-A +A

Deskundigenonderzoek onvolledig uitgevoerd en hoger beroep

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 17/02/2015
A.R.: 
2014/AB/331

Hoger beroep - vonnis vooraleer recht te doen - belang.

De omstandigheid of een onderzoeksmaatregel al dan niet is uitgevoerd, doet niets af aan de beoordelingsbevoegdheid van de rechter in beroep.
Deze kan op eigen gronden een onderzoeksmaatregel bevelen, die zelfs gedeeltelijk kan samen sporen met een door de eerste rechter aan de deskundige toevertrouwde opdracht. Hij kan evenzeer het bestreden vonnis geheel of gedeeltelijk hervormen en de onderzoeksmaatregel behouden.
Deze mogelijkheden zullen hun gevolg hebben op de onderscheiden toepassing van art. 1068 Ger, maar hieruit volgt meteen dat een appellant belang heeft om zodanig beroep in te leiden en dat dergelijk beroep niet zonder voorwerp is.
Een vonnis ‘alvorens recht te doen' is een tussenvonnis dat strekt tot voorbereiding van de grond van de zaak. Een dergelijk vonnis houdt geen beslissing in omtrent enig geschilpunt. Het put de rechtsmacht van de rechter niet uit en heeft geen gezag van gewijsde.
Dit brengt met zich dat de argumentatie van partijen over de ontvankelijkheid en gegrondheid van de ingestelde vordering voor de beoordeling van de beroepsgrieven tegen het tussenvonnis niet ter zake is; in geval van terugwijzing naar de eerste rechter dient de zaak immers daar te worden verdergezet; deze argumenten kunnen wel aan de orde komen wanneer het hof de zaak aan zich zou trekken op grond van art. 1068 Ger. W.
Deskundigenonderzoek - opdracht
De rechter draagt zijn rechtsmacht niet over wanneer hij een deskundige aanstelt met de opdracht de voor de oplossing van een geschil noodzakelijke materiële en boekhoudkundige gegevens te verzamelen en de berekeningen van partijen waarover de betwisting handelt na te zien.

De devolutieve werking van het hoger beroep - Art 1068 Gerechtelijk Wetboek
Kosten van de rechtspleging -Art 1017,1° Gerechtelijk Wetboek.

Op grond van art. 1068 Ger. W. maakt het hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep.
De beslissing waarbij de rechter in hoger beroep uitspraak doet over de principiële gegrondheid van de vordering in hoger beroep, de aanstelling van de gerechtsdeskundige bevestigt en de zaak terugverwijst naar de eerste rechter voor verdere afhandeling is een eindbeslissing, zodat op grond van art. 1017, 1° Ger. W. over de vereffening van de gerechtskosten in graad van hoger beroep moet worden beslist.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
Uitgever: 
intersentia
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

A. R., appellant,

verschijnend in persoon

tegen

M.L.,geïntimeerde,

verschijnend in persoon

Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden tussenvonnis, uitgesproken op tegenspraak op 11 december 2012 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 11/6811/ A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 3 april 2014,

de conclusies voor de appellant,

de conclusies voor de geïntimeerde,

de voorgelegde stukken.

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 20 januari 2015, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

1. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. De heer R. A. werkte van 1 januari 1998 tot 31 oktober 2000 als zelfstandige voor de n.v. Ondernemingen Arthur M. (hierna aangeduid als de n.v.); volgens een overeenkomst van 21 oktober 1999 werd hem door de n.v. een forfaitaire basisvergoeding per maand betaald, samen met een motivatiepremie.

2. Op 2 oktober 2000 ondertekenden de heer A. en de n.v. een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd, waardoor hij met ingang van 1 november 2000 in dienst kwam van de n.v. als verantwoordelijke voor de afdeling gebouwen en afwerking gebouw. Er werd hem een vaste maandwedde toegekend van 137.000 BEF.

Verder wordt bepaald: Er is tussen de partijen overeengekomen dat de boven de wedde uitbetaalde gratificaties, hoe hun benaming weze, van vrijwillige aard zijn en derhalve geen deel zijn van de wedde. Een storting in de loop van verschillende jaren kan niet gelden als zijnde een bestendig gebruik.

3. Op 9 oktober 2000 ondertekenden partijen een addendum met volgende inhoud:

Bovenop de maandwedde is door de werkgever aan de werknemer een motivatiepremie betaalbaar. Deze motivatiepremie is toepasbaar op alle projecten die door de werknemer zelf worden uitgevoerd of door hem worden beheerd in het kader van de 'afdeling gebouwen en afbouw'. Dit behelst dus eveneens de projecten die worden uitgevoerd door andere projectleiders onder leiding van de werknemer.

De motivatiepremie bedraagt 10% van de supplementair behaalde winstmarge per project dat door de werknemer wordt beheerd.

Onder supplementair behaalde winstmarge wordt verstaan de verkoopprijs ( = som van alle verkoopfacturen) min de aankoopprijs (= som van alle aankoopfacturen en werfgebonden kosten) en tevens verminderd met het bedrag van de algemene kosten en winst van de werkgever.

Het toe te passen percentage voor algemene kosten en winst wordt voor elk project afzonderlijk in gezamenlijk overleg bepaald en vooraf bij de prijsofferte vastgelegd.

Dit percentage is toe te passen op de aankoopprijs. Hetzelfde percentage wordt toegepast voor alle verrekeningen en bijwerken. Op vraag van de werkgever kunnen voor bepaalde bijwerken in overleg afzonderlijke percentages voor de algemene kosten en winst worden vastgelegd.

De motivatiepremie wordt éénduidig bepaald per project volgens onderstaande formule:

MP= WS x 0,1

WS = VP-(AP+AK+W)

MP= Motivatiepremie

WS = Supplementair behaalde Winstmarge op het project VP= Verkoopprijs(= som van alle verkoopfacturen)

AP = Aankoopprijs (= som van alle aankoopfacturen en werfgebonden kosten voor het project)

AK = Algemene Kosten voor de werkgever voor het project W = Winst van de werkgever voor het project

De motivatiepremie voor elk project wordt berekend en uitbetaald zo snel mogelijk na het afsluiten van het project en uiterlijk één jaar na de voorlopige oplevering; voor zoverre de werknemer zijn administratieve taken volledig heeft beëindigd (opmaken eindstaat bestuur en afrekeningen met de respectieve onderaannemers en leveranciers). Indien het exacte getal op dat moment nog niet éénduidig kan worden vastgelegd, wordt het in gezamenlijk overleg bepaald op basis van de tot dan gekende gegevens en later indien nodig aangepast.

Bij de uitbetaling van de motivatiepremie wordt voor elk project tussen partijen een document opgesteld (door beide partijen voor akkoord ondertekend) met vermelding van de tekst "De motivatiepremie voor het project is volledig uitbetaald" of desgevallend "Er werd een voorlopige motivatiepremie vastgelegd en uitbetaald" met vermelding van de berekeningsformule.

Indien de werknemer de arbeidsovereenkomst opzegt, vervallen alle motivatiepremies van de nog lopende projecten volledig, ongeacht de tot dan behaalde supplementaire winsten.

Indien de werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt, blijven de motivatiepremies van de nog lopende projecten betaalbaar, berekend op de tot dan behaalde supplementaire winsten.

Al de voorwaarden van de initiële arbeidsovereenkomst, niet in strijd met onderhavige bepalingen blijven verder van toepassing.

4. In de loop van 2007 ontstonden er discussies over de aanrekening van de motivatiepremies.

5. Op 28 augustus 2007 beëindigde de n.v. de arbeidsovereenkomst van de heer A. met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding van€ 40.748,48.

6. Na het ontslag accelereert de discussie tussen partijen over de globale afrekening d.m.v. over en weergaande brieven en faxen tussen de raadslieden van partijen.

7. Omdat partijen niet tot een oplossing kwamen, heeft de heer A. op 15 februari 2008

de n.v. gedagvaard in betaling van:

Intresten op€ 40.748,48 ten bedrage van€ 227,74

Een aanvullende opzeggingsvergoeding van€ 192.381,97 Variabel feestdagenloon van € 10.561,93

Vakantiegeld op variabel loon van€ 36.753,37

Idem dienstjaar 2007 van € 6.404,52

Enkelvoudig vakantiegeld en loon adv-dagen van €3.627,35 Motivatiepremies€ 309.795,60 provisioneel

Vakantiegeld einde dienst op motivatiepremies van€ 47.552,64 Vermeerderd met intresten en kosten.

8. Bij tussenvonnis van 3 juni 2008 werd de aanstelling van een deskundige voorbarig geacht en werd de n.v. veroordeeld tot voorlegging van de tussenstaat en de eindstaat van de analytische balans van een aantal projecten.

9. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 14 oktober 2008 werd de n.v. failliet verklaard en werden de advocaten R. Parijs en J. Mombaers als curatoren aangesteld.

10. Bij eindvonnis van 20 juli 2010 in de zaak, ingeleid op 15 februari 2008 (zie randnummer 7) werden de curatoren van de failliete onderneming veroordeeld tot betaling van

€ 10.561,93 ten titel van variabel feestdagenloon;

€ 43.157,89 ten titel van vakantiegeld op motivatiepremies;

€ 213.886,60 ten titel van motivatiepremies op de opgeleverde werven; € 226.337 ten titel van motivatiepremies op de lopende werven;

€ 67.530,30 ten titel van vakantiegeld op de niet-betaalde motivatiepremies; € 124.336,246 ten titel van opzeggingsvergoeding;

Vermeerderd met intresten en kosten.

Voor wat betreft de tegenvordering m.b.t. de terugbetaling van teveel betaalde motiveringspremies verleende de rechtbank akte aan de n.v. van de door de heer A. aanvaarde afstand van rechtsvordering.

De heer M. tekende derdenverzet aan tegen dit vonnis.

11. De heer A. ontving uit het faillissement een dividend van € 5.746,80 wegens achterstallig loon en een betaling door het FSO van € 11.750 wegens achterstallig loon en vakantiegeld.

12. Op 23 mei 2011 bracht de heer A. een dagvaarding uit voor de arbeidsrechtbank te Brussel lastens de heer L. M., afgevaardigde beheerder van de failliete n.v. en als dusdanig 'werkgever, aangestelde of lasthebber van de n.v.' en daardoor aangesproken als delictueel aansprakelijke voor de betaling van een schadevergoeding ten belope van € 561.473,71, te vermeerderen met de vergoedende intresten en met de gerechtelijke intresten met aftrek van € 11.250 betaald door het FSO op 19 november 2010.

Het gevorderde bedrag van€ 561.473,71 wordt uitgesplitst als volgt:

• schade gelijk aan het bedrag van niet betaald feestdagenloon ten belope van€ 10.561,93;

• schade gelijk aan het bedrag van niet betaalde loon ten belope van€ 440.223,60

• schade gelijk aan het bedrag van niet betaalde vakantiegeld ten belope van € 110.688,19. Verder strekt de vordering tot de veroordeling van verwerende partij tot betaling van de kosten, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding.

13. Bij tussenvonnis van 11 december 2012 van de arbeidsrechtbank te Brussel werd alvorens recht te spreken de heer Dirk Smets als deskundige aangesteld met als opdracht alle projecten waarvoor de heer A. sedert november 2000 een motivatiepremie heeft ontvangen en deze waarvoor hij de betaling vordert:

 

- alle op het betrokken project hebbende boekhoudkundige stukken, nodig om de in artikel 2 van het addendum van 9 oktober 2000 opgenomen formule toe te passen, op te vragen en te onderzoeken;

- op basis van de formule opgenomen in het addendum per project een berekening te maken van de verschuldigde motivatiepremie.

De arbeidsrechtbank overwoog daarbij dat door het derdenverzet tegen het vonnis van 20 juli 2010, dit geen bewijswaarde tegen derden had.

Verder motiveerde de arbeidsrechtbank:

De Rechtbank stelt vast dat het overgrote deel van de vorderingen van de heer A. betrekking heeft op de motivatiepremies en de berekening ervan.

De heer M. stelt dat hij de berekeningen nooit heeft nagekeken en de heer A. vertrouwde. De heer A. daarentegen stelt dat de heer M. de berekeningen wel liet nakijken of zelf nakeek.

De Rechtbank stelt vast dat niet wordt ontkend dat enkel de heer A. dergelijke motivatiepremie ontving en dat niemand van het personeel op de hoogte was dat hij dergelijke premie kreeg.

Er kon derhalve ook niemand die berekeningen nakijken behalve de heer M. , die ontkent dat hij de berekeningen nakeek.

De beweringen van beide partijen worden niet voldoende bewezen en alhoewel de heer M. toch een fout beging door de berekeningen niet te controleren, neemt niet weg dat de heer A. de berekeningen correct diende te doen, conform de formule door hem ontwikkeld.

Om dit na te gaan meent de Rechtbank dat er alvorens recht te spreken een deskundige dient aangesteld te worden om na te gaan of de motivatiepremies die aan de heer A. werden betaald sedert 2000 of die door de heer A. gevorderd worden conform de formule opgenomen in het addendum van de arbeidsovereenkomst werden berekend.

14. Op 5 december 2013 legde de deskundige zijn verslag neer; op 18 december 2013

verzond hij een correctie wegens een materiële vergissing.

15. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 3 april 2014, tekende de heer A. hoger beroep aan tegen het tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel d.d. 11 december 2012; hij vroeg dat het bestreden tussenvonnis zou worden teniet gedaan en dat het arbeidshof daarna de zaak aan zich zou trekken om dan de oorspronkelijke vordering in volgende mate ontvankelijk en gegrond te zien verklaren, met name de heer M. te zien veroordelen tot betaling van € 379.693,06, vermeerderd met vergoedende intresten vanaf 1 april 2014 en met gerechtelijke intresten vanaf de datum van het uit te spreken arrest, vermeerderd met gerechtskosten.

Tijdens de pleidooien wordt bevestigd dat noch de aanstelling van de deskundige, noch de zending wordt betwist, maar dat de heer A. zich niet kan vinden in de motivering van het tussenvonnis.

De heer M. acht het hoger beroep onontvankelijk wegens het ontbreken van voorwerp en van een rechtmatig en wettig belang in hoofde van de heer A.; in ondergeschikte orde acht hij het hoger beroep ongegrond en vraagt hij de bevestiging van het tussenvonnis, zodat de zaak naar de eerste rechter dient te worden verwezen. Indien het arbeidshof de zaak aan zich zou trekken, acht hij de oorspronkelijke vordering niet ontvankelijk, minstens ongegrond en vraagt hij minstens bijkomende onderzoeksmaatregelen, waaronder een persoonlijke verschijning en een getuigenverhoor.

ll. BEOORDELING

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

16. Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld,

wat niet wordt betwist.

De omstandigheid of een onderzoeksmaatregel al dan niet is uitgevoerd, doet niets af aan de beoordelingsbevoegdheid van de rechter in beroep, die toepassing zal dienen te maken van art. 1068 Ger. W. ( Luik 28 juni 1996, Pas. 1995, Il, 100).

De rechter in hoger beroep kan op eigen gronden een onderzoeksmaatregel bevelen, die zelfs gedeeltelijk kan samen sporen met een door de eerste rechter aan de deskundige toevertrouwde opdracht (Cass. 16 september 1991, Soc. Kron. 1992, 61; Cass. 18 maart 2010, TBBR 2012, 107 met noot); hij kan evenzeer het bestreden vonnis geheel of gedeeltelijk hervormen en de onderzoeksmaatregel behouden (Cass. 6 mei 1993, RW 1993- 94, 1337).

Deze mogelijkheden zullen hun gevolg hebben op de onderscheiden toepassing van art. 1068 Ger. W. (P. îAELMAN en K. PITEUS, "Dynamiek en evolutie van het geding in hoger beroep" in X., Goed procesrecht - Goed procederen 2002-2003 , Kluwer, Mechelen, 2004, 405, nr. 74), maar hieruit volgt meteen dat een appellant belang heeft om een zodanig beroep in te leiden en dat dergelijk beroep niet zonder voorwerp is.

17. De heer A. roept in dat de motivering van de eerste rechter gebaseerd is op foutieve veronderstellingen en irrelevante feiten en dat het bestreden vonnis berust op een verkeerde rechtsopvatting.

Aldus heeft de heer A. een belang bij het ingestelde beroep, dat een voorwerp heeft. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk.

De gegrondheid van het hoger beroep

18. Nadat de eerste rechter de vordering heeft weergegeven, zoals opgenomen in de inleidende dagvaarding en de feiten van het geschil beknopt heeft geschetst, heeft hij in essentie vastgesteld dat door onvoldoende controle de berekening van de motivatiepremie mogelijks niet accuraat was gebeurd en dat de partijen hieromtrent tegenstrijdige en niet voldoende bewezen standpunten ontwikkelden.

Alvorens recht te spreken, werd een deskundige aangesteld, zoals door de heer M. gevraagd, met nadere omschrijving van de opdracht door de eerste rechter (zie randnummer 13).

19. Een vonnis 'alvorens recht te doen' is een tussenvonnis dat strekt tot voorbereiding van de grond van de zaak. Een dergelijk vonnis houdt geen beslissing in omtrent enig geschilpunt. Het put de rechtsmacht van de rechter niet uit en heeft geen gezag van gewijsde (K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, 131, nr. 278).

20. Dit brengt met zich dat de argumentatie van partijen over de ontvankelijkheid en gegrondheid van de ingestelde vordering voor de beoordeling van de beroepsgrieven tegen het tussenvonnis niet ter zake is; in geval van terugwijzing naar de eerste rechter dient de zaak immers daar te worden verdergezet; deze argumenten kunnen wel aan de orde komen wanneer het hof de zaak aan zich zou trekken op grond van art. 1068 Ger. W.

21. De rechter draagt zijn rechtsmacht niet over wanneer hij een deskundige aanstelt met de opdracht de voor de oplossing van een geschil noodzakelijke materiële en boekhoudkundige gegevens te verzamelen {Cass., 25 september 1980 Arr.Cass. 1980-81, 89; Pas. 1981, 1, 89).

Gelet op de meningsverschillen over de calculatie van de motivatiepremie mocht de eerste rechter aan de deskundige opdragen deze na te zien voor alle projecten sedert november 2000 en voor deze waarvoor de heer A. de betaling vordert. Het bevolen onderzoek overschrijdt daardoor niet de grenzen van het geschil.

De heer A. betwist overigens de aanstelling en de opdracht niet, minstens brengt hij dienaangaande geen pertinente grieven aan.

22. Gelet op het feit dat een vonnis alvorens recht te spreken geen geschilpunt oplost (zie randnummer 19) en gelet op de motieven voor de aanstelling van een deskundige (randnummer 18), kan niet aangenomen worden dat de motivering van de eerste rechter gebaseerd is op foutieve veronderstellingen en irrelevante feiten of dat het bestreden vonnis berust op een verkeerde rechtsopvatting.

23. Aangezien het tussenvonnis gewezen werd alvorens recht te doen, kan na de expertise verder uitspraak worden gedaan over de discussiepunten, waarvan de heer A. aan

de eerste rechter verwijt dat er nog geen uitspraak over werd gedaan; evenmin hield dit vonnis een impliciete stellingname in.

24. De eerste rechter heeft bij de omschrijving van het voorwerp van de vordering de gegevens overgenomen die de heer A. zelf had vermeld in de inleidende dagvaarding van 23 mei 2011. Anders dan hij voorhoudt heeft hij hierin geen schadevergoeding gevorderd bij wijze van herstel in natura, doch wel een schadevergoeding bij equivalent: schade gelijk aan het bedrag van ... Hij maakte daarbij geen aftrek van het dividend door de curatoren uitgekeerd.

Bovendien heeft de heer A. in zijn verzoekschrift hoger beroep en in zijn syntheseconclusie, neergelegd op 14 november 2014, zijn vordering telkens geherformuleerd, zodat de initiële opgave van de vordering niet meer actueel is.

25. De formule voor de berekening van de motivatiepremie is geconcipieerd op de formulering die reeds in de zelfstandigenovereenkomst gehanteerd was en waarvan geredelijk kan aangenomen worden dat ze ontwikkeld was door de heer A" Niet betwist wordt dat de toe te passen formule overeengekomen was in het addendum van 9 oktober 2000, wat de eerste rechter correct weergaf op het derde en vierde blad van het bestreden vonnis. In het beschikkend gedeelte wordt m.b.t. de opdracht van de deskundige verwezen naar de formule opgenomen in het addendum.

26. De vraag omtrent de effectiviteit en werkwijze van controle van de door de heer A. voorgelegde berekening van de premies doet niets af aan de discussies tussen partijen en de tegengestelde standpunten omwille waarvan de eerste rechter alvorens recht te doen tot een expertisemaatregel besliste, die noch als zodanig, noch wat betreft de opdracht wordt betwist.

Wat betreft het al dan niet definitief karakter van de premie kan het arbeidshof overigens enkel vaststellen dat in de huidige stand geen stukken worden voorgelegd, waaruit zou kunnen blijken dat uitvoering werd gegeven aan volgend onderdeel van het addendum:

Bij de uitbetaling van de motivatiepremie wordt voor elk project tussen partijen een document opgesteld (door beide partijen voor akkoord ondertekend) met vermelding van de tekst "De motivatiepremie voor het project is volledig uitbetaald" of desgevallend "Er werd een voorlopige motivatiepremie vastgelegd en uitbetaald" met vermelding van de berekeningsformule.

De eerste rechter kon derhalve alvorens recht te doen aan de deskundige een advies vragen over de correctheid van de berekeningen, wegens onvoldoende bewijs van de elkaar tegensprekende standpunten van partijen.

De bezwaren van de heer A. tegen de bijkomende motivering van de eerste rechter doen daaraan niets af; het tussenvonnis heeft zoals gezegd geen gezag van gewijsde.

27. Het hoger beroep is daardoor ongegrond, zodat de door de eerste rechter gelaste

expertise bevestigd blijft.

De devolutieve werking van het hoger beroep?

28. Op grond van art. 1068 Ger. W. maakt het hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep.

Deze verwijst de zaak alleen dan naar de eerste rechter, indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt.

29. Een deskundigenonderzoek is alleszins een onderzoeksmaatregel in de zin van art. 1068, tweede lid Ger. W. (B. VAN DEN BERGH, "Bevestiging van de onderzoeksmaatregel, zoals bedoeld in art. 1068, tweede lid, Ger. W.: wanneer geldt deze uitzondering op de (verruimde) devolutieve werking van het hoger beroep?" TBBR 2012, 110, nr. 8).

30. Gelet op de bevestiging van de expertise, is aan de voorwaarden van art. 1068, tweede lid voldaan. Er wordt overigens geen nieuwe expertise of een herformulering van de onderzoeksmaatregel gevraagd.

31. De zaak dient dan ook voor verdere behandeling te worden verwezen naar de eerste rechter.

32. De beslissing waarbij de rechter in hoger beroep uitspraak doet over de principiële gegrondheid van de vordering in hoger beroep, de aanstelling van de gerechtsdeskundige bevestigt en de zaak terugverwijst naar de eerste rechter voor verdere afhandeling is een eindbeslissing, zodat op grond van art. 1017, 1 ° Ger. W. over de vereffening van de gerechtskosten in graad van hoger beroep moet worden beslist. (Cass. 23 april 2012, www.juridat.be) Deze dienen te worden gedragen door de heer A"

OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Verklaart het hoger beroep onontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden tussenvonnis en verwijst op grond van art. 1068, tweede lid Ger. W. de zaak voor verdere behandeling naar de eerste rechter.

Veroordeelt de heer A. tot de gerechtskosten van dit hoger beroep, deze aan de zijde van de heer L. M. begroot op:

Rechtsplegingsvergoeding beroep basisbedrag€ 7.700.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 13/04/2016 - 10:13
Laatst aangepast op: wo, 13/04/2016 - 10:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.