-A +A

Diensten voor handelsinlichtingen hebben een resultaatsverbintenis en kunnen verplicht worden foutieve negatieve informatie te wijzigen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
don, 14/10/2010

Marktleiders in de sector van de handelsinlichtingen zijn Graydon en Dun & Bradstraat. Voor meer adressen klik hier.

Zij verzamelen financiële gegevens via de NBB en gaan deze op hun eigen wijze interpreteren, maar zij verzamelen ook gegevens via incassokantoren, waarbij het schandalig is dat zij hun bestanden verkopen, hetgeen alleen al hun dubieus karakter verder onderschrijft. Verder noteren zij via de raadpleging van de rollen op de Arbeidsrechtbank geschillen met de RSZ, om op basis hiervan een quotering aan een bedrijf te geven.

Dat de balans wel eens zeer slecht kan gelezen zijn, dat een incassobedrijf werd ingeschakeld door een leverancier voor een terecht betwiste schuld waarvoor deze zelfs geen advocaat wou inschakelen en dat er niet alleen betwistingen zijn met de RSZ over betalingsachterstanden, zal hun wordt wezen.

Aldus worden nochtans solvabele klanten plots niet meer kredietwaardig geacht, omdat tal van commerciële beslissingen en contracten worden toegezegd na een raadpleging door de wederpartij van deze diensten die een rapport koopt.

De ongelukkige maar toch solvabele handelaar heeft het recht deze info te laten rechtzetten hetgeen uit deze uitspraak blijkt.

Vergeten we ook niet de talrijke sinisters van handelaars die geloofden op basis van een handelsinlichtingen rapport dat hun wederpartij solvabel was, terwijl deze zo goed als insolvabel bleek, zelfs bijna of helemaal virtueel failliet. Deze rapporten kunnen inderdaad niet alles weten en zijn vaak met meer dan een korel zout te nemen en kunnen een degelijke due diligence niet vervangen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
1132
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV G. t/ NV C.

1. Antecedenten – procedure

Het voorwerp van de door NV C. bij dagvaarding van 21 januari 2008 tegen NV G. ingestelde vordering en de daaraan ten grondslag liggende feiten werden uiteengezet in het bestreden vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen van 17 maart 2009, en het hof verwijst daarnaar.

De eerste rechter verklaarde de vordering gedeeltelijk gegrond.

De NV G. (hierna kortweg G. genoemd) heeft bij een ter griffie van het hof op 6 juli 2009 neergelegd verzoekschrift hoger beroep ingesteld en besluit tot de ongegrondheid van de vordering.

NV C. besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

2. Beoordeling

I. De eerste rechter heeft op oordeelkundige gronden, die door G. niet weerlegd en door het hof overgenomen worden, geoordeeld dat de wijze waarop in het handelsrapport van 29 april 2007 het betalingsgedrag van NV C. in de eerste drie kwartalen van 2007 werd weergegeven, voor derden (die zo’n handelsrapport opvragen) misleidend is en niet aan de realiteit beantwoordt, voornamelijk omdat dit beweerde gedrag afgeleid wordt uit te beperkte betalingsgegevens (van twee kleine leveranciers van NV C. in de bedoelde periode).

Daardoor creëerde G. bij derden (de gebruikers van deze handelsrapporten) de foutieve indruk dat NV C. in die periode een slechte betaler van vervallen schulden zou zijn geweest.

Aan de desbetreffend door de eerste rechter uiteengezette overwegingen voegt het hof in antwoord op de door G. uiteengezette grieven nog toe wat volgt.

II. Van een professionele onderneming zoals G., die gespecialiseerd is in het verstrekken van financiële informatie over ondernemingen, mag worden verwacht dat zij het in haar handelsrapporten opgenomen betalingsgedrag van een bepaalde onderneming (in casu NV C.) baseert op voldoende representatieve gegevens, d.w.z. dat in verhouding tot de gerealiseerde omzet van deze onderneming een voldoende aantal betalingen aan leveranciers in de betrokken periode werden onderzocht.

III. Uit de door de eerste rechter vermelde en niet betwiste cijfergegevens blijkt dat G. zich voor de bewuste periode ten onrechte gebaseerd heeft op een volstrekt ontoereikend aantal kleine leveranciersschulden en zonder enige vermelding van het feit dat ze afkomstig waren van een “pooling van leveranciers”, d.w.z. een aantal klanten met wie G. overeenkomsten sluit om systematisch hun eigen betalingservaringen te bezorgen (dit blijkt niet uit de enkele vermelding: “pooling totaal = < 12.500 euro”) zonder enige toelichting over het aantal leveranciers dat in deze pooling werd opgenomen. Een door G. neergelegd rapport van een concurrent van NV C. toont aan dat deze voor de lezer van zo’n handelsrapport noodzakelijke duiding daar wel verstrekt werd: in dat rapport (opgesteld in 2008) werd gemeld dat NV C. gekend is als een onderneming die met 57 dagen vertraging haar facturen betaalt maar ook dat die bevinding gebaseerd is op vier betalingservaringen van leveranciers voor een totale waarde van 7.200 euro over de laatste 24 maanden, waardoor de lezer meteen de relativiteit van deze verstrekte informatie kan beseffen.

In dit geval ontbreekt zo’n duiding in het door G. opgesteld handelsrapport en mede om die reden heeft zij zich door deze wijze van het opstellen en weergeven van het betalingsgedrag van de NV C. niet gedragen zoals van een normaal zorgvuldig professioneel financieel informatieverstrekker mag verwacht worden.

IV. De eerste rechter heeft eveneens op oordeelkundige, door G. niet weerlegde en door het hof overgenomen gronden geoordeeld dat G. ook foutief heeft gehandeld door niet nader te willen ingaan op de door NV C. in december 2007 aangereikte financiële informatie (alle inkomende facturen 2007 met bewijzen van betaling en een verklaring van een externe accountant) en zich enkel algemeen te “verschuilen” achter de door haar “pool van leveranciers” verstrekte informatie die volgens haar correct zou zijn, waardoor het hierboven vastgestelde misleidende beeld van het betalingsgedrag van de NV C. gedurende de eerste drie kwartalen van 2007 ook in de door G. in 2008 opgestelde handelsrapporten over NV C. onterecht gehandhaafd bleef.

Enkel in antwoord op de ter zake door G. ontwikkelde grieven, voegt het hof daar nog aan toe wat volgt.

V. Uit geen enkel gegeven blijkt dat de door de NV C. meegedeelde financiële informatie onbetrouwbaar of oncontroleerbaar zou zijn geweest. Dit werd vóór deze gerechtelijke procedure in briefwisseling door G. zelfs niet beweerd, en G. gaat er in haar conclusie ook aan voorbij dat de NV C. in haar briefwisseling steeds beklemtoond heeft dat haar boekhouding ter verificatie van de meegedeelde gegevens kon worden ingezien, waarop G. nooit is ingegaan.

VI. G. verschuilt zich ook onterecht achter een ten voordele van haar klanten bedongen geheimhoudingsclausule, omdat deze clausule haar perfect in staat stelde de NV C. mee te delen op hoeveel en welke leveranciersschulden het weergegeven betalingsgedragsbeeld gebaseerd was en deze te toetsen aan de door de NV C. verstrekte financiële gegevens. Deze geheimhoudingsclausule verbiedt G. immers enkel aan derden (zoals de NV C.) mee te delen met welke van die leveranciers zij een overeenkomst van “aanlevering betalingservaringen” gesloten heeft.

VII. Door deze door G. begane professionele fouten werd bij andere handelaars, die op de informatie van G. een beroep doen, een verkeerd negatief beeld verstrekt van het betalingsgedrag in de bewuste periode (eerste tot en met derde kwartaal 2007) van de NV C. Een dergelijke verkeerde en negatieve voorstelling van het betalingsgedrag van de NV C. tast, afgezien van de andere in zo’n handelsrapport vermelde gegevens over de algemene liquiditeitspositie, de solvabiliteit en de rentabiliteit van de onderneming, noodzakelijkerwijze de commerciële en financiële betrouwbaarheid van de NV C. aan en daardoor lijdt zij als deelnemer aan het handelsleven automatisch schade, wat bevestigd wordt door de inhoud van de brief van 27 november 2007 van B., waarin deze aan de NV C. meedeelde: “Na een controle bij G. over het betalingsgedrag van de NV C., hebben wij geconstateerd dat facturen op een termijn van negentig dagen na vervaldag betaald worden. Wij kunnen dit niet aanvaarden en delen u hierbij dan ook mee dat onze offertes niet meer van toepassing zijn. Wij betreuren deze situatie, maar zien ons genoodzaakt om met de NV C. geen verdere zaken meer te doen”.

Deze schade kan enkel ex aequo et bono bepaald worden. Aangezien de NV C. in conclusie in hoger beroep erkent “... dat de begrootbaarheid van de schade problemen oplevert” en zij desbetreffend geen parameters aanreikt, wordt deze schade definitief vastgesteld op 1 euro (de eerste rechter kende een “provisionele schadevergoeding ten bedrage van 1,00 euro” toe)...
 

Noot: 

Een onderneming die handelsinformatie over rechtspersonen publiek vrijgeeft, is aan de algemene zorgvuldigheidsplicht van artikel 1382-1383 BW onderworpen (Gent 30 oktober 2006, TGR-TWVR 2007, 84).

Tegenstrijdige rechtspraak binnen het Hof van Beroep te Antwerpen

Het Hof van beroep te Antwerpen oordeelde in deze zaak op 14/10/2010 (RW 1011-2012, 1134), dat het verstrekken van verkeerde negatieve informatie door een onderneming die handelsinlichtingen verschaft noodzakelijker wijze schade toebrengt aan de onderneming waarover zij negatieve informatie vrijgeeft, waarbij de schade bestaat uit de aantasting van de commerciële en financiële betrouwbaarheid van de onderneming.

Deze uitspraak staat in schril contrast met de rechtsprraak van het Hof van beroep te Antwerpen van 12/09/2012, NJW 2014/296, 130, waarin gesteld wordt dat de schade dient bewezen te worden aan de hand van concreet cijfermateriaal. Elke onderneming weet dat dit het bewijs van het onmogelijke is. Een daling van de omzet kan meerdere redenen hebben. Een stijging van de omzet kan meerdere redenen hebben. Bij een gestegen omzet is het mogelijk en zelfs heel goed denkbaar dat de omzet nog meer zou gestegen zijn indien de verkeerde handelsinformatie niet werd verstrekt...

Legaliteit van de handelsinformatie?

De legaliteit van dit soort databanken samengesteld en verspreid door deze diensten voor handelsinlichtingen, kan zeker in vraag worden gesteld.

Terzake wordt niet alleen gepubliceerde en publiek toegankelijke informatie verzameld en gepubliceerd, mar ook verwerkt, in databanken opgeslagen, geïntepreteerd met solvabiliteitsoordelen en kredietwaardigheid, gekoppeld aan persoonsgegevens, waarbij zelfs gegevens van personen worden opgeslagen in databanken, verwerkt en ter beschikking gesteld van wie er voor betaald.

Erger: Deze diensten doen beroep op ambtenaren van Justitie die de Algemen Rol van Arbeidsrechtbanken voor de zaken waar er betwisting is met de RSZ kenbaar maken aan deze inlichtingendiensten.Aldus kunnen zij die ervoor betalen een zicht krijgen op betwistingen met de RSZ, die door de inlichtingendiensten verkeerd worden aanzien als een indicie van betalingsproblemen, terwijl er wel meer dan 100 andere mogelijke betwistingsprocedures met de RSZ kunnen bestaan die volledig vreemd zijn aan insolventie of betalingsproblemen.

Erger: Incassokantoren, verkopen hun databestanden van de debiteurs waartegen zij dossiers hebben aan deze inlichtingendiensten, die door de inlichtingendiensten verkeerd worden aanzien als een indicie van betalingsproblemen. Incassokantoren beheren niet alleen dossiers van mensen en ondernemingen met betalingsproblemen, maar ook dossiers van betwiste vorderingen.

Eén en ander doet vragen rijzen naar de legalitet van de Commerciële diensten voor handelsinlichtingen.

Het probleem blijft dat dit soort dubieuze inlichtingendienstendiensten hun diensten aanbieden aan de overheid en de parketten. Deze hebben deze diensten nodig en het is dan ook denkbaar dat er een schijn ontstaat bij de bevolking dat zij hierdoor de hand boven het hoofd worden gehouden.

Zelfs de Vlaamse orde van advocaten verkoopt dit soort informatie en drijft aldus, tegen alle wettelijke bepalingen in handel. Dat deze handel dannog de perceptie van illegaliteit opwekt maakt de zaak enkel erger en het wantrouwen van de hurger in justitie en de bescherming van zijn privacy des te groter.

De inspanningsverbintenis van de bankier die handelsinlichtingen verkoopt

• Hof van Beroep Antwerpen 02/05/1995, RW 1996-1997, 302

Samenvatting

Het verschaffen van correcte handelsinlichtingen geldt enkel als een inspanningsverbintenis en niet als een resultaatsverbintenis. De aansprakelijkheid van de bank bij het verschaffen van commerciële informatie komt enkel in het gedrang wanneer zij tekortgeschoten is aan wat van een normaal zorgvuldig bankier kon worden verwacht;

Tekst arrest

N.V. D. t. N.V. B.

Overwegende dat de oorspronkelijke vordering uitging van appellante bij exploot van 16 februari 1989 en gericht was tot appellante strekkende tot de betaling van 2.508.364 fr. op grond van bankiersaansprakelijkheid, nl. wegens het verstrekken van handelsinlichtingen over de financiële toestand van haar wederpartij, de B.V.B.A. U.; dat deze gunstige inlichtingen werden verschaft in januari en mei 1988; dat op grond hiervan appellante handelsrelaties aanknoopte met de B.V.B.A. U.; dat deze vennootschap op 6 juli 1988 failliet werd verklaard; dat door appellante wordt betoogd dat op grond van de verstrekte informatie de handelsbetrekkingen werden voortgezet en het debetsaldo ten tijde van het faillissement in hoofdsom 1.992.460 fr. bedroeg; dat geïntimeerde als kredietverlenende bank de juiste financiële toestand en met name het op til zijnde faillissement van haar kredietnemer had moeten onderkennen;

Overwegende dat de eerste rechter deze vordering ontvankelijk doch ongegrond heeft verklaard; dat werd geoordeeld dat geen fout wordt bewezen in het verstrekken van de inlichtingen; dat evenmin het verstrekken en het handhaven van het krediet door geïntimeerde als foutief kunnen worden beschouwd;

Overwegende dat appellante de vernietiging nastreeft van het bestreden vonnis en concludeert tot de inwilliging van haar oorspronkelijke vordering ten laste van geïntimeerde; dat geïntimeerde concludeert tot de bevestiging van het eerste vonnis; dat subsidiair het bedrag van de gevorderde schadevergoeding wordt betwist;

Overwegende dat er onduidelijkheid bestaat over de grondslag van de vordering; dat appellante klaarblijkelijk haar vordering baseert zowel op contractuele als op buitencontractuele grondslag; dat de vordering van appellante onmiskenbaar enkel kan worden gebaseerd op contractuele grondslag, nl. het verschaffen door geïntimeerde op verzoek van appellante van commerciële inlichtingen (in principe tegen betaling); dat immers de verhouding tussen appellante en geïntimeerde in het raam van het verstrekken van handelsinlichtingen beschouwd moet worden als van contractuele aard; dat niet wordt aangetoond dat de beweerde fout en de daaruit voortvloeiende schade vreemd zijn aan de overeenkomst met geïntimeerde;

Overwegende dat appellante, groothandelaar in likeuren en sterke dranken, door de vennootschap U. in de loop van 1987 werd benaderd tot het aanknopen van handelsbetrekkingen; dat deze vennootschap een klant was van geïntimeerde; dat op grond van eerst mondeling verstrekte inlichtingen handelscontacten tot stand kwamen; dat na een ongedekte cheque, die achteraf weliswaar werd betaald, appellante argwaan begon te koesteren en schriftelijk om inlichtingen verzocht; dat op 8 januari 1988 inlichtingen werden verschaft m.b.t. een bedrag van 2.000.000 fr.; dat hierin o.m. melding wordt gemaakt van een «goede» reputatie en «voldoende» financiële middelen, zodat zakenrelaties «mogen overwogen worden»; dat, na een tweede onbetaalde factuur en een ongedekte cheque, appellante een verzoekschrift tot bewarend beslag liet neerleggen op 13 april 1988; dat de handelsrelaties niettemin werden voortgezet; dat een tweede maal op 10 mei 1988 gelijkluidende inlichtingen werden verschaft, ditmaal voor een bedrag van 1.000.000 fr. in verspreide betalingen; dat op 17 mei 1988 appellante bewarend beslag liet leggen op een partij wijnen; dat op 24 mei werd gedagvaard voor een bedrag van 1.992.290 fr. (in hoofdsom); dat de B.V.B.A. U. op 6 juli 1988 failliet werd verklaard; dat blijkens het rekeningoverzicht een bedrag van 1.992.470 fr. verschuldigd bleef met betrekking tot facturen van 10 februari tot 25 april 1988;

Overwegende dat door appellante wordt betoogd dat op grond van de verstrekte informatie de handelsbetrekkingen werden voortgezet en het debetsaldo ten tijde van het faillissement in hoofdsom 1.992.460 fr. bedroeg; dat geïntimeerde als kredietverlenende bank de juiste financiële toestand en met name het op til zijnde faillissement van haar kredietnemer had moeten onderkennen; dat, nog steeds volgens appellante, geïntimeerde als bankier van de gefailleerde vennootschap bij uitstek in een goede positie verkeerde om de financiële situatie te kennen; dat zij appellante tot meer omzichtigheid had moeten aanmanen; dat hierbij er ook op gewezen wordt dat geïntimeerde zelf, krachtens de kredietverlening, een schuldvordering had ten belope van 15.554.906 fr. en beschikte over hypotheken en een pand op de handelszaak;

Overwegende dat de eerste rechter op goede gronden de vordering heeft afgewezen en het Hof voor zover nodig naar deze motivering verwijst;

Overwegende dat de eerste rechter terecht heeft beslist dat geen acht kan worden geslagen op de handelsinlichtingen verschaft op 10 mei 1988, nu de laatste factuur betrekking heeft op goederen geleverd vóór die datum; dat derhalve enkel dient te worden onderzocht of aan geïntimeerde enige fout kan worden toegeschreven bij het verschaffen van handelsinlichtingen op 8 januari 1988;

Overwegende dat die verbintenissen enkel als een inspanningsverbintenis en niet als een resultaatsverbintenis moeten worden beschouwd; dat de aansprakelijkheid van de bank bij het verschaffen van commerciële informatie enkel in het gedrang komt wanneer zij tekortgeschoten is aan wat van een normaal zorgvuldig bankier kon worden verwacht;

Overwegende dat op het hier relevante tijdstip, nl. begin januari 1988, geïntimeerde de verstrekte inlichtingen mocht afleveren zonder dat haar aansprakelijkheid in het gedrang komt; dat in ieder geval een dergelijke foutieve handelswijze niet wordt bewezen; dat immers op dat tijdstip een op komst zijnde faillissement niet te voorzien was; dat de vennootschap U. al sedert de jaren vijftig in zaken was; dat het verlies in 1986 nog 2,2 miljoen fr. bedroeg tegen 0,2 miljoen in 1987; dat men mocht veronderstellen dat de vennootschap in gunstiger vaarwater was geraakt; dat de omvang van de kredietverlening niet als foutief kan worden beschouwd; dat ook blijkt dat in het eerste kwartaal van 1988 door de B.V.B.A. U. regelmatig werd betaald; dat ook de bewegingen op de rekening van U. met geïntimeerde als regelmatig moeten worden beschouwd;

Overwegende dat ten overvloede moet worden vastgesteld dat appellante zelf ook op de hoogte was van het verdere verloop van de toestand van haar wederpartij; dat zij immers in februari en april opnieuw werd geconfronteerd met ongedekte cheques; dat zij zelf overging tot het neerleggen van een verzoekschrift tot het leggen van bewarend beslag; dat, door niettemin verder te gaan met leveringen, zij de gevolgen van deze handelwijze uitsluitend aan zichzelf heeft te wijten;

Overwegende dat, geheel ten overvloede, geïntimeerde kan steunen op het exoneratiebeding vervat op de gesloten omslag waarin de inlichtingen worden verschaft; dat de instemming van dit beding door het openen van de omslag moet worden afgeleid; dat een dergelijk exoneratiebeding in casu uitwerking dient te krijgen; dat een ontheffing voor aansprakelijkheid voor eigen fouten geoorloofd is; dat, zelfs indien de beweerde fout van geïntimeerde als een «zware» fout zou moeten worden aangemerkt (quod non), een exoneratie voor de schadelijke gevolgen van dergelijke fouten niet ongeoorloofd is; dat verder door dit beding in casu niet iedere betekenis aan het aanvragen en het verschaffen van de commerciële inlichtingen wordt ontnomen; dat dit in het geheel niet wordt aangetoond; dat overigens appellante, gelet op de aard van de inlichtingen (standaardformulier), de geringe kostprijs, de afwezigheid van een uitgebreid onderzoek e.d. op de hoogte diende te zijn van de beperkte draagwijdte van de verstrekte informatie;

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 12/02/2012 - 15:38
Laatst aangepast op: wo, 04/10/2017 - 12:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.