-A +A

Deskundigenonderzoek in strafzaken en tegenspraak

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 10/03/2015
A.R.: 
P.14.1339.N

De omstandigheid dat een partij niet kan deelnemen aan een door de onderzoeksrechter bevolen deskundigenonderzoek, behalve wanneer en in zoverre deze laatste dit gepast vindt voor de waarheidsvinding, houdt geen schending van art. 6 EVRM noch miskenning van het recht van verdediging in. De eerbiediging van die bepaling en dat recht wordt immers gewaarborgd bij de behandeling van de zaak voor de vonnisrechter, die onaantastbaar de bewijswaarde van het verslag van de door de onderzoeksrechter aangestelde deskundige beoordeelt en voor wie de partijen dat verslag vrij kunnen betwisten en tegenspreken. De vonnisrechter kan ook de door de onderzoeksrechter aangestelde deskundige of de door de partijen aangebrachte technische raadslieden horen en zelf deskundigen aanstellen.

De onderzoeksrechter die het deskundigenonderzoek beveelt en de kamer van inbeschuldigingstelling waarvoor nadien de eenzijdigheid van dat onderzoek wordt betwist, oordelen onaantastbaar of het geheim van het onderzoek een obstakel vormt voor het verlenen van tegenspraak bij de uitvoering van dat onderzoek. Weliswaar kan de kamer van inbeschuldigingstelling binnen het kader van haar beoordeling en rekening houdend met het verweer van de partijen, nieuw of bijkomend onderzoek bevelen. Zij is daartoe evenwel niet verplicht en kan verwijzen naar de waarborgen waarover de partijen beschikken voor de vonnisrechter of naar diens nog onzekere beoordeling van de bewijswaarde van het deskundigenverslag of van het belang van dat verslag in het geheel van de door het onderzoek opgeleverde bewijselementen.

De omstandigheid dat de eiser het niet eens is met het verslag van de door de onderzoeksrechter aangestelde deskundige en dat hij de weerlegging van dat verslag zal moeten betrekken in zijn verweer voor de vonnisrechter, houdt geen omkering van de bewijslast noch miskenning van het vermoeden van onschuld in.

De verplichting voor de onderzoeksrechter het gerechtelijk onderzoek ook à décharge te voeren, verplicht hem niet het door hem bevolen deskundigenonderzoek op tegenspraak te doen verlopen.

Hoewel het recht van verdediging vereist dat een inverdenkinggestelde voldoende wordt ingelicht over de hem ten laste gelegde feiten, schrijft geen enkele bepaling voor dat die inlichting alleen kan voortvloeien uit de vordering tot verwijzing. Die inlichting kan mede gegeven worden aan de hand van de stukken van het strafdossier, waarvan de inverdenkinggestelde heeft kunnen kennisnemen en waarover hij voor het onderzoeksgerecht zijn recht van verdediging vrij heeft kunnen uitoefenen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1059
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.14.1339.N

N.A.B.K., G.J.L.R. en L.D.J.D. t/ H.S. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 30 juni 2014.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Middel van de eiser I

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van art. 6 EVRM en van art. 131, 135 en 235bis Sv., alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: de appelrechters oordelen bij wijze van algemene regel dat uit de eenzijdigheid van het tijdens het gerechtelijk onderzoek bevolen deskundigenonderzoek geen miskenning van het recht van verdediging noch enige nietigheid kan worden afgeleid; de eiser heeft in zijn beroepsconclusie evenwel niet aangevoerd dat een dergelijk onderzoek steeds op tegenspraak moet verlopen, maar wel dat die tegenspraak in casu vereist was, gelet op de hoge graad van techniciteit van dat onderzoek en het feit dat het deskundigenverslag een grote invloed zal kunnen uitoefenen op de beoordeling door de vonnisrechter, omdat de vragen aan de deskundige in hoge mate samenvallen met de inhoud van de tegen de eiser geformuleerde tenlasteleggingen; het stond dan ook aan de appelrechters om ingevolge eisers verweer te oordelen of de onderzoeksrechter in dit concrete geval terecht heeft kunnen oordelen dat het geheim van het onderzoek een obstakel vormde voor het op tegenspraak uitvoeren van het deskundigenonderzoek en of door die onregelmatigheid het eerlijke karakter van het proces al dan niet in het gedrang werd gebracht.

3. De omstandigheid dat een partij niet kan deelnemen aan een door de onderzoeksrechter bevolen deskundigenonderzoek, behalve wanneer en in zoverre deze laatste dit gepast vindt voor de waarheidsvinding, houdt geen schending van art. 6 EVRM noch miskenning van het recht van verdediging in. De eerbiediging van die bepaling en dat recht wordt immers gewaarborgd bij de behandeling van de zaak voor de vonnisrechter, die onaantastbaar de bewijswaarde van het verslag van de door de onderzoeksrechter aangestelde deskundige beoordeelt en voor wie de partijen dat verslag vrij kunnen betwisten en tegenspreken. De vonnisrechter kan ook de door de onderzoeksrechter aangestelde deskundige of de door de partijen aangebrachte technische raadslieden horen en zelf deskundigen aanstellen.

4. De onderzoeksrechter die het deskundigenonderzoek beveelt en de kamer van inbeschuldigingstelling waarvoor nadien de eenzijdigheid van dat onderzoek wordt betwist, oordelen onaantastbaar of het geheim van het onderzoek een obstakel vormt voor het verlenen van tegenspraak bij de uitvoering van dat onderzoek. Weliswaar kan de kamer van inbeschuldigingstelling binnen het kader van haar beoordeling en rekening houdend met het verweer van de partijen, nieuw of bijkomend onderzoek bevelen. Zij is daartoe evenwel niet verplicht en kan verwijzen naar de waarborgen waarover de partijen beschikken voor de vonnisrechter of naar diens nog onzekere beoordeling van de bewijswaarde van het deskundigenverslag of van het belang van dat verslag in het geheel van de door het onderzoek opgeleverde bewijselementen.

In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

5. De appelrechters (arrest, rechtsoverwegingen 3.4 en 3.3.2) oordelen dat:

– er tijdens de fase van het gerechtelijk onderzoek geen verplichting bestaat om tegenspraak te verlenen bij een deskundigenonderzoek, ook al heeft dit verslag betrekking op een technische materie en ook al kan het van belang zijn voor de schuldvraag;

– in het kader van de bewijswaardering, die vrij is, bij de beoordeling ten gronde rekening kan worden gehouden met alle door de verdediging aangebrachte elementen, met inbegrip van andere deskundigenverslagen;

– de vonnisrechter, indien dit raadzaam voorkomt, de verdediging tevens in de mogelijkheid kan stellen de gerechtsdeskundige te ondervragen;

– het aspect van het doorslaggevend karakter van het verslag van het deskundigenonderzoek eerder te maken heeft met bewijswaardering dan met bewijsverkrijging;

– het de vonnisrechter vrijstaat de waarde van het deskundigenonderzoek, dat slechts de waarde heeft van een advies, te beoordelen en hij dat verslag geheel of gedeeltelijk kan verwerpen en zijn overtuiging kan baseren op andere gegevens van het strafdossier of meer waarde kan hechten aan de verklaringen van de deskundige op de terechtzitting dan aan gegevens van het verslag;

– de procedure in haar geheel dient te worden beoordeeld en de eisers niet aantonen dat het gebrek aan tegenspraak tijdens het deskundigenonderzoek het recht van verdediging onherstelbaar heeft aangetast;

– de appelrechters aldus geen onregelmatigheid vaststellen die invloed heeft op de bewijsverkrijging of aanleiding kan geven tot de nietigverklaring van het deskundigenverslag.

Aldus beoordelen de appelrechters de eenzijdigheid van het door de onderzoeksrechter bevolen deskundigenonderzoek niet louter bij wijze van algemene regel, maar slaan zij acht op eisers verweer met betrekking tot de aard en de draagwijdte van het deskundigenonderzoek en verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

...

Eerste middel van de eiser II

Eerste onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van art. 6.1 EVRM, art. 1315 BW en art. 870 Ger.W., alsmede miskenning van het recht van verdediging, het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld: het arrest oordeelt ten onrechte dat uit de eenzijdigheid van het deskundigenverslag geen miskenning van het recht van verdediging noch enige nietigheid kan worden afgeleid; dat verslag is echter determinerend voor het aan de eiser ten laste gelegde misdrijf van valsheid in geschrifte; gelet op de hoge graad van techniciteit van de opdracht aan de deskundige, het subjectieve karakter van de waardering waarmee de deskundige was belast, de specifieke kennis die voor deze waardering is vereist en het feit dat aan de deskundige werd gevraagd een eigen opinie te verstrekken over de waarde van de vennootschap in kwestie, vereiste eisers recht van verdediging dat hij tegenspraak kon voeren voordat het deskundigenverslag werd neergelegd; het gebrek aan tegenspraak heeft eisers recht op een eerlijk proces onherroepelijk aangetast; doordat hij geen mogelijkheid tot tegenspraak heeft gekregen, moet hij aantonen waarom de waardering van de deskundige verkeerd is; aldus wordt de bewijslast omgekeerd en het vermoeden van onschuld miskend.

...

11. De omstandigheid dat de eiser het niet eens is met het verslag van de door de onderzoeksrechter aangestelde deskundige en dat hij de weerlegging van dat verslag zal moeten betrekken in zijn verweer voor de vonnisrechter, houdt geen omkering van de bewijslast noch miskenning van het vermoeden van onschuld in. Voor de vonnisrechter beschikt de eiser immers over de waarborgen tot eerbiediging van het recht van verdediging zoals vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel van het middel van de eiser I en kan hij het bedoelde verslag, dat enkel de waarde heeft van een advies, vrij betwisten en tegenspreken.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

12. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste onderdeel van het middel van de eiser I en is het om dezelfde redenen te verwerpen.

Tweede onderdeel

13. Het onderdeel voert schending aan van art. 6.1 EVRM, art. 56, § 1 Sv., art. 1315 BW en art. 870 Ger.W., alsmede miskenning van het recht van verdediging, het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld: het arrest oordeelt ten onrechte dat uit de eenzijdigheid van het deskundigenverslag geen miskenning van het recht van verdediging noch enige nietigheid kan worden afgeleid; in de omstandigheden vermeld in het eerste onderdeel van dit middel, namelijk wanneer het deskundigenonderzoek als voorwerp heeft na te gaan of een bepaalde waardering met de werkelijkheid overeenstemt, vereist de verplichting het gerechtelijk onderzoek ook à décharge te voeren dat dit onderzoek op tegenspraak verloopt.

14. De verplichting voor de onderzoeksrechter het gerechtelijk onderzoek ook à décharge te voeren, verplicht hem niet het door hem bevolen deskundigenonderzoek op tegenspraak te doen verlopen.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

15. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste onderdeel van dit middel en is het om dezelfde redenen te verwerpen.

...

Eerste middel van de eiser III

21. Het middel voert schending aan van art. 6.3.a EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende eerbiediging van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: op grond van de redenen die het bevat, oordeelt het arrest (rechtsoverweging 3.8) ten onrechte dat de telastlegging A.III beantwoordt aan de vereisten van art. 6.3.a EVRM; in het kader van de regeling van de rechtspleging vereisen het recht van verdediging en het recht op een eerlijke strafvervolging dat het openbaar ministerie elke inverdenkinggestelde van wie het de verwijzing naar de vonnisrechter vordert, in bijzonderheden en dus gedetailleerd op de hoogte brengt van zowel de aard als de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging, te dezen van de materiële feiten waaruit het ten laste gelegde gebruik van valse stukken bestaat; het staat aan het onderzoeksgerecht erop toe te zien dat die verplichting wordt nageleefd en in geval van onduidelijkheid de vervolgende partij uit te nodigen tot precisering van de telastlegging.

22. Art. 6.3.a EVRM bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht heeft onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingestelde beschuldigingen.

23. Deze verdragsbepaling bedoelt met de “redenen” van de ingestelde beschuldiging de strafbare feiten die ten laste worden gelegd, maar niet de gedetailleerde omschrijving van de materiële feiten waaruit het ten laste gelegde gebruik van de valse stukken bestaat, en met de “aard” van die beschuldigingen de juridische kwalificatie ervan.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat die verdragsbepaling met de “redenen” van de beschuldiging een dergelijke omschrijving van de feiten bedoelt, faalt het naar recht.

24. Hoewel het recht van verdediging vereist dat een inverdenkinggestelde voldoende wordt ingelicht over de hem ten laste gelegde feiten, schrijft geen enkele bepaling voor dat die inlichting alleen kan voortvloeien uit de vordering tot verwijzing. Die inlichting kan mede gegeven worden aan de hand van de stukken van het strafdossier, waarvan de inverdenkinggestelde heeft kunnen kennisnemen en waarover hij voor het onderzoeksgerecht zijn recht van verdediging vrij heeft kunnen uitoefenen.

In zoverre het middel aanvoert dat die inlichting dient te blijken uit deze vordering, faalt het eveneens naar recht.

25. Onder de telastlegging A.III wordt de eiser vervolgd voor het misdrijf gebruik van valse stukken betreffende de verder in die telastlegging opgesomde K.-contracten met de vermelding van het woord “begunstigde(n)”, waardoor werd gesuggereerd dat het verzekeringsproducten betrof, terwijl het in feite een lening was.

Onder de telastlegging D wordt de eiser vervolgd voor het misdrijf oplichting wegens het ontvangen van de verder in die telastlegging opgesomde geldsommen van de daar opgesomde personen, door die personen voor te houden dat zij hebben ingetekend op een verzekeringsproduct met kapitaalgarantie en met vast rendement, door middel van gebruik van de onder de telastlegging A.III opgesomde K.-contracten, terwijl het in feite leningen betrof.

26. Het arrest oordeelt:

“Onder tenlastelegging A.III wordt [de eiser] vervolgd wegens het gebruik van valse stukken, met name de in de tenlastelegging vermelde K.-contracten. De valsheid zou erin bestaan dat die contracten door de vermeldingen “begunstigden” de indruk wekten dat het ging om verzekeringsproducten met kapitaalgarantie, terwijl het om leningen ging. De tenlastelegging vermeldt de stukken waarover het gaat, de geïncrimineerde vermeldingen en de reden waarom die vals zouden zijn. Uit het geheel van de vordering blijkt het verband van voormeld gebruik met de feiten van de tenlastelegging D. De inverdenkinggestelden kunnen zich op de tenlastelegging verdedigen, ook al vermeldt die niet elke gebruiksdaad gesteld door ieder van hen. De tenlastelegging A.III beantwoordt dan ook aan de vereisten van art. 6.3.a EVRM”.

Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Noot: 

zie RW 2016-2017, 1059 voor de noot onder dit arrest

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 22/03/2017 - 17:05
Laatst aangepast op: wo, 22/03/2017 - 17:05

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.