-A +A

Derdemedeplichtigheid aan contractbreuk is extra-contractuele fout is in de zin van artikel 1382 B.W.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 22/03/2010

Derdemedeplichtigheid aan contractbreuk is een extra-contractuele fout in de zin van artikel 1382 B.W., doch dit impliceert niet dat het een met de eerlijke handelsgebruiken strijdige daad is in de mate dat de schade die daaruit zou kunnen voortvloeien uitsluitend contractueel is, zowel van oorsprong als van aard.
Naar analogie met de regels die gelden bij samenloop en coëxistentie van contractuele en extracontractuele aansprakelijkheid, zal de stakingsvordering die steunt op derdemede-plichtigheid aan een contractuele wanprestatie, derhalve slechts gegrond zijn wanneer de eiser aantoont dat de houding van de derde van die aard is dat zij hem een schade berokkent die onderscheiden is van de contractuele schade die hij lijdt.

I Bestreden beslissing – Rechtspleging in hoger beroep

1.
Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 20 februari 2008 tegen de beschikking van 21 december 2007 van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, die zitting nam zoals in kort geding, (07/1934/A).

Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd.
2.
Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen.

De procedure gebeurde op tegenspraak.
Er werd kennis genomen van de procedure- en overtuigingsstukken.
II Overblijvende betwisting – Feiten – Procedure in eerste aanleg

3.
De overblijvende betwisting betreft de vragen of:
1) Dit Hof over de vereiste rechtsmacht beschikt;
2) Partijen over en weer inbreuken maken op de eerlijke handelsgebruiken door
a. het versturen van brieven door H. die P. slecht maken bij (potentiële) leveranciers;
b. het aanbieden van producten door H. met een lage winstmarge;
c. verkeerdelijk gebruik van vertrouwelijke informatie door P.;
d. het afwerven van leveranciers en/of klanten door P..
4.
De eerste rechter vatte de feiten en argumentatie van de partijen beknopt en correct samen op de pagina’s 2 tot 4 van de bestreden beschikking. Het Hof verwijst daarnaar

Voor een vlotte lezing van wat volgt, wordt enkel het volgende herhaald.

De statutaire zaakvoerder van de bvba P., de heer V. D. V., begint een eigen onderneming met dezelfde activiteit als de bvba H. AT Vision (hierna “H.” of “appellante”), na het ontslag van de heer V. D. V. als werknemer bij H..

Beide bedrijven verkopen zogeheten visietechnologie. Dit zijn vooral lenzen, camera’s en software, die gebruikt worden in de bouw van elektrische en elektronische apparatuur en instrumenten voor de bewaking van industriële processen.

P. is van oordeel dat H. oneerlijk handel drijft door zakenrelaties van P. aan te schrijven waarin zij P. beschuldigt van oneerlijke mededinging, dreigt met schadeclaims wegens derdemedeplichtigheid aan oneerlijke mededinging en door producten op de markt aan te bieden “met een uiterst beperkte winstmarge”.

H. is van oordeel dat P. oneerlijk handel drijft door vertrouwelijke informatie van H. te misbruiken en deze informatie wederrechtelijk aan te wenden voor het afwerven van leveranciers en/of cliënteel en deze informatie te misbruiken in contacten met de leveranciers van H..
5.
De eerste rechter oordeelde:
1) dat hij niet over de wettelijk vereiste rechtsmacht beschikte om kennis te nemen van de vordering in zoverre ze betrekking had op de brief die H. naar E2V schreef, onderneming gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en dat hij voor het overige wel over de vereiste rechtsmacht beschikte;
2) dat de vordering gesteund op verkoop met verlies ongegrond was;
3) dat de tegenvordering steunde op gegevens die bekomen werden bij een private huiszoeking, die een inbreuk uitmaakte op artikel 8 EVRM, zodat met de bekomen gegevens geen rekening kon gehouden worden. Voor het overige was niets bewezen, zodat de oorspronkelijke tegenvordering ongegrond was.
III Grieven – Voorwerp van het hoger beroep

6.
H. tekent beperkt hoger beroep aan, namelijk tegen het ongegrond verklaren van haar oorspronkelijke tegenvordering met de volgende grieven.

1) de bestreden beschikking faalt in feite: los van de gegevens die bekomen werden bij het uitvoeren van de bekomen onderzoeksmaatregel, zijn er voldoende bewijzen aanwezig van de inbreuken van P. op de eerlijke handelspraktijken. Met name beging de zaakvoerder een inbreuk op zijn niet – concurrentiebeding;
2) de bestreden beschikking faalt in rechte: bij het nemen en het uitvoeren van de onderzoeksmaatregel werd geen inbreuk gemaakt op artikel 8 EVRM. De privacy van de heer V. D. V. en zijn privé-woning werden niet geschonden. De eerste rechter had bovendien rekening moeten houden met het feit dat de onderzoeksmaatregel door een rechter bevolen werd.

H. vordert de bestreden beschikking gedeeltelijk te hervormen en haar oorspronkelijke tegenvordering gegrond te verklaren.
7.
P. stelt bij conclusie incidenteel hoger beroep in met de volgende grieven.

1) de bestreden beschikking faalt in rechte waar de eerste rechter ten onrechte geoordeeld heeft dat hij niet over de vereiste rechtsmacht beschikt om het eerste gedeelte van de hoofdvordering te beoordelen. Met betrekking tot de grond van deze vordering herneemt P. het middel en de argumentatie die zij in eerste aanleg ontwikkelde;
2) tegen de verwerping van het middel over de verkoop met verlies formuleert P. niet echt een grief. Zij herneemt haar oorspronkelijke argumentatie.

P. vordert dat:
1) het hoofdberoep toelaatbaar, maar ongegrond wordt verklaard en de bestreden beschikking op dit punt bevestigd wordt;
2) het incidenteel toelaatbaar en gegrond verklaard wordt, de oorspronkelijke eis toelaatbaar en gegrond verklaard wordt, de inbreuken vastgesteld worden en de staking ervan bevolen wordt.

IV Bespreking

De rechtsmacht

Op de volgende gronden hervormt het Hof dit onderdeel van de bestreden beschikking.

8.
Op grond van artikel 5,3° EEX-Verordening kan voor verbintenissen uit onrechtmatige daad, de verweerder, die zijn of haar woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, gedagvaard worden voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengend feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen. Vorderingen op grond van wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken, de voorlichting en de bescherming van de consument (hierna WHPC), zoals achteraf gewijzigd, vormen een toepassing van de algemene vordering op grond van onrechtmatige daad.

In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat er niet enkel brieven vanuit Nederland naar Engeland vertrokken zijn, maar ook naar Frankrijk en naar een Belgische leverancier (te Angleur). Er is derhalve onmiskenbaar een Belgisch aanknopingspunt wat de mogelijke schade betreft.
In tegenstelling tot de eerste rechter is het Hof in deze zaak van oordeel dat deze ene brief op Belgisch grondgebied voldoende is. Het gaat in deze zaak namelijk om een welbepaalde handelssector, een niche-markt, met enkele leveranciers en niet zo heel veel afnemers. Het is niet bewezen dat naar de andere landen zo veel meer brieven vertrokken zijn, zodat daaraan meer gewicht zou moeten toegekend worden. Het is niet omdat de brieven vanuit de Nederlandse vestiging van appellante vertrokken zijn, dat dit de enige aanknopingsfactor zou zijn. Er anders over oordelen zou trouwens een voorwaarde toevoegen aan het genoemde artikel 5,3°.

Verder – en voor zover nog nodig – werpt P. terecht op dat zij in België gevestigd is, hier de leveringen ontvangt en hier haar inkomsten en winsten realiseert. P. is van oordeel dat de handelswijze van H. haar schade toegebracht heeft of schade kon toebrengen, dat dit haar in haar leveringen en dus in de inkomsten en winsten schade toebracht of kon toebrengen, zodat het wettelijk vereiste aanknopingspunt inderdaad aanwezig is.
9.
Dit onderdeel van het incidenteel hoger beroep is gegrond.
Op grond van het voorgaande is de vordering in haar geheel toelaatbaar.
Het niet – concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomst van de heer V. D. V. met H.

10.
Het tweede lid van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2005 tussen de heer V. D. V. en H. bepaalt dat het de heer V. d. V. verboden is om binnen een tijdvak van twee jaren na de beëindiging van de dienstbetrekking, zelf in enigerlei vorm van een onderneming, gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van H. te vestigen, te drijven, mede te drijven of te doen drijven, of, hetzij direct, hetzij indirect in welke vorm dan ook bij een dergelijke zaak belang te hebben, aandelenbezit van een beursgenoteerde onderneming daarvan uitgezonderd.

Artikel 11 van de overeenkomst bepaalt dat het Belgisch recht van toepassing is op de overeenkomst.

Voor het niet – concurrentiebeding, met een duur van twee jaren, is geen vergoeding overeen gekomen. Er is ook geen enkele geografische beperking ingeschreven.
Naar Belgisch recht is een dergelijk niet – concurrentiebeding ongeldig, want in strijd met zeker 3 van de 4 voorwaarden van artikel 63, §2 van de Belgische Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Op grond van artikel 65, §2, lid 5 van dezelfde wet is het beding niet afdwingbaar. Binnen de grenzen van artikel 17 van de Wet op de Arbeidsovereenkomsten en van de eerlijke handelsgebruiken beschikt de heer V. D. V. over de vrijheid van handel, wat de vrijheid van mededinging impliceert. Ook P. beschikt over die vrijheid, binnen de grenzen van de eerlijke handelspraktijken.
11.
Voor zover de oorspronkelijke tegenvordering van H. gegrond was op de derdemedeplichtigheid van P. aan de contractbreuk van de heer V. D. V., is zij niet gegrond. Het principaal hoger beroep is ongegrond met betrekking tot dit onderdeel.
De informatie bekomen door H. op grond van de beschikking op eenzijdig verzoekschrift van 23 augustus 2007

12.
Op 13 augustus 2007 legt H. een eenzijdig verzoekschrift neer bij de dienstdoende voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Bij beschikking van dezelfde dag stelt deze een gerechtsdeurwaarder en een informatieanalist aan om zich toegang te verschaffen tot de zetel van de bvba P. en de privé-woning van de zaakvoerder “of op enige andere plaats, met behulp van een slotenmaker, en de openbare macht, aldaar over te gaan tot onderzoek van de documenten, alle gegevensdragers en de harde schijf van de computers die zich aldaar bevinden, die betrekking hebben met (sic) de gegevens die van verzoekster afkomstig zijn” (onderdeel van stuk 9 van het dossier van appellante).

Bij beschikking van 23 augustus 2007 wordt door een andere dienstdoende voorzitter bij beschikking op eenzijdig verzoekschrift een bijkomende gerechtsdeurwaarder aangesteld. Er was immers een deurwaarder aangesteld die enkel bevoegd was voor Dendermonde, terwijl de betrokken plaatsen deels gelegen waren in het gerechtelijk arrondissement Gent (onderdeel van stuk 9 van hetzelfde dossier).

Op 5 september verschaft een gerechtsdeurwaarder zichzelf met behulp van een slotenmaker toegang tot de woning van de heer en mevrouw V. D. V. en tot de maatschappelijke zetel van de bvba P. (stukken 9 en 10 van het dossier van appellante).

Bij de burgerlijke huiszoeking in de kantoren van P. is een aangestelde van H., namelijk de heer M. L., aanwezig.
Bij de burgerlijke huiszoeking in de privé-woning van de heer V. d. V. is onder meer de heer J. v. C. (de spelling van deze met de hand geschreven naam is niet zeker), manager algemene zaken van H. aanwezig.

Uit de lijst, bijgevoegd bij het proces-verbaal van vaststelling van de gerechtsdeurwaarder, van het afstappen en zoeken naar en in papieren en elektronische documenten in de privé-woning van de heer V. D. V., kan niet anders dan afgeleid worden dan dat de gerechtsdeurwaarder en de informatieanalist, in aanwezigheid van een getuige en van een werknemer van H., grondig de privé-woning van de heer V. D. V. en zijn echtgenote doorzocht hebben. Zelfs indien de heer V. D. V. over een apart bureau zou beschikt hebben, dan nog bevond zich dit in de privé-woning.

Uit niets, en nog het minst uit de bestreden beschikkingen, blijkt dat enige waarborgen gegeven werden, noch dat enige maatregelen genomen werden om het vertrouwelijk karakter van de hele zoektocht en van de gevonden gegevens te bewaren.

Bij beschikking op derdenverzet van de bvba P., uitgesproken door een andere dienstdoende voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde op 28 april 2008, worden de beschikkingen van 13 augustus 2007 en 23 augustus 2007 ingetrokken vanaf de datum van betekening van de beschikking (stuk 11 van het dossier van geïntimeerde). Deze rechter is van oordeel dat een onbeperkte toegang verkrijgen, zelfs via een rechterlijke beslissing, tot gegevens die zich in een private woonst bevinden, een inbreuk uitmaakt op artikel 8 EVRM. In de oorspronkelijke beschikkingen was zelfs geen beperking opgelegd om de vertrouwelijke behandeling van de verkregen gegevens te waarborgen.
Deze beschikking zou nooit betekend zijn.
Er is hoger beroep aangetekend tegen deze beschikking. Deze zaak, gekend met rolnummer 2008/AR/2395, is voor de 1ste kamer van dit Hof vastgesteld voor pleidooien op 17 maart 2011.

De beoordeling van de beschikkingen van 13 en 23 augustus 2007 en van de beschikking op derdenverzet van april 2008 is hier niet aan de orde. Wel moet het Hof oordelen of de verkregen gegevens gebruikt kunnen worden in het kader van de procedure wegens een vermeende inbreuk op de eerlijke handelspraktijken.

Het feit dat op zijn minst geen enkele maatregel genomen werd om het vertrouwelijk karakter van de verkregen gegevens te waarborgen, vormt een schending van de privacy, zoals gewaarborgd bij artikel 8 EVRM. Het feit dat afgestapt werd in de privé-woning, in aanwezigheid van een afgevaardigde van een voormalige werkgever en actuele concurrent, terwijl de beschikkingen op eenzijdig verzoekschrift hierover niet eens iets vermelden, maakt de inbreuk op de privacy des te flagranter en des te erger.

Om die redenen worden de gegevens, verkregen uit de plaatsbezoeken, niet in aanmerking genomen bij de beoordeling van de beweerde schendingen van de eerlijke handelspraktijken.

De verwijzing door H. naar het arrest van het Hof van Cassatie van 12 oktober 2005 is niet dienstig, nu het Hof een oordeel velde met betrekking tot een onregelmatig verkregen bewijs in strafzaken. Ook het cassatiearrest van 16 november 2004 handelt over de bewijsvoering in strafzaken. In de voorliggende zaak gaat het niet om een strafzaak, maar om een aangelegenheid tussen twee private bedrijven. De beginselen die gelden voor de bewijsvoering in strafzaken kunnen niet zonder meer getransponeerd worden naar het burgerlijk geding.

Dat het kantoor van P. en het huis van de heer en mevrouw V. D. V. doorzocht werden in uitvoering van een rechterlijke beschikking, verandert niets aan het voorgaande. Dit is des te meer het geval nu deze beschikking nog ter beoordeling voorligt aan het Hof van beroep.
13.
Het verzoek van H. om op grond van artikel 877 Ger. Wb. de documenten die op de lijst voorkomen door P. te doen overleggen, kan niet worden ingewilligd, nu de lijst tot stand kwam en H. op de hoogte is van het bestaan van de documenten door een inbreuk op artikel 8 EVRM te plegen.
14.
De bestreden beschikking wordt bevestigd wat dit onderdeel betreft.
Andere bewijzen voor de beweerde inbreuken op de eerlijke handelsgebruiken door P.

15.
In tegenstelling tot wat H. aankondigt, deelt zij geen bewijsmateriaal mee, anders dan wat bekomen werd tijdens de burgerlijke huiszoeking van 5 september 2007, waaruit zou afgeleid kunnen worden dat P. inbreuk maakt op de eerlijke handelsgebruiken.

16.
Ten overvloede wijst het Hof op het volgende.

De vrijheid van mededinging impliceert de principiële vrijheid van reclame maken, afwerven van personeel en/of cliënteel, nabootsen of kopiëren, aanhaken, verkoops- en/of leveringsweigering, parallelimport, doorbreken van distributiesystemen, … tenzij die vrijheid ingeperkt wordt door specifieke bijzondere wettelijke bepalingen en/of exclusieve rechten, dan wel dat de uitoefening ervan gepaard gaat met specifieke begeleidende bezwarende omstandigheden die de handelspraktijk een onrechtmatig karakter geven, zoals bijvoorbeeld verwarringstichting, misleiding, slechtmaking, bedrieglijke vermeldingen, gebruik van onrechtmatig verkregen vertrouwelijke informatie, het behalen van een onevenredig groot voordeel, parasitaire aanhaking, rechtsmisbruik en derdemedeplichtigheid aan contractbreuk.

De afwerving van cliënteel en van leveranciers van een concurrent is op zich geoorloofd. Zij vloeit voort uit de vrijheid van concurrentie.

De afwerving is pas onrechtmatig omwille van het doel dat ze beoogt dan wel omwille van de bijzondere omstandigheden waarin ze plaatsvindt.

De prospectie en de afwerving van cliënteel, personeel en leveranciers van een concurrent is in principe geoorloofd, zelfs wanneer dit gebeurt door een gewezen medecontractant. Het kan een ex-werknemer niet worden verboden gebruik te maken van de vorming, beroepskennis en ervaring die hij heeft opgedaan bij zijn vroegere werkgever. Het systematisch benaderen van het cliënteel dat hij voordien voor rekening van zijn ex-werkgever benaderde, is op zich niet onrechtmatig.
Een verkoper mag alles in het werk stellen om de klanten van zijn concurrenten in te palmen. Hij mag daarbij gebruik maken van de kennis die hij heeft verworven toen hij nog werkte bij zijn huidige concurrent, ook wanneer deze kennis betrekking heeft op diens klantenbestand (zie Overzicht van Rechtspraak, P. DE VROEDE en H. DE WULF ‘Algemeen handelsrecht en handelspraktijken 1998-2002′, T.P.R. 2005, nr. 212, blz. 226 – 227 en de rechtspraak waarnaar verwezen wordt).
17.
Nog ten overvloede merkt het Hof op dat derdemedeplichtigheid aan contractbreuk een extra-contractuele fout is in de zin van artikel 1382 B.W., doch dit impliceert niet dat het een met de eerlijke handelsgebruiken strijdige daad is in de mate dat de schade die daaruit zou kunnen voortvloeien uitsluitend contractueel is, zowel van oorsprong als van aard.
Naar analogie met de regels die gelden bij samenloop en coëxistentie van contractuele en extracontractuele aansprakelijkheid, zal de stakingsvordering die steunt op derdemede-plichtigheid aan een contractuele wanprestatie, derhalve slechts gegrond zijn wanneer de eiser aantoont dat de houding van de derde van die aard is dat zij hem een schade berokkent die onderscheiden is van de contractuele schade die hij lijdt.

In deze zaak is niet aangetoond dat de eventuele schade van H. ook buitencontractueel zou zijn.

Conclusie uit het voorgaande

18.
Het is niet relevant de overige middelen en argumenten van partijen te onderzoeken en te beantwoorden.
19.
Het principaal hoger beroep is ongegrond. Het bestreden vonnis wordt met betrekking tot de oorspronkelijke tegenvordering bevestigd.
De oorspronkelijke vordering ten gronde – artikel 94/3 WHPC

20.
De arbeidsovereenkomst van 1 juni 2005 tussen de heer V. D. V. en H. (stuk 2 van het dossier van geïntimeerde) is door de heer V. D. V. opgezegd bij aangetekend schrijven van 21 november 2006 (stuk 3 van hetzelfde dossier). De opzeggingstermijn van vier maanden begon te lopen op 1 december 2006 en eindigde op 1 april 2007.

De bvba P. is opgericht op 30 mei 2007 (stuk 1 van het dossier van geïntimeerde).

Op 10 juli 2007 sluit P. een overeenkomst tot levering van stukken met E2V SAS (stuk 7 van het dossier van geïntimeerde).

Op 31 juli 2007 schrijft de Belgische raadsman van H. E2V Ltd (stuk 6 van het dossier van geïntimeerde) aan. Hij deelt mee dat het mogelijk is dat de heer V. D. V. vertrouwelijke informatie gebruikt of prijs geeft en op oneerlijke wijze concurrentie aangaat. Hij wijst op haar mogelijke aansprakelijkheid bij een inbreuk op een niet – concurrentiebeding. Daarop weigert E2V te leveren aan P..

Op 8 augustus 2007 richtte H. verschillende brieven aan verschillende (mogelijke) leveranciers van P. (Sony France – stuk 11 van het dossier van geïntimeerde; Z-Laser Opto Elektronik GmbH – stuk 12 van het dossier van geïntimeerde; IDS Imaging Development Systems GmbH – stuk 14 van hetzelfde dossier; MVTec in München – stuk 15 van hetzelfde dossier). Deze brieven zijn gelijkaardig als de brief van 31 juli 2007 en luidt als volgt:
“Zoals u wellicht weet heeft onze werknemer, de heer K. v. d. V., zijn arbeidsovereenkomst met Data@Vision stopgezet. Volgens onze recente informatie zou de heer v. d. V. thans actief zijn via zijn onlangs opgerichte eenmanszaak bvba P., die tevens gebruik maakt van de naam of bijnaam “Computer Vision Consultant”.

Bepaalde elementen in die informatie doen ons geloven dat de heer v. d. V. in het kader van die activiteiten vertrouwelijke informatie van Data@Vision zou verspreiden of er ten minste gebruik van zou maken en/of dat hij Data@Vision oneerlijke concurrentie aandoet. Wij vestigen uw aandacht op het feit dat volgens de Belgische wetgeving, oneerlijke concurrentie en het onthullen van handelsgeheimen strijdig zijn met de wet. Derden die meewerken aan dergelijke activiteiten vallen onder dezelfde wetgeving.

Wij zouden het dan ook op prijs stellen indien u ons op de hoogte zou houden van pogingen vanwege de heer v. d. V. en/of bvba P. om een zakenrelatie aan te gaan met uw onderneming of om de huidige relatie tussen Data@Vision en uw onderneming of één van onze gemeenschappelijke klanten te ondermijnen.

Wij leggen hierbij graag de nadruk op de sterk gewaardeerde zakenrelatie met [Z-Laser Opo-Elektronick] en hopen dat de houding van de heer v. d. V. deze geenszins in het gedrang zal brengen.

Wij achtten het nodig u hiervan op de hoogte te brengen en rekenen op uw begrip en medewerking.
…” (stuk 12 in de vertaling van P., aanvaard door het Hof).

Sony deelt op 13 september 2007 mee dat het de samenwerking met P. opschort tot de rechtszaak is afgehandeld (stuk 16 van het dossier van geïntimeerde).
21.
Hoewel de brieven van H. tot op een zekere hoogte een dreiging inhouden en zij minstens twee leveranciers ook tot voorzichtigheid en zelfs terughoudendheid hebben aangezet, zijn zij in de gegeven omstandigheden van de voorliggende zaak niet voldoende om als slechtmaking te kunnen gelden. Er is evenmin een andere begeleidende omstandigheid, waaruit zou besloten moeten worden dat er op een oneerlijke wijze geconcurreerd is door H..

H. heeft ervoor gekozen op een harde en niet zeer fraaie manier te reageren op het vertrek van haar werknemer en zijn oprichting van een concurrerend bedrijf. Het is hier evenwel niet bewezen dat het versturen van de brieven lasterlijk is en de grenzen van het geoorloofde handelen heeft overschreden. Het hoger geciteerde schrijven maakt de (potentiële) leveranciers vooral deelgenoot van de moeilijkheden tussen H. en haar voormalige werknemer. De voorwaardelijke wijze die in de brieven gehanteerd wordt, pleit evenzeer tegen H. als dat het op een zekere voorzichtigheid wijst.

Uit het resultaat zelf, namelijk E2V, die de bestelling opgeschort heeft en een zekere terughoudendheid bij andere (mogelijke) leveranciers, waaronder Sony, kan niet zonder meer afgeleid worden dat H. op een oneerlijke manier handel gedreven heeft.
Er zijn ten andere geen gegevens voorhanden over hoe de toestand na september 2007 verder geëvolueerd is.

Het is onvoldoende aangetoond dat de brieven verstuurd werden naar bedrijven, die volledig los staan van de activiteiten van H. en P. om daaruit een diffamatoir of ander onrechtmatig karakter te kunnen afleiden.

Op zich is het niet ongeoorloofd dat een concurrent, die vaststelt dat er een nieuw speler op de markt komt, inspanningen levert om die nieuwe concurrent voor te blijven.
22.
Dit onderdeel van de oorspronkelijke hoofdvordering is terecht verworpen door de eerste rechter. Dit onderdeel van het incidenteel hoger beroep wordt verworpen.
De oorspronkelijke vordering ten gronde – verkoop met uiterst lage winstmarges

23.
P. werpt de schending van artikel 40 WHPC met betrekking tot de verkoop van een bepaalde camera, waarop H. slechts euro 93,00 winst gemaakt heeft. Hoewel de eerste rechter reeds wees op een gebrek aan bewijs, wordt het Hof ook nu nog niet in staat gesteld te oordelen of die euro 93 de juiste winstmarge is en nog minder of dit inderdaad een uiterst beperkte winstmarge is. Het is niet omdat (vermoedelijk) hetzelfde toestel enige maanden eerder zowat euro 400 duurder verkocht werd, dat euro 93 automatisch een uiterst beperkte winstmarge in de zin van de wet impliceert. Het is theoretisch denkbaar dat de winstmarge van enige tijd te voren zeer groot of misschien zelfs buitensporig was.
24.
Ook op dit punt wordt het eerste vonnis bevestigd.
Kosten

25.
Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger. Wb. wordt elke partij tot betaling van de eigen kosten veroordeeld. Om die reden worden de kosten niet verder bepaald.
V Beslissing

Het hoger principaal en incidenteel beroep zijn toelaatbaar, maar enkel het incidenteel hoger beroep gegrond in de hierna volgende mate.

Het Hof:
– bevestigt de bestreden beschikking, behalve voor zover de eerste rechter zich zonder rechtsmacht verklaarde;
– zegt voor recht dat de gewone rechter rechtsmacht heeft over elk der vorderingen;
– verwerpt alle vorderingen voor het overige;
– veroordeelt elke partij tot betaling van de eigen kosten, om die reden niet nader bepaald.

Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, in openbare terechtzitting op maandag tweeëntwintig maart tweeduizend en tien.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 29/01/2018 - 19:53
Laatst aangepast op: ma, 29/01/2018 - 19:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.