-A +A

Deskundigenonderzoek in strafzaken tegenspraak en debat over expertise ter zitting

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 10/03/2015
A.R.: 
P.15.0769.N

Het in aanmerking nemen van een tijdens het gerechtelijk onderzoek niet op tegenspraak uitgevoerd deskundigenonderzoek bij de schuldbeoordeling miskent als dusdanig niet het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de partijen; deze rechten worden gewaarborgd door de mogelijkheid van de partijen om het verslag van dat deskundigenonderzoek tijdens het debat voor de vonnisrechter te bespreken en te bekritiseren en de deskundige ter rechtszitting op te roepen.

Er bestaat geen absoluut recht voor de partijen om de deskundige die een niet-tegensprekelijk deskundigenverslag heeft opgesteld onder eed te ondervragen op de rechtszitting; het staat aan de vonnisrechter om onder meer rekening houdend met de aard en de inhoud van het niet-tegensprekelijk deskundigenverslag, de aard, de inhoud en het onderbouwd zijn van de daarop door de partijen geformuleerde kritieken en het al dan niet beslissend of doorslaggevend karakter van het niet-tegensprekelijk deskundigenverslag bij de bewijslevering te oordelen of de tegenspraak voldoende is gewaarborgd door de mogelijkheid voor de partijen om dit verslag te bekritiseren zonder dat het noodzakelijk is de deskundige op de rechtszitting onder eed te horen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
225
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.15.0769.N

C.F. en F.D.G. t/ R.D.H. en S.S. en M.J.V.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 21 april 2015.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel van de eisers I

1. Het middel voert schending aan van art. 6 EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: de appelrechters vermelden geen enkele reden waarom zij niet ingaan op het verzoek om de deskundigen als getuige te horen ter terechtzitting; zij verduidelijken aldus niet waarom het horen van de deskundigen als getuige om technische of andere ernstige redenen niet mogelijk of niet wenselijk zou zijn; zij gronden nochtans hun oordeel over de schuld en over de omvang van de ten laste van de eiser I.2 uitgesproken bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen op het deskundigenonderzoek; het arrest is dan ook niet naar recht verantwoord.

2. Het in aanmerking nemen van een tijdens het gerechtelijk onderzoek niet op tegenspraak uitgevoerd deskundigenonderzoek bij de schuldbeoordeling miskent als zodanig niet het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de partijen. Deze rechten worden gewaarborgd door de mogelijkheid van de partijen om het verslag van dat deskundigenonderzoek tijdens het debat voor de vonnisrechter te bespreken en te bekritiseren en de deskundige ter terechtzitting op te roepen.

3. Er bestaat evenwel geen absoluut recht voor de partijen om de deskundige die een niet-contradictoir deskundigenverslag heeft opgesteld onder eed te ondervragen op de terechtzitting. Het staat aan de vonnisrechter om, rekening houdend met onder meer de aard en de inhoud van het niet-contradictoir deskundigenverslag, de aard, de inhoud en het onderbouwd zijn van de daarop door de partijen geformuleerde kritieken en het al dan niet beslissend of doorslaggevend karakter van het niet- contradictoir deskundigenverslag bij de bewijslevering, te oordelen of de tegenspraak voldoende is gewaarborgd door de mogelijkheid voor de partijen om dit verslag te bekritiseren zonder dat het noodzakelijk is de deskundige op de terechtzitting onder eed te horen.

4. Uit een op een dergelijke wijze gemotiveerde afwijzing van het verzoek om de deskundige onder eed te horen op de terechtzitting kan geen miskenning van het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging worden afgeleid.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. Het arrest verwerpt het verweer van de eisers I met betrekking tot de deskundigenverslagen als volgt:

– de eiser I.2 trekt op louter gratuite wijze de deskundigheid en de daaruit voortvloeiende besluitvorming van de deskundigen in twijfel;

– uit niets blijkt en er wordt ook niet aannemelijk gemaakt dat de deskundigen L., Van G. en M. ondeskundig, laat staan vooringenomen, zouden zijn geweest in hun besluitvorming;

– het recht op een eerlijk proces wordt niet miskend omdat een tijdens het gerechtelijk onderzoek verrichte expertise niet op tegenspraak werd uitgevoerd;

– in beginsel wordt het recht van verdediging gewaarborgd door de mogelijkheid voor de partijen om de deskundige ter terechtzitting op te roepen en zijn verslag te bekritiseren, maar in dat verband rijst in dit dossier een onoverkomelijk probleem dat door toedoen van de eiser I.2 zelf met de medewerking van de verweerders I.2 werd gecreëerd;

– er is immers bij de behandeling voor het hof van beroep gebleken dat de ter plaatse bij de verweerders I.2 in beslag genomen koopwaar, namelijk de collectie ivoor en koraal, in het kader van een tussen hen en de eiser I.2 tot stand gekomen dading aan hem werd terugbezorgd;

– uit de aan het hof van beroep overgelegde niet-ondertekende noch gedateerde kopie van de dadingsovereenkomst blijkt dat de eiser I.2 zonder erkenning van schuld en tot slot van alle rekeningen zich verbindt tot betaling aan de verweerders I.2 van een bedrag van 250.000 euro, vermeerderd met een bedrag van 150.000 euro in geval van een succesvolle toepassing van art. 216ter Sv., terwijl de verweerders I.2 zich verbinden tot teruggave tegen ontvangstbewijs van de door de correctionele rechtbank vrijgegeven goederen aan de eiser I.2, die door de afgifte ten definitieven titel het bezit en de eigendom ervan verkrijgt;

– enige concrete opsomming en nadere identificatie van de bewuste goederen, alsook kwijting van betaling ontbreekt; het is onbekend hoe en wanneer deze betaling gebeurde; volgens beweringen van de partijen werd 400.000 euro betaald, hoewel de toepassing van art. 216ter Sv. niet werd verkregen;

– de ter uitvoering van de dadingsovereenkomst door de verweerders I.2 verrichte teruggave van de goederen aan de eiser I.2 gebeurde met een strafrechtelijk beteugelbare miskenning van het op 10 november 2009 ter plaatse gelegde strafrechtelijk beslag;

– de vrijgave van de goederen door de bestreden vonnissen van 12 november 2012 en 19 mei 2014 was evident niet definitief;

– waar en in welke staat deze goederen zich op het ogenblik van het arrest bevinden, is voor het hof van beroep onbekend;

– uit de behandeling op de terechtzitting van 24 maart 2015 is gebleken dat de eiser I.2 en de verweerders I.2 betwisting voeren over de omvang van de teruggegeven goederen; terwijl de eiser I.2 beweert dat niet alle in beslag genomen objecten voorwerp van de dadingsovereenkomst werden teruggeven, wordt dit door de verweerders I.2 ontkend;

– bijgevolg heeft de eiser I.2 met een strafrechtelijk beteugelbare miskenning van een beslag elke vorm van gebeurlijk bijkomend onderzoek bij de bepaling van de waarde van deze collectie zelf definitief en onherroepelijk onmogelijk gemaakt;

– zelfs indien de eiser I.2 de teruggenomen koopwaren ter beschikking zou stellen met het oog op bijkomende expertise, dan heeft het hof van beroep niet de minste garantie dat het om dezelfde collectie gaat, temeer daar de bij de dading betrokken partijen het zelf niet eens zijn over welke goederen nu al dan niet werden teruggegeven;

– de omstandigheid dat voor het hof van beroep elke vorm van tegenexpertise of bijkomend onderzoek door toedoen van de eiser I.2 zelf, hierbij geholpen door de verweerders I.2, onmogelijk is geworden, houdt geenszins in dat de bevindingen van het niet-contradictoir uitgevoerde deskundigenonderzoek als bewijsgegevens moeten worden uitgesloten;

– de louter gratuite verdachtmakingen van de eiser I.2 aan het adres van de deskundigen, en meer in het bijzonder aan de deskundige M., vormen geen afdoende reden om aan de deskundigheid van de experten te twijfelen;

– de eiser I.2 werd uitgenodigd om de echtheidscertificaten en gebeurlijke aankoopfacturen van het aan de verweerders I.2 verkochte ivoor en koraal over te leggen, maar heeft daaraan niet voldaan; behalve een stuk uitgaande van de genaamde C werden geen andere stukken bijgebracht;

– dit bijkomende stuk houdende schatting van «een» rode koraal is niet van aard enige afbreuk te doen aan de elementen van het strafdossier en meer in het bijzonder de resultaten van het deskundigenonderzoek van R.M. van 2 december 2009;

– de deskundige hanteert een aantal duidelijke en objectieve parameters om de waarde van het ivoor en de koraal te bepalen; er is de niet door de eiser I.2 tegengesproken objectieve vaststelling dat de voorwerpen slechts gedeeltelijk met de hand werden gehouwen of bijgewerkt op basis van een machinaal in veelvoud vervaardigd model, wat tot gevolg heeft dat er geen sprake kan zijn van enige antiekwaarde; de plaats van afkomst van de voorwerpen is een tweede objectieve parameter, waarbij blijkt dat de meeste voorwerpen afkomstig zijn uit Hong Kong of het Chinese vasteland; het gaat om voorwerpen die niet meer in de vrije handel te koop worden aangeboden, maar op sites, waaronder eBbay, onder de noemer «faux ivory» (valse ivoor) of «mammoth ivory» (mammoetivoor) om de wetgeving dienaangaande te omzeilen;

– het oordeel van de deskundige M. dat de geëxpertiseerde voorwerpen enkel een ambachtelijke tot halfambtelijke waarde hebben, te verhogen met de kostprijs van het materiaal dat meestal illegaal door de fabrikanten wordt verworven, wordt niet ontkracht of weerlegd;

– het hof van beroep acht de besluitvorming van de gerechtsdeskundigen dan ook dienstig tot het vinden van de waarheid.

Met die redenen geven de appelrechters te kennen waarom het horen van de deskundigen onder eed op de terechtzitting niet noodzakelijk is en waarom het niet-horen ervan het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de eisers niet miskent.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Middelen van de eiser II

...

Tweede middel

16. Het middel voert schending aan van art. 90quater, § 1, eerste lid Sv. en art. 13 Wet Internationale Rechtshulp in Strafzaken: het arrest houdt ten onrechte rekening met de resultaten van de telefoonobservatie op het nummer (...); er was daarvoor geen wettelijke basis en die maatregel maakte ook niet het voorwerp uit van het internationaal rechtshulpverzoek van de onderzoeksrechter; dit nummer behoort immers toe aan M.G.

17. Art. 90quater, § 1, eerste lid Sv. is niet van toepassing op een door een buitenlandse overheid uitgevoerde afluistermaatregel.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

18. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten, waartoe het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

...
Noot onder dit arrest in het RW onder initialmen D.D.W.

Rechtsleer:

• D. De Wolf, De rol van de rechter bij de waarheidsvinding in de correctionele procedure, Heule/Brugge, UGA/die Keure, 2010, nr. 83

• T. Decaigny, Tegenspraak in het vooronderzoek, Antwerpen, Intersentia, 2013, nr. 437

• D. De Wolf, «Het recht op horen van getuigen (à charge) na het arrest Al-Khawaja en Tahery van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens» in F. Deruyck (ed.), Strafrecht in breed spectrum, Brugge, die Keure, 2014, 25-58).

Noot: 

Bewijswaarde van een eenzijdig technioch verslag
• Kh. Hasselt 21 mei 1996, RW 1996-1997, 861
Een eenzijdig "deskundig" verslag (lees eenzijdig [technisch verslag] is geen gerechtelijke expertise maar kan deslaniettemin als een voldoende bewijsmiddel worden aanvaard indien de expertise met de nodige ernst en nauwkeurigheid is uitgevoerd en voldoende waarborgen van objectiviteit biedt. Dat de expertise van 16 december 1991 voldoende nauwkeurig en met de nodige ernst geschiedde, moge blijken uit de gedetailleerde berekening van de schade.

«Bovendien biedt het feit dat de expertise heeft plaatsgehad op tegenspraak tussen aanlegster en J., haar verzekeraar «eigen schade», die met elkaar tegenstrijdige belangen hebben en dit onderzoek werd uitgevoerd door een gekend expertisebureau dat tussen verzekeraars geregeld met dergelijke opdrachten wordt belast, een voldoende waarborg van objectiviteit zodat een dergelijk verslag voldoende bewijswaarde heeft m.b.t. het bestaan en de omvang van de schade».

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 02/10/2017 - 16:22
Laatst aangepast op: zo, 29/10/2017 - 11:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.