-A +A

Deskundigenonderzoek en hoger beroep

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 02/10/2012
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2012-2013
Pagina: 
1469
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV M. t/ NV D.P.

...

De appellabiliteit van de zaak

10. Krachtens art. 963 Ger.W. zijn de “beslissingen die het verloop van de procedure van het deskundigenonderzoek regelen” niet vatbaar voor verzet of hoger beroep, met uitzondering van de beslissingen genomen met toepassing van de artikelen 971 (wraking), 979 (vervanging deskundige), 987, eerste lid (bepaling voorschot en wie moet consigneren) en 991 (taxatie) Ger.W.

De bestreden beslissing van 12 augustus 2010 werd kennelijk niet genomen met toepassing van art. 973 Ger.W.: het debat vond niet plaats in raadkamer en de zaak werd behandeld door de voltallige kamer.

Art. 875 Ger.W. bepaalt dat wanneer een onderzoeksmaatregel door de rechter bevolen niet binnen de gestelde termijn is uitgevoerd, de meest gerede partij in alle aangelegenheden de zaak opnieuw “ter zitting” kan brengen om te doen beslissen als naar recht.

Art. 973 Ger.W. geeft aan de (controle)rechter een taak tijdens “het verloop” van het deskundigenonderzoek, meer bepaald met betrekking tot de naleving van de termijnen, het contradictoir karakter en de betwistingen die in de loop van het onderzoek ontstaan, maar de beoordeling van het geschil zelf of van deelaspecten daarvan komt niet toe aan de rechter bedoeld in art. 973 Ger.W., volgens de procedurevoorschriften van dit artikel.

Art. 972bis, § 1, eerste lid Ger.W. bepaalt dat de partijen verplicht zijn mee te werken aan het deskundigenonderzoek en dat bij gebreke daarvan “de rechter” daaruit de conclusies kan trekken “die hij geraden acht”. Wanneer een partij zonder rechtmatige reden weigert mee te werken aan een deskundigenonderzoek, kan de rechter daaruit onder meer een feitelijk vermoeden afleiden tegen die partij of oordelen dat de eisende partij geen bewijs levert van wat zij vordert en aldus de vordering van de eisende partij afwijzen.

Dit betreft evenwel de beoordeling van het geschil zelf en niet “het verloop van het onderzoek”.

De beslissing tot het aanstellen van een deskundige, met toepassing van art. 962 Ger.W., is geen beslissing die het verloop van het deskundigenonderzoek regelt, maar een beslissing alvorens recht te spreken, waarbij de onderzoeksmaatregel zelf wordt bevolen (cf. art. 19, tweede lid Ger.W.). Ook de beslissing waarbij een einde wordt gemaakt aan een eerder bevolen deskundigenonderzoek, is geen beslissing die louter het verloop van het deskundigenonderzoek regelt, maar evengoed een beslissing alvorens recht te spreken. Tegen dergelijke beslissingen kan hoger beroep worden ingesteld (zie art. 1050, eerste lid Ger.W.).

Het hof is van oordeel dat de controlerechter hoogstens de expertise voorlopig kan schorsen in afwachting van de beoordeling van het geschil zelf.

De eerste rechter was te dezen van oordeel dat de expertise geen voortgang kende door de houding van opdrachtgever M. en dat, in de gegeven omstandigheden, het gepast voorkomt het deskundigenonderzoek te beëindigen en de gerechtelijke deskundige van zijn opdracht te ontlasten. Tot slot bepaalde hij conclusietermijnen tussen de partijen.

Het hoger beroep van opdrachtgever M. is appellabel, wat tussen de partijen niet ter betwisting staat.

...

Het devolutief karakter van het hoger beroep

13. Aangezien het onderhavige hoger beroep niet gericht is tegen een controlebeslissing in de zin van art. 963, § 1 Ger.W., maakt het in principe door de devolutieve kracht van het hoger beroep, de andere aspecten van het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep (zie art. 1068, eerste lid Ger.W.; vergelijk met art. 963, § 2 Ger.W.). Deze devolutieve kracht speelt evenwel slechts binnen de perken van het door de partijen ingestelde hoger beroep.

Te dezen stelt het hof vast dat de partijen het voorwerp van hoger beroep beperkt hebben tot de beëindigingsbeslissing van de eerste rechter en tot de incidentele vordering van aannemer D.P. tot het verkrijgen van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding en misbruik van procesgang.

De beoordeling van de zaak zelf, met inbegrip van de toepassing van de bewijsregels en de eventuele toepassing van art. 875 Ger.W., komt toe aan de rechter van het geschil zelf in eerste aanleg.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 05/05/2013 - 10:08
Laatst aangepast op: zo, 05/05/2013 - 10:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.