42

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.