-A +A

Devolutieve werking hoger beroep en voorlopige maatregelbevoegdheid kortgedingrechter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
vri, 22/01/2016
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
710
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

D.S. en BVBA G.

...

2.1. De eerste rechter hield in zijn vonnis van 25 februari 2014 de vordering van het openbaar ministerie tot het horen opleggen van een exploitatieverbod aan en stelde de zaak uit naar de openbare terechtzitting van 3 juni 2014, met het verzoek aan het openbaar ministerie om bij de beklaagden een nieuwe controle te laten uitvoeren door de dienst Milieutoezicht van de stad Gent (en meer bepaald om het actuele veiligheidsniveau/risico na te gaan).

Het vonnis werd, in zoverre het besliste over de vordering tot het horen opleggen van een exploitatieverbod, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Op 5 augustus 2014 werd een navolgende controle uitgevoerd.

Bij vonnis van 30 september 2014 wees de eerste rechter de vordering van het openbaar ministerie om de beklaagden een exploitatieverbod op te leggen overeenkomstig art. 16.6.5 DABM, af als ongegrond.

Tegen deze beslissing werd geen hoger beroep ingesteld.

Voor het hof vordert het openbaar ministerie niet langer een exploitatieverbod, op grond van het motief dat daarover niet meer geoordeeld dient te worden.

2.2. Door o.m. de hogere beroepen van het openbaar ministerie tegen al de beschikkingen van het vonnis van 25 februari 2014 wat de eerste en de tweede beklaagde betreft, dient het hof ingevolge de devolutieve werking van deze hogere beroepen te oordelen over de strafvordering tegen de eerste en de tweede beklaagde, daarin begrepen de vordering tot het horen uitspreken van een exploitatieverbod en de daarop gebaseerde vordering tot verbeurte van een dwangsom. Het feit dat in het bestreden vonnis de beslissing wat het exploitatieverbod betreft uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard en bij het niet bestreden vonnis van 30 september 2014 de vordering van het openbaar ministerie om een exploitatieverbod op te leggen overeenkomstig art. 16.6.5 DABM werd afgewezen als ongegrond, brengt niet mee dat het hof niet (meer) over dit exploitatieverbod, dat overigens een veiligheidsmaatregel is die inherent verbonden is met de strafvordering, zou moeten oordelen.

De uitvoerbaarheid bij voorraad waartoe de eerste rechter in het vonnis van 25 februari 2014 besliste, belet niet dat het hof door de onbeperkte hogere beroepen van o.m. het openbaar ministerie en de devolutieve werking ervan geadieerd is voor de vordering tot het horen opleggen van een exploitatieverbod. De beslissing van de eerste rechter in het vonnis van 30 september 2014 is onlosmakelijk verbonden met het bestreden vonnis van 25 februari 2014, zodat de hogere beroepen zich ook tot de beslissing in het vonnis van 30 september 2014 uitstrekken en het hof mede de vordering tot het horen opleggen van een exploitatieverbod onder verbeurte van een dwangsom bij niet-naleving ervan te beoordelen heeft.

Door o.m. de hogere beroepen van het openbaar ministerie en de devolutieve werking ervan was de eerste rechter niet langer geadieerd voor de vordering tot het horen opleggen van een exploitatieverbod onder verbeurte van een dwangsom bij niet-naleving ervan. Dat de eerste rechter de beslissing wat het gevorderde exploitatieverbod betreft in het vonnis van 25 februari 2014 uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, doet hieraan geen afbreuk. Door de uitvoerbaarheid bij voorraad kon de onderzoeksmaatregel die de eerste rechter vroeg vooraleer uitspraak te doen over de vordering tot het horen opleggen van een exploitatieverbod onder verbeurte van een dwangsom bij niet-naleving ervan, weliswaar worden uitgevoerd, maar de hogere beroepen en de devolutieve werking ervan brachten mee dat de eerste rechter geen rechtsmacht meer had om er nog uitspraak over te doen. De eerste rechter was dan ook zonder rechtsmacht om zich in het vonnis van 30 september 2014 nog uit te spreken over de vordering tot het horen opleggen van een exploitatieverbod onder verbeurte van een dwangsom bij niet-naleving ervan. Het hof doet dit vonnis teniet.

...

Noot: 

• R. Declercq, “Splitsing” in Comm. Straf., Mechelen, Kluwer, losbl., p. 25-29, nrs. 87-93bis.

• B. Meganck, “Titel XVI van het Vlaams decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM): een geharmoniseerd Vlaams milieustrafrecht? Een inleiding en enkele bedenkingen”, T.Strafr. 2011, (230) 242.

• M. Faure en J. Vanheule, Milieustrafrecht in APR, Mechelen, Kluwer, 2006, p. 42-43, nr. 90, en p. 451 e.v., nrs. 988 e.v.

UIttreksel wetboek strafvordering

art. 204 Sv. Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven, en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de eiser in beroep of zijn advocaat, of door een ander bijzonder gevolmachtigde. In dit laatste geval wordt de volmacht bij het verzoekschrift gevoegd.

Dit verzoekschrift kan ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht.

Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt.

Deze bepaling geldt ook voor het openbaar ministerie.

art. 210 Sv. Voordat de rechters hun gevoelen uiten, worden de beklaagde, onverschillig of hij vrijgesproken dan wel veroordeeld is, de voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke personen, de burgerlijke partij, of hun advocaat) en de procureur-generaal gehoord over de nauwkeurig bepaalde grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, en zulks in de door de rechter te bepalen volgorde.

De beklaagde of zijn advocaat  heeft, indien hij het vraagt, altijd het laatste woord.)

Behoudens de grieven opgeworpen zoals bepaald in artikel 204, kan de beroepsrechter slechts de grieven van openbare orde ambtshalve opwerpen die betrekking hebben op de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen dan wel op :
- zijn bevoegdheid;
- de verjaring van de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt;
- het gegeven dat de feiten die bij hem wat betreft de schuldvraag aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn of de noodzaak om deze feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar deze feiten aantasten.

De partijen worden verzocht om zich uit te spreken over de ambtshalve opgeworpen middelen

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 10/02/2017 - 14:43
Laatst aangepast op: vr, 10/02/2017 - 14:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.