-A +A

Dekking uitlooprisico na einde overeenkomst

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 16/01/2015
A.R.: 
C.14.0294.N

De dekking van het uitlooprisico gedurende de termijn van 36 maanden na het einde van de verzekeringsovereenkomst heeft tot doel de verzekerde en de benadeelde te beschermen in afwachting van het afsluiten van een nieuwe verzekeringsovereenkomst bij een andere verzekeraar; hieruit volgt dat voor de verzekeringsovereenkomst waarin de dekking afhankelijk kan gemaakt worden van het instellen van de vordering tijdens de duur ervan, de verplichte dekking gedurende de termijn van 36 maanden na het einde van de verzekeringsovereenkomst geldt, tenzij een andere verzekeraar het schadegeval dekt

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.14.0294.N
EUROMAF ASSURANCE DES INGENIEURS ET DES ARCHITECTS EUROPEENS, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te 1000 Brussel, Bisschoffsheimlaan 11, bus 6,
eiseres,
tegen
L. S.,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 16 januari 2014.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Artikel 78 Wet Landverzekeringsovereenkomst, zoals hier van toepassing, bepaalt:
"§ 1. De verzekeringswaarborg slaat op de schade voorgevallen tijdens de duur van de overeenkomst en strekt zich uit tot vorderingen die na het einde van deze overeenkomst worden ingediend.

§ 2. Voor de takken die deel uitmaken van de algemene burgerrechtelijke aan-sprakelijkheid, andere dan de burgerrechtelijke aansprakelijkheid inzake motor-rijtuigen, die door de Koning worden bepaald, kunnen de partijen overeenkomen dat de verzekeringswaarborg alleen slaat op de vorderingen die schriftelijk worden ingesteld tegen de verzekerde of de verzekeraar tijdens de duur van de over-eenkomst voor schade voorgevallen tijdens diezelfde duur.

In dat geval worden ook in aanmerking genomen, op voorwaarde dat ze schriftelijk worden ingesteld tegen de verzekerde of de verzekeraar binnen zesendertig maanden te rekenen van het einde van de overeenkomst, de vorderingen tot ver-goeding die betrekking hebben op:
- schade die zich tijdens de duur van deze overeenkomst heeft voorgedaan indien bij het einde van deze overeenkomst het risico niet door een andere verzekeraar is gedekt;
- (...)".

2. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling, inzonderheid de wijziging bij de wet van 16 maart 1994, blijkt dat de dekking van het uitlooprisico gedurende de termijn van 36 maanden na het einde van de verzekeringsovereenkomst tot doel heeft de verzekerde en de benadeelde te beschermen in afwachting van het afslui-ten van een nieuwe verzekeringsovereenkomst bij een andere verzekeraar.

Hieruit volgt dat voor de verzekeringsovereenkomst waarin de dekking afhanke-lijk kan gemaakt worden van het instellen van de vordering tijdens de duur ervan, de verplichte dekking gedurende de termijn van 36 maanden na het einde van de verzekeringsovereenkomst geldt, tenzij een andere verzekeraar het schadegeval dekt.
Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

3. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 6bis koninklijk besluit betreffende de verplichte verzekering voorzien door de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek en artikel 1134 Burgerlijk Wetboek, is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 78 Wet Landverze-keringsovereenkomst en is het niet ontvankelijk.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 755,92 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer


C.14.0494.N
Conclusie van advocaat-generaal C. Vandewal:

Feiten en procedurevoorgaanden

1. Blijkens de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan heeft deze zaak betrekking op de vraag of eiseres als (vroegere) beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van verweerder al dan niet dekking dient te verlenen voor een bepaald schadegeval.

Verweerder werd immers als aansprakelijke architect aangesproken wegens gebreken aan een gebouw, waarvan hij mede had ingestaan voor het architecturale ontwerp en de opvolging van de werf, en dagvaardde eiseres, zijn vroegere verzekeraar beroepsaansprakelijkheid, in gedwongen tussenkomst en vrijwaring. Eiseres weigerde immers dekking te verlenen omdat zij van mening was dat het risico door een andere (nieuwe) verzekeraar gedekt is.

2. De eerste rechter oordeelde dat eiseres gehouden was waarborg te verlenen voor de eventuele aansprakelijkheid van verweerder voor schade die zou ontstaan zijn in het kwestieuze gebouw binnen de verzekerde bedragen. Eiseres werd veroordeeld om tussen te komen in de zaak en in de verrichtingen van de aangestelde deskundige.

3. Op het hoger beroep van eiseres verklaarde het hof van beroep te Gent in het bestreden arrest van 16 januari 2014 dit hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

4. Het cassatieberoep tegen het bestreden arrest maakt het voorwerp uit van de huidige procedure.

Het enig cassatiemiddel

5. Eiseres komt in haar enig cassatiemiddel op tegen het bestreden arrest waarin de appelrechters het beroepen vonnis bevestigen op grond waarvan eiseres ertoe gehouden is om dekking te verlenen voor de eventuele beroepsaansprakelijkheid van verweerder als architect binnen de verzekerde bedragen en het hoger beroep van eiseres ongegrond verklaren.

6. Zij stelt vooreerst dat de appelrechters, door te beslissen dat het begrip "risico" in artikel 78, §2, van de Wet Landverzekeringsovereenkomst moet worden geïnterpreteerd als "het schadegeval", deze wetsbepaling schenden; volgens eiseres dient het begrip "risico" in deze wetsbepaling immers te worden ingevuld als "de beroepsaansprakelijkheid".

7. Tevens acht zij artikel 6bis van het koninklijk besluit van 24 december 1992, genomen in uitvoering van artikel 78, §2, van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, geschonden, nu de wetgever in deze bepaling heeft verduidelijkt dat het begrip "risico" in voornoemd artikel 78, §2, van de Wet Landverzekeringsovereenkomst moet worden ingevuld als het risico van de burgerlijke aansprakelijkheid in het algemeen. Zij verwijt de appelrechters deze bepaling te hebben geschonden door er een andere interpretatie aan te geven en te stellen dat het risico in artikel 78, §2, van de Wet Landverzekeringsovereenkomst niet louter de beroepsaansprakelijkheid beoogt.

8. Tenslotte voert zij, voor zoveel als nodig, aan dat de appelrechters tevens de bewijskracht van artikel 1.2.5 van de Algemene Voorwaarden van de door verweerder bij eiseres afgesloten beroepsaansprakelijkheidsverzekering schenden (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) alsmede de bindende kracht ervan (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek).

Bespreking van het enig cassatiemiddel

9. Het middel heeft betrekking op de verplichtingen van de aansprakelijkheidsverzekeraar na het einde van de verzekeringsovereenkomst, de zogenaamde posterioriteitsdekking.

10. Artikel 78 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, in de versie zoals ten deze van toepassing, bepaalt:

"§1. De verzekeringswaarborg slaat op de schade voorgevallen tijdens de duur van de overeenkomst en strekt zich uit tot vorderingen die na het einde van deze overeenkomst worden ingediend.

§2. Voor de takken die deel uitmaken van de algemene burgerrechtelijke aansprakelijkheid, andere dan de burgerrechtelijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen, die door de Koning worden bepaald, kunnen de partijen overeenkomen dat de verzekeringswaarborg alleen slaat op de vorderingen die schriftelijk worden ingesteld tegen de verzekerde of de verzekeraar tijdens de duur van de overeenkomst voor schade voorgevallen tijdens diezelfde duur.

In dat geval worden ook in aanmerking genomen, op voorwaarde dat ze schriftelijk worden ingesteld tegen de verzekerde of de verzekeraar binnen zesendertig maanden te rekenen van het einde van de overeenkomst, de vorderingen tot vergoeding die betrekking hebben op:
- schade die zich tijdens de duur van deze overeenkomst heeft voorgedaan indien bij het einde van deze overeenkomst het risico niet door een andere verzekeraar is gedekt;
- daden of feiten die aanleiding kunnen geven tot schade, die tijdens de duur van deze overeenkomst zijn voorgevallen en aan de verzekeraar zijn aangegeven."

11. In de oorspronkelijke versie van artikel 78 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst was bepaald dat de aansprakelijkheidsverzekeraar gehouden was dekking te verlenen met betrekking tot alle vorderingen die na het einde van de verzekeringsovereenkomst worden ingediend, mits de schadeverwekkende gebeurtenis zich in de loop van de overeenkomst had voorgedaan. In deze versie werd aldus het act committed-principe gehuldigd: er was dekking als het schadeverwekkend feit zich had voorgedaan tijdens de duur van de verzekeringsovereenkomst, zelfs indien de schade-eis slechts na de duur ervan werd ingediend(1).

12. Dit had tot gevolg dat de aansprakelijkheidsverzekeraar bijgevolg, binnen de regels van de verjaring, tot een zeer lange termijn kon gehouden zijn voor eisen ingesteld na het einde van de verzekeringsovereenkomst, voor zover het schadeverwekkend feit zich tijdens de duurtijd van de verzekeringsovereenkomst had voorgedaan. Dit leidde ertoe dat bepaalde aansprakelijkheidsrisico's quasi onverzekerbaar werden.

13. Het desbetreffende wetsartikel werd dienvolgens gewijzigd door artikel 9 van de wet van 16 maart 1994. Het nieuwe artikel 78 behoudt de onbeperkte posterioriteitsdekking als algemene regel, maar opdat de verzekeraar dekking moet verlenen wordt thans geëist dat de schade voorgevallen is tijdens de duur van de overeenkomst in plaats van dat de schadeverwekkende gebeurtenis zich in de loop van de overeenkomst moet hebben voorgedaan(2).

14. Wat betreft de verplichtingen van de aansprakelijkheidsverzekeraar na het einde van de overeenkomst, de zogenaamde posterioriteitsdekking of het uitlooprisico, huldigt het nieuwe artikel 78, §1, van de Wet Landverzekeringsovereenkomst het loss occurrence-principe: de verzekeringswaarborg slaat op de schade voorgevallen tijdens de duur van de overeenkomst, en strekt zich uit tot vorderingen die na het einde van de overeenkomst zijn ingediend. Er is dus enkel vereist dat de schade zich tijdens de duur van de overeenkomst voordeed.

15. Voor bepaalde burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekeringen kunnen partijen evenwel bedingen dat het claims made-systeem ("ingestelde vordering"-systeem) u toepasselijk zal zijn. Partijen kunnen aldus, overeenkomstig artikel 78, §2, van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, overeenkomen dat de verzekeringswaarborg alleen slaat op vorderingen die schriftelijk worden ingesteld tegen de verzekeraar of de verzekeraar tijdens de duur van de overeenkomst voor schade voorgevallen tijdens dezelfde duur. In dit systeem is de waarborg pas verworven indien de eis tot schadeloosstelling van de benadeelde tijdens de duur van de overeenkomst wordt ingesteld tegen de verzekerde of de verzekeraar.

16. Het hoeft geen betoog dat het claims made-systeem gunstig is voor de verzekeraar maar nadelig voor de verzekerde, in vergelijking met de oorspronkelijke regeling waarin dergelijke optie niet mogelijk was; het uitlooprisico wordt immers niet gedekt. Een correctief leek dus aangewezen.

17. Mede daarom stelde de wetgever toch een beperkte posterioriteitsdekking verplicht wanneer partijen opteren voor het claims made-systeem en temperde hij aldus het strikte claims made-systeem door de opname van een zogenaamde sunset- of zonsondergangsclausule.

18. Krachtens het tweede lid van voormeld artikel 78, §2, van de Wet Landverzekeringsovereenkomst is immers dekking verschuldigd, op voorwaarde dat ze schriftelijk wordt gesteld tegen de verzekerde of de verzekeraar binnen 36 maanden te rekenen vanaf het einde van de overeenkomst, voor vergoedingen die betrekking hebben op:
- schade die zich tijdens de duur van deze overeenkomst heeft voorgedaan indien bij het einde van deze overeenkomst het risico(3) niet door een andere verzekeraar is gedekt;
- daden of feiten die aanleiding kunnen geven tot schade, die tijdens de duur van deze overeenkomst zijn voorgevallen en aan de verzekeraar zijn aangegeven.

19. Uw Hof preciseerde in zijn arrest van 28 juni 2012 dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 78 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst blijkt dat de wetgever met deze bepaling enkel het uitlooprisico en niet het inlooprisico dwingend heeft willen regelen(4).

20. Volgens de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan werd in de tussen partijen gesloten beroepsaansprakelijkheidsverzekering (in casu voor een architect) geopteerd voor het claims made-systeem.

21. Het middel nodigt Uw Hof tot het geven van een antwoord op de rechtsvraag wat in artikel 78, §2, tweede lid, eerste streepje, van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, de draagwijdte is van het begrip "risico". Volgens eiseres dient dit begrip te worden geïnterpreteerd als "de beroepsaansprakelijkheid", terwijl het volgens verweerder, hierin gevolgd door de appelrechters, dient te worden geïnterpreteerd als "het schadegeval". Volstaat het aldus dat er een andere verzekering werd afgesloten die hetzelfde risico dekt, of is vereist dat het concrete schadegeval door een andere verzekeraar ten laste wordt genomen?

22. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 16 maart 1994 blijkt dat de tekstwijziging van artikel 78 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst en de daarin aan de verzekeraar opgelegde verplichting om de schade te vergoeden gedurende een termijn van 36 maanden na het einde van de overeenkomst (de sunset-clausule) tot doel hebben enerzijds niet de markt te sluiten voor de verzekeringsondernemingen maar anderzijds om "tegelijkertijd de verzekerde te beschermen en vooral het mogelijke slachtoffer in geval van het zich voordoen van schadegevallen volgend op bepaalde risico's"(5). Het was dus ook de bedoeling om de vorderingsmogelijkheid van mogelijke slachtoffers gedurende een bepaalde tijd te vrijwaren in geval van niet-verlenging van de verzekeringsovereenkomst of ingeval het onmogelijk is om een nieuwe verzekeraar te vinden; de wetgever wenste te vermijden dat het slachtoffer zich enkel zou kunnen richten tot de verzekerde om vergoeding van eventuele schadegevallen te verkrijgen na het einde van de verzekeringsovereenkomst(6).

23. Ik meen dat uit de bedoeling van de wetgever, met name de bescherming van de verzekerde en de schadelijder, volgt dat het begrip "risico" in artikel 78, §2, tweede lid, eerste streepje, van de Wet Landverzekeringsovereenkomst dient uitgelegd te worden ten voordele van de verzekerde. B. DUBUISSON kan dan ook bijgetreden worden wanneer deze auteur schrijft: "De wet verduidelijkt evenwel niet of de opvolgende waarborg effectief het sinister dient te dekken of het volstaat dat een waarborg van dezelfde soort (meer of minder uitgebreid) werd onderschreven. Het beschermingsdoel nagestreefd door deze bepalingen moet toelaten te opteren voor de meest gunstige oplossing voor de verzekeringnemer, meer bepaald deze van de effectieve dekking" (7).

24. Daaruit volgt dan ook dat het begrip "risico" naar mijn mening de schade betreft die zich tijdens de duur van de overeenkomst heeft voorgedaan en waarvoor een vordering tot vergoeding wordt ingesteld binnen de 36 maanden te rekenen vanaf het einde van deze overeenkomst. Indien deze schade niet gedekt wordt door een andere verzekeraar (bijvoorbeeld omdat in de nieuwe verzekeringsovereenkomst geen anterioriteitsdekking werd voorzien), blijft de "oude" verzekeraar tot dekking gehouden.

25. Voor de verzekeringsovereenkomst waarin de dekking afhankelijk kan gesteld worden van het instellen van de vordering tijdens de duur ervan (het claims made-systeem), geldt de sunset-regeling, met name de verplichte dekking gedurende de termijn van 36 maanden na het einde van de verzekeringsovereenkomst, dan ook tenzij een andere verzekeraar "het schadegeval" dekt.

26. Het middel, dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, lijkt mij naar recht te falen in zoverre het schending aanvoert van artikel 78, §2, van de Wet Landverzekeringsovereenkomst.

27. Voor het overige lijkt het middel mij volledig afgeleid te zijn uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 78, §2, van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, en derhalve niet ontvankelijk te zijn.

28. Conclusie: Verwerping.
_________________________
(1) C. VAN SCHOUBROECK en T. MEURS, "Art. 78 Wet Landverzekeringsovereenkomst regelt dwingend het uitlooprisico en niet het inlooprisico", noot onder Cass. 28 juni 2012, RW 2012-13, (1383) 1384.
(2) P. COLLE, "Recente wijzigingen in de verzekeringswetgeving", RW 1995-96, (1361) 1365.
(3) Eigen onderlijning.
(4) Cass. 28 juni 2012, AR C.11.0180.N, RW 2012-13, 1383, noot C. VAN SCHOUBROECK en T. MEURS.
(5) Toelichting bij het voorstel van wet houdende wijziging van sommige bepalingen van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, Parl.St. Senaat 1992-93, nr. 821-1, 5.
(6) Toelichting bij het voorstel van wet houdende wijziging van sommige bepalingen van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, Parl.St. Senaat 1992-93, nr. 821-1, 10.
(7) B. DUBUISSON, "Rapport belge", in H. COUSY en H. CLAASSENS, Aansprakelijkheidsverzekering: dekking in de tijd, Antwerpen, Maklu 1997, 74.
 

Noot: 

Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht [T.B.H.] VAN SCHOUBROECK, Caroline; Noot 'Risico en schadegeval in de posterioriteitsregeling van de aansprakelijkheidsverzekering' 2015, nr. 10, p. 984-988.

zie ook noot Cindy Cornelis,  Posterioriteitsdekking in een claims-made-aansprakelijkheidsverzekering: de begrippen risico en schadegeval, onder de publicatie van dit arrest in RW 2016-2017, 380.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 29/10/2016 - 14:07
Laatst aangepast op: za, 29/10/2016 - 14:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.