-A +A

Definitie handelsbeurs

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 16/06/2016
A.R.: 
F.14.0197.N

Onder een 'handelsbeurs' in de zin van artikel 181, 5°, van het WIB92 dient te worden verstaan een evenement waarbij bedrijven hun producten en diensten tentoonstellen en demonstreren aan potentiële klanten met het oog op het promoten en het commercialiseren ervan, terwijl onder 'een tentoonstelling' in de zin van deze bepaling, dient te worden begrepen een uitstalling van voorwerpen om door het publiek bekeken te worden; een muziekfestival zoals 'Graspop' voldoet niet aan deze definities.

Onder een 'tentoonstelling' dient te worden begrepen een uitstalling van voorwerpen om door het publiek bekeken te worden.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. F.14.0197.N
GRASPOP vzw, met zetel te 2480 Dessel, Stenehei 30, bus 12,
eiseres,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, voor wie optreedt de gewestelijk directeur a.i. te Turnhout, met kantoor te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwer-pen van 15 januari 2013 en van 6 mei 2014.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan tegen het arrest van 15 januari 2013 en drie middelen tegen het arrest van 6 mei 2014.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
Cassatieberoep tegen het arrest van 15 januari 2013

1. Krachtens artikel 354 WIB92, mag de belasting of de aanvullende belasting bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van aangifte of wanneer de verschul-digde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkom-sten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, gesteld bij de artikelen 307 tot 311, in afwijking van artikel 359, worden gevestigd geduren-de drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting is verschuldigd.

2. De appelrechters stellen vast en oordelen dat:
- de aanslag voor het aanslagjaar 2004 werd gevestigd op 16 oktober 2006, de aanslag voor het aanslagjaar 2005 op 13 december 2007 en de aanslag voor het aanslagjaar 2006 op 17 december 2007;
- de eiseres voor de aanslagjaren 2004, 2005 en 2006 tijdige en naar de vorm geldige aangiftes indiende in de rechtspersonenbelasting.

3. Anders dan het middel aanvoert, blijkt uit deze vaststellingen niet dat de oorspronkelijke aanslagen laattijdig werden gevestigd en dat de appelrechters bij-gevolg ten onrechte aan de verweerder de mogelijkheid hebben geboden om een subsidiaire aanslag ter beoordeling voor te leggen. De verlengde aanslagtermijn van artikel 354 WIB92 geldt immers ook wanneer de verschuldigde belasting ho-ger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Cassatieberoep tegen het arrest van 6 mei 2014

Eerste middel

Eerste onderdeel

4. De rechter wordt geacht ambtshalve te hebben beslist over excepties die de openbare orde raken en die de partijen voor hem niet hebben opgeworpen.

De wettelijke bepalingen in verband met de vestiging van de belasting, zoals de bepalingen in verband met de aanslagtermijnen, zijn van openbare orde.

Hieruit volgt dat de appelrechters, die bij arrest van 15 januari 2013 de oorspron-kelijke aanslagen vernietigen wegens schending van de artikelen 346 en 351 WIB92 en die vervolgens het debat heropenen om de verweerder de mogelijkheid te bieden om hen subsidiaire aanslagen ter beoordeling voor te leggen, bij gebrek aan door de partijen opgeworpen exceptie, moeten worden geacht ambtshalve te hebben beslist dat de oorspronkelijke aanslagen tijdig werden gevestigd.

Indien de oorspronkelijke aanslagen niet tijdig waren gevestigd, konden de appelrechters aan de verweerder immers niet de mogelijkheid bieden om een subsidiaire aanslag ter beoordeling voor te leggen.

5. De appelrechters konden derhalve in hun eindarrest van 6 mei 2014, zonder schending van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, oordelen dat hun rechtsmacht om te oordelen over de tijdigheid van de oorspronkelijke aanslagen uitgeput was.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel

6. Uit het antwoord op het enig middel tegen het tussenarrest van 15 januari 2013 blijkt dat uit de vaststellingen van dit arrest niet volgt dat de oorspronkelijke aanslagen laattijdig werden gevestigd.

7. Het onderdeel, dat aanvoert dat de appelrechters hun beslissing om de sub-sidiaire aanslag ontvankelijk en gegrond te verklaren, niet wettig hebben verant-woord omdat die mogelijkheid uitgesloten is wanneer de oorspronkelijke aansla-gen laattijdig werden gevestigd, kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

8. Na te hebben vastgesteld dat in de berichten van wijziging die het vestigen van de subsidiaire aanslagen voorafgingen, geen melding werd gemaakt van de aanslagtermijnen van artikel 354 WIB92, oordelen de appelrechters dat:
- de oorspronkelijke aanslagen werden vernietigd omwille van de schending van de artikelen 346 en 351 WIB92 en niet omwille van verjaring, deze oorspron-kelijke aanslagen aldus definitief beoordeeld werden in het tussenarrest van 15 januari 2013 en hun rechtsmacht dienaangaande bijgevolg is uitgeput;
- de toepassing van artikel 356 WIB92 bovendien aan eigen termijnvereisten is onderworpen, subsidiaire aanslagen ter beoordeling aan de rechter kunnen worden voorgelegd gedurende een termijn van zes maanden vanaf de rechter-lijke beslissing die de aanslag geheel of ten dele nietig heeft verklaard en die termijn geen uitstaans heeft met die van artikel 354 WIB92;
- de reden waarom toepassing zou worden gemaakt van artikel 356 WIB92 in de respectieve berichten van wijziging omstandig werd gemotiveerd.
Met deze redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het middel dat de berichten van wijziging voorafgaand aan de subsidiaire aanslag niet behoorlijk werden gemotiveerd omdat zij niet vermelden waarom aanslagen werden geves-tigd in de verlengde aanslagtermijn van artikel 354 WIB92.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

Eerste onderdeel

9. Artikel 181, 5°, WIB92 bepaalt dat niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen de verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen die geen winstoogmerk nastreven en uitsluitend of hoofdzakelijk het organiseren van handelsbeurzen of tentoonstellingen tot doel hebben.

Bij gebrek aan wettelijke definitie van de termen "handelsbeurzen" en "tentoon-stellingen" en bij gebrek aan aanduidingen dienaangaande in de wetsgeschiedenis, dienen deze begrippen in hun gebruikelijke betekenis te worden opgevat.

Onder een handelsbeurs dient bijgevolg te worden verstaan een evenement waar-bij bedrijven hun producten en diensten tentoonstellen en demonstreren aan poten-tiële klanten met het oog op het promoten en het commercialiseren ervan.

Onder een tentoonstelling dient te worden begrepen een uitstalling van voorwerpen om door het publiek bekeken te worden.

10. Door te oordelen dat het door de eiseres georganiseerd muziekfestival "Graspop" noch een handelsbeurs, noch een tentoonstelling is en de eiseres bijge-volg geen aan de rechtspersonenbelasting onderworpen vereniging is in de zin van artikel 181, 5°, WIB92, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

11. Wanneer een vermeende miskenning van het grondwettelijk gelijkheidsbe-ginsel betrekking heeft op een leemte in de wetgeving, dient het Hof slechts een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof wanneer het vaststelt dat de rechter, in voorkomend geval, in staat is deze leemte te verhelpen zonder tus-senkomst van de wetgever.

12. De door de eiseres aangeklaagde ongelijke behandeling, gesteld dat ze de Grondwet schendt, zou te dezen niet door de feitenrechter kunnen verholpen wor-den zonder miskenning van het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten en zou de tussenkomst van de wetgever vereisen om na hernieuwde maatschappelijke afweging de nieuw in te voeren regeling te bepalen.

Er bestaat bijgevolg geen grond om een prejudiciële vraag te stellen over het ont-breken van een vrijstelling van onderwerping aan de vennootschapsbelasting voor organisatoren van muziekfestivals.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 411,61 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer.


VOORZIENING IN CASSATIE

 

 

VOOR: De VZW GRASPOP met maatschappelijke zetel te 2480 Dessel, Stenehei, 30/12 en met ondernemingsnummer 0460.530.363;

Eiseres in cassatie,

TEGEN: De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat, 12-14;

Verweerder in cassatie,

 

 

Aan de Heer Eerste Voorzitter, de Heer Voorzitter, de Dames en Heren Raadshe-ren in het Hof van cassatie van België.

 

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiseres heeft de eer aan Uw toezicht te onderwerpen het tegensprekelijk uitgesp-roken tussenarrest op 15 januari 2013 en het eindarrest op 6 mei 2014 door de 6de kamer van het Hof van beroep te Antwerpen (AR nr. 2011/AR/1715).

 

De feiten en procedurevoorgaanden kunnen als volgt worden samenge-vat:

1. Op 15 maart 1997 werd eiseres opgericht met als hoofdactiviteit het orga-niseren van het jaarlijkse festival ‘Graspop Metal Meeting'.

Volgens artikel 3 van de statuten luidt het statutair doel van eiseres als volgt:

"De vereniging heeft tot doel het inrichten van optredens van binnenlandse en buitenlandse artiesten met het doel deze bij een breder publiek bekend te maken.
Met het oog op de verwezenlijking van haar doel mag de vereniging alle wettelijke middelen aanwenden, zo onder meer roerende en onroerende goederen bezitten, kopen of verkopen, huren, verhuren, allerhande bijeenkomsten, manifestaties, voorstellingen, tombola's en andere inrichten.

Zij mag eveneens alle activiteiten ondernemen die dit doel kunnen bevorderen. Zij kan in die zin ook, doch slechts op bijkomstige wijze, handelsdaden stellen, enkel voor zover de opbrengst hiervan besteed wordt aan het doel waarvoor zij werd opgericht.

Eiseres diende steevast gedurende jaren een aangifte in de rechtspersonenbelasting in, tot in 2003 de administratie na controle tot de bevinding kwam dat eiseres de organisatie van haar openluchtfestival runde als een onderneming, die louter ver-richtingen van winstgevende aard beoogt.

Als gevolg daarvan werden de aangiften van eiseres genegeerd en werden aansla-gen van ambtswege wegens niet aangifte in de vennootschapsbelasting gevestigd voor de aanslagjaren 2004, 2005 en 2006 op respectievelijk 23 oktober 2006, 17 december 2007 en 19 december 2007.

De bezwaarschriften van eiseres werden afgewezen bij beslissingen van 13 febru-ari 2007 en 20 oktober 2008.

2. Op 11 mei 2007 en op 16 januari 2009 legde eiseres vervolgens verzoek-schriften neer ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen.

Bij vonnis dd. 1 oktober 2010 voegde de Rechtbank de zaken samen, oordeelde dat eiseres wel degelijk onderworpen was aan de vennootschapsbelasting en ver-wees haar in de kosten.

 

3. Op het hoger beroep van eiseres werden bij tussenarrest dd. 15 januari 2013 van het Hof van beroep te Antwerpen de aanslagen in de vennootschapsbe-lasting over de aanslagjaren 2004, 2005 en 2006 vernietigd, omdat deze ten on-rechte ambtshalve waren gevestigd.

In het raam van de procedure met betrekking tot de subsidiaire aanslag werden vervolgens op 14 februari 2013 berichten van wijziging verzonden met betrekking tot bovenvermelde aanslagjaren.

Bij eindarrest dd. 6 mei 2014 verklaarde het Hof van Beroep te Antwerpen de subsidiaire aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2004, 2005 en 2006 rechtsgeldig en invorderbaar, met veroordeling van eiseres in de kosten van het hoger beroep begroot op nihil.

 

4. Onderhavige voorziening is gericht tegen, zowel voormeld tussenarrest, als tegen het eindarrest.

 

I. Voorziening in cassatie tegen het tussenarrest van 15 januari 2013:

Eiseres meent ter staving van haar voorziening volgend enig cassatiemiddel naar voor te kunnen brengen.

 

ENIG CASSATIEMIDDEL

 

Geschonden wettelijke bepalingen

- De artikelen 353 - in de versie van vóór de wijziging bij wet van 8 juni 2009 -, 356 - zoals gewijzigd bij wet van 22 december 2009 -, en 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd bij Ko-ninklijk Besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992 (hierna afgekort als "WIB/92");

 

Aangevochten beslissingen

Het bestreden tussenarrest: "hervormt het beroepen vonnis. Het hof verklaart de vordering van (eiseres) toelaatbaar en gegrond. Het hof vernietigt de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2004, kohierartikelen 863600310, voor aanslagjaar 2005, kohierartikel 874400492 en voor aanslagjaar 2006, kohierartikel 874403552. Het hof beveelt de heropening der debatten op 14 oktober 2013 om 16u40 (pleitduur: 30 minuten) teneinde, hetzij de procedure te regelen indien (verweerder) binnen de wettelijke termijn subsidiaire aanslagen ter beoordeling aan het hof voorlegt, hetzij de zaak in beraad te nemen met het oog op de begroting van de kosten in het andere geval."

na vastgesteld te hebben op p. 6 met betrekking tot het aanslagjaar 2004 :

"De aanslag, kohierartikel 863600310 werd gevestigd op 16 oktober 2006, met verzending van het aanslagbiljet op 23 oktober 2006 (stuk 315 administratief dos-sier)."

en na vastgesteld te hebben op p. 7 met betrekking tot het aanslagjaar 2005 en 2006 :

"De volgende aanslagen werden gevestigd (stuk 363 en volgende administratief dossier) :
-voor aanslagjaar 2005: kohierartikel 874400492, gevestigd op 13 december 2007;
-voor aanslagjaar 2006: kohierartikel 874403552, gevestigd op 17 december 2007;"

 

"2. Bespreking

2.1. Procedure.

Volgens (eiseres) kon de belastingadministratie niet overgaan tot het vestigen van aanslagen van ambtswege, vermits de belastingplichtige rechtsgeldig was overge-gaan tot het indienen van aangiften in de rechtspersonenbelasting. Bijgevolg dienen de aanslagen volgens de VZW nietig te worden verklaard.

Volgens de belastingadministratie werd de aanslag terecht van ambtswege geves-tigd, nu de VZW binnen de wettelijke termijn had nagelaten aangiften in de ven-nootschapsbelasting in te dienen.

Overeenkomstig artikel 346 WIB92 kan de administratie een procedure van wijzi-ging van aangifte starten, indien ze meent de inkomsten en andere gegevens te moeten wijzigen welke de belastingplichtige heeft vermeld in een aangifte die vol-doet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311 of van de ter uitvoering van artikel 312 genomen bepalingen.

Overeenkomstig artikel 351 WIB92 kan de administratie de aanslag ambtshalve vestigen op het bedrag van de belastbare inkomsten die zij kan vermoeden op grond van de gegevens waarover zij beschikt, onder meer, wanneer de belasting-plichtige nagelaten heef:
- ofwel een aangifte te doen binnen de termijnen bedoeld in de artikelen 307 tot 311 of in de bepalingen genomen ter uitvoering van artikel 312;
- ofwel aan de vormgebreken waarmede de aangifte is aangetast binnen de daartoe toegestane termijn te verhelpen.

In onderhavige zaak wordt niet betwist dat (eiseres) voor wat betreft de aanslag-jaren 2004, 2005 en 2006 tijdige en naar de vorm geldige aangiftes indiende in de rechtspersonenbelasting. Er werd evenwel niet ingegaan op het verzoek van de administratie om aangiftes in de vennootschapsbelasting in te dienen.

Uit het enkele feit dat een rechtspersoon, onderworpen aan één van de belastingen, bedoeld in artikel 305 WIB92, ten onrechte een aangifte heeft ingediend in verband met andere belastingen, bedoeld in dit artikel, kan niet worden afgeleid dat deze aangifte niet voldoet aan de vorm- en termijnvereisten. (Cfr. Cass., 27 september 2012, F.11.0106.F en F.11.0114.F, niet gepubliceerd, doch besproken door J. Van Dyck, ‘Aangifte RPB ipv Venn.B. hoe moet de fiscus reageren ?‘, Fiscoloog, 2012, nr.1314, 24 oktober 2012, p.4).

 

Het hof oordeelt derhalve dat het feit dat aangiftes werden ingediend in de rechtspersonenbelasting, niet tot gevolg heeft dat geen tijdige of naar de vorm re-gelmatige aangiftes werden ingediend. De administratie was derhalve niet ge-rechtigd om de aanslag van ambtswege te vestigen. Om die reden alleen al dienen voormelde aanslagen te worden nietig verklaard.

2.2. Ten gronde.
Vermits de aanslagen werden nietig verklaard, wegens schending van de artikelen 346 en 351 WIB92, dient de grond van de zaak niet verder te worden onderzocht.

2.3. Subsidiaire aanslag.

Door artikel 2 van de wet van 22 december 2009 houdende fiscale bepalingen, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2009, werd artikel 356 W1B92 vervangen.

Overeenkomstig artikel 3 van de wet van 22 december 2009 is deze nieuwe bepa-ling onmiddellijk van toepassing ongeacht het aanslagjaar. Het hof beveelt de heropening der debatten, teneinde (verweerder) de mogelijkheid te bieden om binnen de zes maanden te rekenen vanaf onderhavige uitspraak, voor de betrokken aanslagjaren een subsidiaire aanslag aan het hof ter beoordeling voor te leggen.

De beslissing nopens de kosten dient in afwachting te worden aangehouden."

 

Grieven

1. Overeenkomstig het aangehaalde artikel 353 WIB/92 moet de administra-tie in geval de belastingplichtige een regelmatige aangifte heeft ingediend binnen de gestelde termijn, de belasting met betrekking tot de aangegeven inkomsten en de andere in die aangifte vermelde gegevens vestigen binnen de in artikel 359 ge-stelde termijn, dit is tot 30 juni van het jaar dat volgt op dat waarnaar het aanslag-jaar wordt genoemd, zonder dat deze termijn korter mag zijn dan zes maanden vanaf de datum waarop de aangifte bij de bevoegde aanslagdienst is toegekomen.

2. Die gewone aanslagtermijn verstreek voor het aanslagjaar 2004 op 30 juni 2005, voor het aanslagjaar 2005 op 30 juni 2006 en voor het aanslagjaar 2006 op 30 juni 2007.

 

De appèlrechters stellen vast dat de aanslagen respectievelijk gevestigd werden voor het aanslagjaar 2004 onder "kohierartikel 863600310 (...) op 16 oktober 2006", voor het aanslagjaar 2005 onder "kohierartikel 874400492, (...) op 13 de-cember 2007; en voor het aanslagjaar 2006 onder "kohierartikel 874403552, (...) gevestigd op 17 december 2007;", terwijl zij verder beslissen dat "niet (wordt) betwist dat (eiseres) voor wat betreft de aanslagjaren 2004, 2005 en 2006 tijdige en naar de vorm geldige aangiftes indiende in de rechtspersonenbelasting."

Aldus blijkt uit deze feitelijke vaststellingen dat de drie voormelde aanslagen met forclusie werden gevestigd buiten de gewone aanslagtermijn van de aangehaalde artikelen 353 en 359 WIB/92.

Het aangehaald artikel 356 WIB/92 laat in geval van forclusie wegens reden van verjaring niet toe om alsnog een subsidiaire aanslag te vestigen. Immers, deze mogelijkheid wordt door deze bepaling uitsluitend slechts geboden in geval de rechter de aanslag geheel of ten dele nietig heeft verklaard "wegens een andere reden dan verjaring".

3. Eiseres heeft belang om op te komen in graad van cassatie tegen de beslis-sing van de appèlrechter, - die de bestreden aanslagen weliswaar vernietigde we-gens de miskenning van een wettelijke regel andere dan inzake verjaring, maar welke vernietiging nog de mogelijkheid van de vestiging van een vervangende aanslag in het kader van een subsidiaire aanslag op grond van artikel 356 WIB/92 open laat -, teneinde die mogelijkheid te zien uitsluiten wegens ingetreden forclusie.

4. Dit middel kan voor het eerst in graad van cassatie opgeworpen worden nu de regels inzake de vestiging van de aanslagen en de aanslagtermijnen in de directe belastingen van openbare orde zijn en, voor het overige, de vereiste feitelijke elementen door de bestreden beslissing werden vastgesteld.

5. Hieruit volgt dat het bestreden tussenarrest zijn beslissing niet wettig verant-woordt om, krachtens het toepasselijke artikel 356 WIB/92, verweerder de moge-lijkheid te bieden om binnen de zes maanden te rekenen vanaf de uitspraak voor de betrokken aanslagjaren een subsidiaire aanslag aan het hof van beroep ter be-oordeling voor te leggen, omdat die mogelijkheid uitgesloten is (Schending van artikel 356 WIB/92) nu de betrokken oorspronkelijke aanslagen gevestigd werden buiten de gewone aanslagtermijn (Schending van de aangehaalde artikelen 353 en 359 WIB/92) en daarom nietig zijn om reden van verjaring (Schending van de aangehaalde artikelen 353, 356 en 359 WIB/92).

Toelichting

1. Het bestreden tussenarrest vernietigt de drie oorspronkelijke aanslagen "Om die reden alleen al" dat de administratie niet gerechtigd was om die aanslagen ambtshalve te vestigen nu eiseres wel telkens een regelmatige aangifte had gedaan.

Dit oordeel sluit derhalve niet uit dat er nog andere redenen kunnen bestaan die de vernietiging tot gevolg hebben.

2. Uit de feitelijke vaststellingen van de appèlrechters blijkt zo een andere re-den wel degelijk voorhanden te zijn, meer bepaald forclusie omdat de oorspronke-lijke aanslagen gevestigd werden met miskenning van een regel van verjaring.

Meer bepaald, blijken de drie aanslagen te zijn gevestigd buiten de gewone aan-slagtermijn van de artikelen 353 en 359 WIB/92.

De appèlrechters stellen immers vast dat die aanslagen respectievelijk gevestigd werden voor het aanslagjaar 2004 onder "kohierartikel 863600310 (...) op 16 ok-tober 2006", voor het aanslagjaar 2005 onder "kohierartikel 874400492, (...) op 13 december 2007; en voor het aanslagjaar 2006 onder "kohierartikel 874403552, (...) gevestigd op 17 december 2007;", terwijl zij verder beslissen dat "niet (wordt) betwist dat (eiseres) voor wat betreft de aanslagjaren 2004, 2005 en 2006 tijdige en naar de vorm geldige aangiftes indiende in de rechtspersonenbelasting."

Uw Hof besliste desbetreffend:

"Belastingheffing buiten de termijn van art. 264, tweede lid, Wetboek van de In-komstenbelastingen heeft in de regel tot gevolg dat de voorheffingen aan de belas-tingschuldige moeten worden terugbetaald, inzonderheid de onroerende voorhef-fing naar de mate waarin de wet zulks bepaalt." (Cass., 12 oktober 1989, Arr. Cass., 1989-90, nr. 90).

3. Dit maakt dat deze grief geput uit forclusie voor het eerst voor Uw Hof kan worden ingeroepen, vermits de regels inzake de vestiging van de aanslagen en de aanslagtermijnen van openbare orde zijn. (Cass., 8 september 1999, Pas., 1999, I, nr. 441).

4. Overigens heeft eiseres manifest een belang om deze grief aan Uw Hof voor te leggen, ook al werd hij niet eerder aangevoerd.

Immers, in geval van forclusie sluit artikel 356 WIB/92 de mogelijkheid uit om nog een subsidiaire aanslag te vestigen, mogelijkheid die de appèlrechters wel hebben open gelaten.

De rechtspraak van Uw Hof is uiteraard in die zin gevestigd:

"Over het tweede door de verweerders opgeworpen middel van niet ontvankelijk-heid van de voorziening : eiser heeft geen belang ;

Overwegende dat de tussen te komen beslissing belang kan hebben voor de be-slechting van de betwisting tussen partijen omtrent een tweede hertaxatie voor het aanslagjaar 1985;

Dat het middel van niet-ontvankelijkheid ongegrond is;"(Cass., 8 juni 2001, AR nr. 99.0028.N, www.juridat.be).

Zo besliste het Hof omtrent een cassatiemiddel, waarin ten bewarende titel was aangevoerd, - na een uitgesproken vernietiging door het hof van beroep van de aanslag wegens willekeur -, dat onderzoeksdaden gesteld buiten de termijnen van onderzoek geen aanleiding kunnen geven tot een regelmatige nieuwe vervangende aanslag op grond van artikel 260 WIB/64, dat de vastgestelde willekeur door de appèlrechters elke nieuwe aanslag verhindert en dit gegeven het belang ontneemt aan de grief in cassatie:

"Overwegende dat, krachtens artikel 260 van het Wetboek van de Inkomstenbe-lastingen (1964), het bestuur, wanneer een aanslag nietig is verklaard omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de prescriptie, zelfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn is verlopen, ten name van de belastingplichtige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte daarvan, een nieuwe aanslag moet vestigen binnen een bepaalde termijn ;

Dat dezelfde belastingelementen alle positieve en negatieve materiële elementen zijn die de belastbare grondslag vormen ;

Dat dit uitsluit dat een hertaxatie zou worden overwogen wanneer, zoals te dezen, het hof van beroep oordeelt dat de meerwinst die als basis diende voor de taxatie willekeurig was vastgesteld, beslist dat de aanslag "steunt op onjuiste gegevens" en de aanslag teniet doet ;

Dat het middel dat uitsluitend gericht is tegen de belasting over het aanslagjaar 1985, mitsdien geen belang vertoont ; Dat het middel niet ontvankelijk is;" (Cass., 12 februari 2002, AR nr. F.02.0002.N, www.juridat.be).

A contrario blijkt uit deze beslissing dat het middel wel ontvankelijk zou zijn ge-weest indien de uitgesproken vernietiging geen zo verstrekkend gevolg had.

 

 

II. Voorziening in cassatie tegen het eindarrest van 6 mei 2014:

Eiseres meent ter staving van haar voorziening volgende drie cassatiemiddelen naar voor te kunnen brengen.

 

EERSTE CASSATIEMIDDEL

Geschonden wettelijke bepalingen

- Artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek;
- De artikelen 353 - in de versie van vóór de wijziging bij wet van 8 juni 2009 -, 356 - zoals gewijzigd bij wet van 22 december 2009 -, en 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd bij Ko-ninklijk Besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992 (hierna afgekort als "WIB/92");

Aangevochten beslissingen

Het bestreden eindarrest: "verklaart de vordering van (verweerder) in toepassing van artikel 356 WIB92 toelaatbaar en als volgt gegrond. Het hof verklaart de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2004 (kohierartikel 372061), 2005 (kohierartikel 372071) en 2006 (kohierartikel 372081), bij toe-passing van artikel 356 WIB92 rechtsgeldig en invorderbaar, met dien verstande dat geen belastingverhoging van 10 % wordt toegepast. Het hof verwijst (eiseres) in de gedingkosten in hoger beroep, (...)"

"2.2. Aanslagtermijn.

De berichten van wijziging zijn volgens (eiseres) bovendien niet behoorlijk gemo-tiveerd, vermits niet werd vermeld waarom aanslagen werden gevestigd in de ver-lengde aanslagtermijn van artikel 354 WIB92. Vermits de aanvankelijke aanslagen laattijdig werden gevestigd konden geen subsidiaire aanslagen ter beoordeling aan het hof worden voorgelegd.

Het hof stelt vast dat in de berichten van wijziging, die het vestigen van subsidiaire aanslagen voorafgingen geen melding werd gemaakt van de aanslagtermijnen van artikel 354 WIB92.

De oorspronkelijke aanslagen werden vernietigd omwille van een schending van de artikelen 346 en 351 WIB92 en dus niet wegens verjaring. Het hof, dat de aan-vankelijk gevestigde aanslagen definitief beoordeeld heeft in het tussenarrest van 15 januari 2013, heeft zijn rechtsmacht dienaangaande uitgeput en kan op deze beoordeling in huidige fase van het geding niet meer terugkomen, of daar iets aan toevoegen.

Bovendien is de toepassing van artikel 356 WIB92 aan eigen termijnvereisten on-derworpen. Subsidiaire aanslagen kunnen ter beoordeling van de rechter onder-worpen worden gedurende een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de rechterlijke beslissing die de betrokken aanslagen geheel of gedeeltelijk heeft nietig verklaard. Deze termijn heeft geen uitstaans met die van artikel 354 W1B92. Vermits de aanslagen in het tussenarrest werden nietig verklaard om een andere reden dan verjaring en vermits de termijnvereiste van artikel 356 W1B92 werd gerespecteerd, kon de administratie aldus gebruik maken van de mogelijkheid van artikel 356 WIB92 om subsidiaire aanslagen voor te leggen aan het hof. De reden waarom hierbij toepassing zou worden gemaakt van artikel 356 WIB92 werd in de respectievelijke berichten van wijziging omstandig gemotiveerd."

Grieven

Eerste onderdeel,

1. Uitputting van rechtsmacht, conform artikel 19, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek, komt slechts toe aan een geschilpunt dat niet meer aanhangig is doordat de rechter in dezelfde zaak en tussen dezelfde partijen daar reeds eerder uitspraak over heeft gedaan.

2. Over het geschilpunt dat de betwiste oorspronkelijke aanslagen voor de aan-slagjaren 2004, 2005 en 2006 vernietigd moeten worden wegens een reden van verjaring werd door het hof van beroep in zijn tussenarrest van 15 januari 2013 nog geen uitspraak gedaan.

Eiseres heeft dit middel voorafgaandelijk aan dat tussenarrest niet opgeworpen en de appèlrechters hebben er zich ambtshalve ook niet mee gevat, terwijl verweerder daarbij geen belang had.

De beslissing dat de in dat tussenarrest reeds vernietigde aanslagen het werden omwille van een andere reden, meer bepaald het in strijd met de artikel 346 en 351 WIB/92 niet verzenden van een bericht van wijziging, belet niet in een latere fase van de procedure dat bijkomend beslist wordt dat die aanslagen tevens nietig zijn wegens verjaring.

Dergelijke beslissing is geenszins tegenstrijdig, noch overschrijden de appèlrech-ters hun rechtsmacht door daar uitspraak over te doen.

3. Immers, het geschilpunt waarover de appèlrechters in het eindarrest uit-spraak dienen te doen betreft de door eiseres opgeworpen uitsluiting van de moge-lijkheid om krachtens artikel 356 WIB/92 een subsidiaire aanslag te vestigen om reden dat de oorspronkelijke aanslagen nietig zijn om reden van verjaring.

Met de vaststelling in het tussenarrest op p. 12 dat, krachtens artikel 3 van de wet van 22 december 2009, dit artikel 356 WIB/92 in de tijd onmiddellijk van toepas-sing is ongeacht het aanslagjaar en daarom de debatten dienen te worden her-opend, hebben de appèlrechters zich beperkt tot het nemen van een maatregel al-vorens recht te doen zonder dat zij uitspraak deden omtrent het geschilpunt dat al de andere voorwaarden van artikel 356 WIB/92 voldaan zouden zijn, waaronder de vereiste dat er geen forclusie voorhanden is.

4. Hieruit volgt dat het bestreden eindarrest zijn beslissing, de subsidiaire aan-slagen voor de aanslagjaren 2004, 2005 en 2006 in toepassing van artikel 356 WIB/92 toelaatbaar en gegrond te verklaren, niet wettig verantwoordt door te be-slissen dat het hof van beroep in zijn tussenarrest van 15 januari 2013 zijn rechts-macht heeft uitgeput door de oorspronkelijke aanslagen nietig te verklaren, terwijl het geschilpunt omtrent de door eiseres opgeworpen forclusie die het vestigen van die subsidiaire aanslagen uitsluit toen nog niet beslecht werd (Schending van arti-kel 19, lid1 van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, de aange-haalde artikelen 353, 356 en 359 WIB/92).

 

Tweede onderdeel,

5. Overeenkomstig het aangehaalde artikel 353 WIB/92 moet de administra-tie in geval de belastingplichtige een regelmatige aangifte heeft ingediend binnen de gestelde termijn, de belasting met betrekking tot de aangegeven inkomsten en de andere in die aangifte vermelde gegevens vestigen binnen de in artikel 359 ge-stelde termijn, dit is tot 30 juni van het jaar dat volgt op dat waarnaar het aanslag-jaar wordt genoemd, zonder dat deze termijn korter mag zijn dan zes maanden vanaf de datum waarop de aangifte bij de bevoegde aanslagdienst is toegekomen.

6. Die gewone aanslagtermijn verstreek voor het aanslagjaar 2004 op 30 juni 2005, voor het aanslagjaar 2005 op 30 juni 2006 en voor het aanslagjaar 2006 op 30 juni 2007.

De appèlrechters stelden in het tussenarrest van 15 januari 2013 vast dat de aan-slagen respectievelijk gevestigd werden voor het aanslagjaar 2004 onder "kohier-artikel 863600310 (...) op 16 oktober 2006", voor het aanslagjaar 2005 onder "kohierartikel 874400492, (...) op 13 december 2007; en voor het aanslagjaar 2006 onder "kohierartikel 874403552, (...) gevestigd op 17 december 2007;", terwijl zij verder beslisten dat "niet (wordt) betwist dat (eiseres) voor wat betreft de aanslagjaren 2004, 2005 en 2006 tijdige en naar de vorm geldige aangiftes in-diende in de rechtspersonenbelasting."

Aldus blijkt uit deze feitelijke vaststellingen dat de drie voormelde aanslagen met forclusie werden gevestigd buiten de gewone aanslagtermijn van de aangehaalde artikelen 353 en 359 WIB/92.

Het aangehaald artikel 356 WIB/92 laat in geval van forclusie wegens reden van verjaring niet toe om alsnog een subsidiaire aanslag te vestigen. Immers, deze mogelijkheid wordt door deze bepaling uitsluitend slechts geboden in geval de rechter de aanslag geheel of ten dele nietig heeft verklaard "wegens een andere reden dan verjaring".

7. Hieruit volgt dat het bestreden eindarrest zijn beslissing, de subsidiaire aan-slagen voor de aanslagjaren 2004, 2005 en 2006 in toepassing van artikel 356 WIB/92 toelaatbaar en gegrond te verklaren, niet wettig verantwoordt, omdat die mogelijkheid uitgesloten is (Schending van artikel 356 WIB/92) nu de betrokken oorspronkelijke aanslagen gevestigd werden buiten de gewone aanslagtermijn (Schending van de aangehaalde artikelen 353 en 359 WIB/92) en daarom nietig zijn wegens verjaring (Schending van de aangehaalde artikelen 353, 356 en 359 WIB/92).

 

Toelichting

1. De appèlrechters beslissen dat zij zonder rechtsmacht zijn om met betrekking tot de toepassing van artikel 356 WIB/92 na te gaan of er oorspronkelijk forclusie was ingetreden om reden dat de oorspronkelijke aanslagen door hen reeds vernietigd werden om een andere reden.

Nochtans blijkt onmiddellijk dat het geschilpunt in het eindarrest geen betrekking heeft op de reeds uitgesproken vernietiging waarop zou moeten teruggekomen worden, maar wel op een bijkomende andere reden die maakt dat de oorspronke-lijke aanslagen nietig zijn en blijven.

Het eerste onderdeel voert dan ook aan dat er geen uitputting van rechtsmacht voorhanden is en niets de appèlrechters verhinderde te beslissen dat de vernietigde oorspronkelijke aanslagen bijkomend ook getroffen waren door forclusie, zodanig dat aan die toepassingsvoorwaarde van artikel 356 WIB/92 niet voldaan was.

2. Het tweede onderdeel herneemt tegen het eindarrest het middel gericht te-gen het tussenarrest, nu forclusie sowieso aanwezig is.

 

TWEEDE CASSATIEMIDDEL

Geschonden wettelijke bepalingen

- Artikel 149 van de Gecoördineerde Grondwet;
- Artikel 356, zoals gewijzigd bij wet van 22 december 2009, van het Wet-boek van de inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd bij Koninklijk Be-sluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992 (hierna af-gekort als "WIB/92");

 

Aangevochten beslissingen

Het bestreden eindarrest: "verklaart de vordering van (verweerder) in toepassing van artikel 356 WIB92 toelaatbaar en als volgt gegrond. Het hof verklaart de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2004 (kohierartikel 372061), 2005 (kohierartikel 372071) en 2006 (kohierartikel 372081), bij toe-passing van artikel 356 WIB92 rechtsgeldig en invorderbaar, met dien verstande dat geen belastingverhoging van 10 % wordt toegepast. Het hof verwijst (eiseres) in de gedingkosten in hoger beroep, (...)"

Grieven

1. Eiseres wierp op in haar regelmatig genomen syntheseconclusie, gedateerd op 29 januari 2014, op p. 5-6 :

"Artikel 354 WIB biedt (verweerder) de mogelijkheid om na het verstrijken van de gewone aanslagtermijn alsnog over te gaan tot een vestiging van een belasting indien de belastingplichtige geen aangifte heeft ingediend, als de aangifte laattijdig was of wanneer de wettelijk verschuldigde belasting hoger is dan het belas-tingbedrag berekend in functie van de in de aangifte opgenomen gegevens. (Ver-weerder) heeft in die gevallen een aanslagtermijn van drie jaar te rekenen vanaf één januari van het aanslagjaar. De bewijslast dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 354 WIB is voldaan, rust daarbij op (verweerder).

Het bericht van wijziging van aangifte d.d. 14 februari 2013 maakt op geen enkele wijze melding dat de buitengewone termijn van artikel 354 WIB wordt toegepast.

Evenmin wordt erin vermeld waarom (verweerder) meent dat zij in onderhavig geval van de normale aanslagtermijn zou kunnen afwijken. Nochtans houdt de driejarige aanslagtermijn een uitzondering in op de gewone aanslagtermijn. Wanneer (verweerder) toepassing wenst te maken van deze uitzonderlijke termijn, is het noodzakelijk dat zij de onderliggende redenen motiveert. Uitzonderingen worden in het fiscaal recht immers strikt geïnterpreteerd (...). Wanneer (verweer-der) niet verantwoordt op welke van de toepassingsgevallen zij de uitbreiding van de normale termijn in casu steunt, gaat zij haar bevoegdheid te buiten en moet worden besloten dat zij slechts een aanslag kon vestigen binnen de gewone aan-slagtermijn."

Aldus voerde eiseres aan dat de berichten van wijziging van 14 februari 2013 voorafgaand aan de subsidiaire aanslagen niet gemotiveerd zijn, omdat zij niet uit-leggen waarom de uitgebreide aanslagtermijn van artikel 354 WIB/92 oorspronke-lijk kon worden toegepast.

2. Het bestreden arrest, dat met geen enkel motief daarop antwoordt, is niet naar genoegen van recht gemotiveerd (Schending van artikel 149 van de Gecoör-dineerde Grondwet) en kon bijgevolg niet wettig de subsidiaire aanslagen voor de aanslagjaren 2004, 2005 en 2006 in toepassing van artikel 356 WIB/92 toelaatbaar en gegrond verklaren (Schending van het aangehaald artikel 356 WIB/92).

Toelichting

De enkele vaststelling dat de subsidiaire aanslag van artikel 356 WIB/92 zelf bui-ten de termijn van artikel 354 WIB/92 kan worden gevestigd, is geen antwoord op de gestelde vraag waarom die verlengde termijn destijds kon worden gebruikt.

 

DERDE CASSATIEMIDDEL

Geschonden wettelijke bepalingen

- Artikel 10, 11, 170, 172 van de Gecoördineerde Grondwet;
- De artikelen 353 - in de versie van vóór de wijziging bij wet van 8 juni 2009 -, 356 - zoals gewijzigd bij wet van 22 december 2009 -, en 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd bij Ko-ninklijk Besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992 (hierna afgekort als "WIB/92");
Zestiende blad

 

Aangevochten beslissingen

Het bestreden eindarrest: "verklaart de vordering van (verweerder) in toepassing van artikel 356 WIB92 toelaatbaar en als volgt gegrond. Het hof verklaart de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2004 (kohierartikel 372061), 2005 (kohierartikel 372071) en 2006 (kohierartikel 372081), bij toe-passing van artikel 356 WIB92 rechtsgeldig en invorderbaar, met dien verstande dat geen belastingverhoging van 10 % wordt toegepast. Het hof verwijst (eiseres) in de gedingkosten in hoger beroep, (...)"

op grond van de motieven op p. 13 :

"• De toepassing van artikel 181, 5° WIB92.

(Eiseres) stelt dat de VZW onderworpen is aan de rechtspersonenbelasting, omdat het gaat om een vereniging in de zin van artikel 181, 5° WIB92.

Overeenkomstig deze bepaling zijn de verenigingen zonder winstoogmerk en an-dere rechtspersonen die geen winstoogmerk nastreven niet onderworpen aan de vennootschapsbelasting wanneer ze uitsluitend of hoofdzakelijk het organiseren van handelsbeurzen of tentoonstellingen tot doel hebben.

De verenigingen, bedoeld in artikel 181, 5° WIB92 zijn diegene die handelsbeurzen (zoals de internationale jaarbeurzen van Brussel en Gent) organiseren, alsook de verenigingen die hoofdzakelijk tentoonstellingen van culturele of religieuze aard organiseren (Com.IB 181/2).

Een muziekevenement, dat in hoofdzaak bestaat uit optredens van muzikale groe-pen is niet te beschouwen als een tentoonstelling of een handelsbeurs.

Daar waar tentoonstellingen de bedoeling hebben om voorwerpen aan het publiek ter inzage te geven, is een muziekfestival erop gericht om muziek van een bepaald genre live ten gehore te brengen voor een groot publiek.

Een tentoonstelling heeft eerder educatieve doeleinden, daar waar een festival louter op ontspanning is gericht. Een handelsbeurs heeft als doel om producten en diensten voor te stellen aan potentiële klanten, met het oog op het promoten en het commercialiseren ervan. Degenen die hun producten of diensten etaleren doen dat niet om het publiek te entertainen, maar hebben commerciële intenties.

(Eiseres) kan derhalve niet als een vereniging In de zin van artikel 181, 5° W1B92 worden beschouwd."

 

 

Grieven

Eerste onderdeel,

1. Artikel 181 WIB/92 somt de zogenaamde "bevoorrechte" gebieden op, waarbinnen VZW's en andere rechtspersonen die geen winstoogmerk nastreven, uitsluitend of hoofdzakelijk een onderneming mogen exploiteren of zich mogen bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard, zonder daarom aan de vennootschapsbelasting onderworpen te worden.

Artikel 181, 5° WIB/92 inzonderheid bepaalt:

"Aan de vennootschapsbelasting zijn ook niet onderworpen , verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen die geen winstoogmerk nastreven en: (...)
5° uitsluitend of hoofdzakelijk het organiseren van handelsbeurzen of tentoonstel-lingen tot doel hebben;"

2. De wetgever heeft aan de woorden "handelsbeurzen of tentoonstellingen" geen bijzondere betekenis gegeven eigen de toepassing van de fiscale wet, zoda-nig dat deze begrippen dienen uitgelegd te worden aan de hand van de betekenis die zij hebben in de dagelijkse omgangstaal.

Zo omschrijft het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal Van Dale het woord "tentoonstelling" als volgt:

"1. Handeling van iets of iemand te kijk, te pronk te stellen;
2. de handeling van iets ter bezichtiging te stellen;
3. instelling, meestal van tijdelijke aard, waar de bezoekers de gelegenheid wordt gegeven om zaken van een bepaalde categorie of die min of meer een geheel vor-men (bijv. producten van nijverheid of kunst) te bezichtigen."

Het woord "beurs" betekent dan weer volgens datzelfde woordenboek: "gelegenheid waarbij vertegenwoordigers van een bepaalde branche hun producten presenteren".

De activiteit van eiseres met betrekking tot het organiseren van haar festival be-staat in het creëren van een gelegenheid, een plaats waar de festivalgangers de ge-legenheid wordt gegeven om muzikanten, artiesten en groepen te bezichtigen tij-dens hun optreden, wat in niets verschilt van wat er gebeurt op een tentoonstel-ling.

Net zoals op een beurs krijgen de muziekuitvoerders dan weer de kans om tijdens hun optredens hun muziek te presenteren en te promoten met commerciële bedoelingen.

Het feit dat een muziekfestival louter op ontspanning gericht is en geen educatieve doeleinden zou nastreven is geen valabele reden en voegt overigens voorwaarden toe aan de tekst van de wet, die deze niet bevat.

Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat entertainen op een beurs niet zou vol-staan, terwijl de artiesten die op het festival optreden dit wel degelijk tegen beta-ling ook doen om de verkoop van hun muziek te promoten.

3. Hieruit volgt dat het bestreden arrest het voordeel van artikel 181, 5° WIB/92 niet wettig aan eiseres heeft ontzegd, nu het door haar georganiseerde muziekfestival wel degelijk valt onder de begrippen "handelsbeurzen of tentoon-stellingen" voorzien in die bepaling, welke niet eist dat een tentoonstelling educa-tieve doeleinden moet hebben om in aanmerking te kunnen komen, noch dat een beurs meer moet doen dan het publiek te entertainen. (Schending van artikel 181, 5° WIB/92).

Tweede onderdeel,

4. Artikel 181, 5° WIB/92 schendt het gelijkheidsbeginsel voorzien in de arti-kelen 10, 11, 170 en 172 van de Gecoördineerde Grondwet, in zoverre deze bepa-ling, die zonder onderscheid van toepassing is op de organisator van "handels-beurzen of tentoonstellingen", zonder redelijke verantwoording niet wordt toege-past op de organisator van "muziekfestivals", zijnde eveneens gelegenheden in de culturele sector waar artiesten zichzelf en hun muziek tegen betaling aan het pu-bliek ten toon spreiden.

5. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig zonder de artikelen 10,11, 170 en 172 van de Gecoördineerde Grondwet te miskennen (Schending van de ar-tikelen 10,11,170 en 172 van de Gecoördineerde Grondwet) heeft kunnen beslis-sen dat artikel 181, 5° WIB/92 niet van toepassing is op eiseres, die nochtans mu-ziekfestivals organiseert in de culturele sector waar artiesten tegen betaling zich-zelf en hun muziek aan het publiek ten toon spreiden (Schending van de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet en artikel 181, 5° WIB/92).

Toelichting

1. Blijkens de voorbereidende werken en de administratieve commentaar wor-den in artikel 181,5° WIB/92 beoogd o.m. de VZW "Internationale jaarbeurs van Gent", de VZW "Internationale jaarbeurs van Brussel", en andere soortgelijke verenigingen, evenals de verenigingen die uitsluitend of hoofdzakelijk tentoon-stellingen van culturele of religieuze aard organiseren.

De appèlrechters ontzeggen eiseres het voordeel van deze bepaling omdat de fes-tivals die zij organiseert louter op ontspanning gericht zijn en geen educatieve doeleinden bezitten.

Afgezien van de vraag of dit correct is blijken de appèlrechters wel voorwaarden toe te voegen die de wettekst niet bevat.

Hetzelfde geldt voor de handelsbeurs, in de mate de artiesten die optreden dit te-gen betaling doen en dit ook met de bedoeling om hun muziek te commercialise-ren.

In het eerste onderdeel wordt het bestreden arrest dan ook een schending van de wet verweten.

2. In het tweede onderdeel wordt aangevoerd dat eiseres als organisator van "muziekfestivals" zich in dezelfde gelijkwaardige omstandigheden bevindt als de organisator van "handelsbeurzen of tentoonstellingen", zodat zij op dezelfde wijze het voordeel van 181,5° WIB/92 kan claimen op straffe van miskenning van het gelijkheidsbeginsel.

Er is dan immers geen redelijke verantwoording voor deze ongelijke behandeling.

Indien Uw Hof de plano niet overtuigd is van deze grief behoort het een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, die als volgt zou kunnen geformuleerd worden:

" Schendt artikel 181, 5° WIB/92 het gelijkheidsbeginsel voorzien in de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Gecoördineerde Grondwet, in zoverre deze bepaling, die zonder onderscheid van toepassing is op de organisator van "handelsbeurzen of tentoonstellingen", zonder redelijke verantwoording niet wordt toegepast op de organisator van "muziekfestivals", zijnde eveneens gelegenheden in de culturele sector waar artiesten zichzelf en hun kunstproducten tegen betaling aan het publiek ten toon spreiden ?"

 

 

 

OM DEZE BESCHOUWINGEN,

Besluit ondergetekende, Advocaat bij het Hof van cassatie, voor eiseres dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, het bestreden tussenarrest van 15 januari 2013 en het eindarrest van 6 mei 2014 te verbreken en de zaak en partijen te ver-wijzen naar een ander hof van beroep.

Kosten als naar rechte.

Leuven, 7 november 2014

 

Paul WOUTERS

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Graspop.voorziening 065-1410

 

Noot: 

Noot onder de publicatie in DAOR

De (rechtspersoon) n.v. is geen consument in handelspraktijken

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 03/12/2016 - 09:09
Laatst aangepast op: za, 03/12/2016 - 09:09

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.