-A +A

Deskundigenonderzoek in het buitenland

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 07/11/2013
A.R.: 
C.10.0286.N
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
830
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.10.0286.N

Vennootschap naar Nederlands recht BV P. t/ NV X. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 20 januari 2010.

Gelet op het arrest van het Hof van 27 mei 2011 en op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 februari 2013.

...

II. Voorafgaande rechtspleging

1. Bij arrest van 27 mei 2011 heeft het Hof iedere nadere uitspraak aangehouden tot het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak zal hebben gedaan over de hiernavolgende prejudiciële vraag:

“Moeten de artikelen 1 en 17 van de verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, mede in acht genomen de Europese regelgeving inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken en het in art. 33.1 EEX-Vo tot uitdrukking gebrachte beginsel dat de in een lidstaat gegeven beslissingen zonder vorm van proces worden erkend in de overige lidstaten, aldus worden uitgelegd dat de rechter die een gerechtelijk deskundigenonderzoek beveelt waarvan de opdracht deels in het land van de lidstaat waartoe de rechter behoort, maar ook deels in een andere lidstaat dient te worden uitgevoerd, voor de rechtstreekse uitvoering van dit laatste deel alleen en dus exclusief gebruik moet maken van de door voormelde verordening in het leven geroepen methode bedoeld in art. 17, dan wel of de door dat land aangestelde gerechtsdeskundige ook buiten de bepalingen van de verordening nr. 1206/2001 kan worden belast met een onderzoek dat gedeeltelijk in een andere lidstaat van de Europese Unie moet worden uitgevoerd?”

2. Bij arrest van 21 februari 2013 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie – zaak C-332/11 – die vraag beantwoord.

...

IV. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Het Hof van Justitie heeft bij arrest – 2 – 332/11 – van 21 februari 2013 verklaard voor recht: “De artikelen 1, lid 1, sub b en 17 van verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, moeten aldus worden uitgelegd dat het gerecht van een lidstaat dat verlangt dat de handeling tot het verkrijgen van bewijs waarmee een deskundige is belast, wordt verricht op het grondgebied van een andere lidstaat, er niet noodzakelijkerwijs toe gehouden is de in die bepalingen neergelegde methode voor bewijsverkrijging toe te passen om die handeling te mogen gelasten”.

2. Het Hof van Justitie overwoog hierbij:

“47. Niettemin moet worden gepreciseerd dat, wanneer de door een gerecht van een lidstaat aangewezen deskundige zich naar een andere lidstaat moet begeven om aldaar het deskundigenonderzoek waarmee hij is belast uit te voeren, dit onderzoek in bepaalde omstandigheden invloed kan hebben op het openbaar gezag van de lidstaat waarin het onderzoek moet worden verricht, met name wanneer het wordt uitgevoerd op plaatsen die verband houden met de uitoefening van dat gezag of op plaatsen die volgens het recht van de lidstaat waar het onderzoek wordt uitgevoerd, niet of slechts door bevoegde personen mogen worden betreden of waar enkel die personen bepaalde handelingen mogen verrichten.

“48. In die omstandigheden, behoudens indien het gerecht dat een grensoverschrijdend deskundigenonderzoek wenst te gelasten, afziet van het verkrijgen van het betrokken bewijs, en bij ontbreken van een overeenkomst of regeling tussen de lidstaten in de zin van artikel 21, lid 2 van verordening 1206/2001, is de in de artikelen 1, lid 1, sub b en 17 van voormelde verordening bedoelde methode van bewijsverkrijging in de praktijk de enige methode volgens welke een gerecht van een lidstaat een deskundigenonderzoek rechtstreeks in een andere lidstaat kan laten uitvoeren.

“49. Uit een en ander volgt dat een nationale rechterlijke instantie die een deskundigenonderzoek wil gelasten dat op het grondgebied van een andere lidstaat moet worden uitgevoerd, niet noodzakelijk verplicht is de in de artikelen 1, lid 1, sub b en 17 van verordening nr. 1206/2001 neergelegde methode van bewijsverkrijging toe te passen”.

3. Het middel dat er geheel van uitgaat dat het gerecht van een lidstaat dat verlangt dat de handeling tot het verkrijgen van bewijs waarmee een deskundige is belast, wordt verricht op het grondgebied van een andere lidstaat, er steeds toe gehouden is hiertoe de voorafgaande toelating van de andere lidstaat te vragen overeenkomstig art. 17 van verordening (EG) nr. 1206/2001, zonder hierbij te onderscheiden naargelang het onderzoek al dan niet invloed kan hebben op het openbaar gezag van die andere lidstaat, noch naargelang er al dan niet een overeenkomst of regeling bestaat in de zin van art. 21, tweede lid van verordening 1206/2001, faalt naar recht.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 19/01/2015 - 19:14
Laatst aangepast op: ma, 19/01/2015 - 19:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.