-A +A

Deelnemingsopzet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Correctionele Rechtbank
Datum van de uitspraak: 
maa, 03/06/2013

Eventueel deelnemingsopzet kan volgens bepaalde rechtsleer enkel worden erkend bij een “bepaald” opzet en niet voor een “onbepaald” opzet.

“Bepaald opzet” houdt in dat de deelnemer een welbepaald misdrijf voor ogen heeft, “onbepaald opzet” houdt in dat de deelnemer handelt met de ingesteldheid om tot om het even welk misdrijf bij te dragen.

Eventueel deelnemingsopzet mag niet gelijkgesteld met gevallen van onachtzaamheid. Het volstaat niet dat de betrokken persoon de mogelijkheid dat hij deelneemt aan een misdrijf kon of moest voorzien. In dat geval is er enkel onachtzaamheid, geen eventueel opzet. Het is vereist dat de betrokkene effectief de mogelijkheid heeft voorzien dat hij deelneemt en dat hij dit op voorhand heeft aanvaard.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/14
Pagina: 
980
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(Openbaar Ministerie, IDH.D NV / F.G.R., H.M.F.G.M., S.D.CH.F.&C°)

(…)

Beoordeling
Uit de camerabeelden op basis waarvan het onderzoek werd opgestart, blijkt duidelijk dat tweede beklaagde ongeoorloofde manipulaties uitvoerde met dozen die allocaties bevatten.

Eerste en tweede beklaagde hebben bekend dat tweede beklaagde de allocaties wegnam en aan eerste beklaagde ter beschikking stelde. De allocaties behoorden toe aan de werkgever van tweede beklaagde. Tweede beklaagde is dan ook schuldig aan de tenlastelegging huisdiefstal.

Op basis van de afgelegde bekentenissen blijkt duidelijk dat eerste beklaagde en tweede beklaagde voorafgaandelijk aan de diefstallen overlegd hebben. Er werd daarbij afgesproken dat eerste beklaagde enkele diamanten van de ontvreemde allocaties zou verwisselen met minder waardevolle diamanten en dat eerste beklaagde vervolgens een vergoeding aan tweede beklaagde zou betalen. Uit de bekentenissen blijkt dat dit ook effectief is gebeurd. Eerste beklaagde heeft door het mee uitwerken van het plan noodzakelijke hulp verleend in de zin van artikel 66, derde lid Sw. Eerste beklaagde heeft tweede beklaagde bovendien aangezet om de diefstal te plegen in de zin van artikel 66, vierde lid Sw. door de belofte om diamanten te wisselen en een vergoeding te betalen. Eerste beklaagde is mededader aan de diefstal.

De feiten van tenlastelegging A voor tweede beklaagde en van tenlastelegging B voor eerste beklaagde (telkens zoals hierboven heromschreven) zijn bewezen op basis van de vaststellingen van de verbalisanten, de camerabeelden, de verklaringen van de verantwoordelijken van R.T. en de bekentenissen van eerste en tweede beklaagde.

De rechtbank acht het niet buiten elke redelijke twijfel aangetoond dat derde beklaagde op enige manier heeft meegewerkt bij het plegen van de diefstallen.

Het loutere feit dat eerste beklaagde in feite werkzaam was voor derde beklaagde (of mogelijk zelfs feitelijk bestuurder van derde beklaagde was) en zo in contact kwam met tweede beklaagde, bewijst op zich geen schuld van derde beklaagde.

Derde beklaagde beschikte over R.T.-diamanten die als “ruilmateriaal” konden worden gebruikt. Zij kocht deze rechtstreeks of eventueel via tussenkomst van D.C. Uit het strafdossier blijkt echter niet buiten elke redelijke twijfel dat derde beklaagde deze diamanten ter beschikking heeft gesteld aan eerste beklaagde, zeker niet met het opzet om hiermee een misdrijf te plegen. Dat er een vennootschap zoals D.C. wordt gebruikt om ongemerkt van concurrenten te kopen, is volgens de verbalisanten niet ongebruikelijk in de diamantsector. De bewering dat derde beklaagde R.T.-diamanten met een opvallend betere kwaliteit verkocht, is niet aangetoond (zie stuk 46 in de kaft “A.O. Israël”).

Eerste beklaagde verklaarde dat hij de diamanten wegnam zonder medeweten van zijn broer of van derde beklaagde en dat hij er daarbij voorzichtig was om geen al te opvallend voorraadverschil te veroorzaken. Het is redelijkerwijze niet onmogelijk dat de feiten op die manier zijn gebeurd.

De burgerlijke partij stelt dat derde beklaagde zich bewust en opzettelijk zou hebben onthouden van bepaalde handelingen en zo heeft deelgenomen aan het plegen van het misdrijf. Volgens de burgerlijke partij was er binnen derde beklaagde minstens een gebrekkige organisatie en geen controle op de voorraad. De burgerlijke partij stelt dat strafbare deelneming door onthouding mogelijk is en dat het deelnemingsopzet kan bestaan in een “eventueel opzet”.

Voor zover men de rechtsleer waar de burgerlijke partij i.v.m. het “eventueel” deelnemingsopzet naar verwijst al volgt, geeft die rechtsleer echter zelf aan dat dergelijke vorm van deelnemingsopzet enkel kan worden erkend bij een “bepaald” opzet en niet voor een “onbepaald” opzet. “Bepaald opzet” houdt in dat de deelnemer een welbepaald misdrijf voor ogen heeft, “onbepaald opzet” houdt in dat de deelnemer handelt met de ingesteldheid om tot om het even welk misdrijf bij te dragen. Bovendien wordt er op gewezen dat men eventueel deelnemingsopzet niet mag gelijkstellen met gevallen van onachtzaamheid. Het volstaat niet dat de betrokken persoon de mogelijkheid dat hij deelneemt aan een misdrijf kon of moest voorzien. In dat geval is er enkel onachtzaamheid, geen eventueel opzet. Het is vereist dat de betrokkene effectief de mogelijkheid heeft voorzien dat hij deelneemt en dat hij dit op voorhand heeft aanvaard (zie J. Vanheule, Strafbare deelneming, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 455-456, nrs. 366-368).

Uit het strafdossier, meer bepaald de verklaringen afgelegd door C.F., blijkt dat er bij derde beklaagde lange tijd geen stockcontrole is gebeurd. Maar het is geenszins aangetoond dat derde beklaagde effectief voorzag en heeft aanvaard dat hiervoor diamanten uit de voorraad konden worden gebruikt om te dienen als “wisselstuk” voor diamanten die elders werden gestolen.

Derde beklaagde wordt vrijgesproken van tenlastelegging B (zoals heromschreven).

Eerste en derde beklaagden worden onder tenlastelegging C vervolgd voor witwassen, en meer bepaald specifiek voor het feit dat de via de verwisseling bekomen ruwe diamanten zouden zijn ingebracht in derde beklaagde en ze zo verder te hebben verhandeld en te hebben geherinvesteerd.

Gelet op de specifieke omschrijving van tenlastelegging C zoals vermeld in de beschikking tot verwijzing van de raadkamer, is de rechtbank van oordeel dat zij enkel gevat is voor witwassen door transacties uitgevoerd via derde beklaagde. De rechtbank is van oordeel dat zij niet gevat is voor verkopen door eerste beklaagde zonder tussenkomst van derde beklaagde.

Eerste beklaagde heeft steeds voorgehouden op eigen houtje te hebben gehandeld. Hij verklaarde de diamanten te hebben verkocht aan een derde die hij niet wenste te noemen. Derde beklaagde zou volgens eerste beklaagde dus niets te maken hebben gehad met de via de diefstal bekomen diamanten.

Indien eerste beklaagde zonder dat dit opviel diamanten uit de voorraad van derde beklaagde kon nemen en indien de via de diefstal bekomen diamanten niet bij derde beklaagde terechtkwamen, kan men zich afvragen waarom eerste beklaagde niet eenvoudigweg de diamanten verkocht die hij uit de voorraad nam van derde beklaagde. Door deze te wisselen met de diamanten bekomen via de diefstal, diende tweede beklaagde mee te worden betrokken, wat meer risico op betrapping en een verplichting tot delen van de winst met zich meebracht.

De rechtbank acht het echter desondanks niet buiten elke redelijke twijfel aangetoond dat de diamanten werden ingebracht in derde beklaagde of verder werden verhandeld via derde beklaagde. Het is redelijkerwijze niet onmogelijk dat eerste beklaagde de diamanten aan derden heeft verkocht. Zoals reeds aangegeven, blijkt niet dat derde beklaagde beschikte over ongewoon veel R.T.-diamanten van hoge kwaliteit.

Eerste en derde beklaagden worden vrijgesproken van tenlastelegging C.

(…)

Noot: 

Vanheule, J., « Deelnemingsopzet: graden en modaliteiten », R.A.B.G., 2014/14, p. 983-994

Rechtsleer:

• L. Dupont en R. Verstraeten, Handboek Belgisch Strafrecht, Leuven, Acco, 1990, nrs. 426-430, 251-253;

• F. Tulkens en M. van de Kerchove, Introduction au droit pénal. Aspects juridiques et criminologiques, (sixième édition mise à jour), Brussel, Editions Kluwer, 2003, 362-363

• L. Dupont, Beginselen van strafrecht , I, (herziene uitgave), Leuven, Acco, 2004, nrs. 256-259, 113-114.

•.E. Trousse, Les principes généraux du droit pénal positif belge in Les Novelles. Droit pénal, I/1, Brussel, Larcier, 1956, nrs. 2409-2416, 378-380;

• C.J. Vanhoudt en W. Calewaert, Belgisch strafrecht, II, Gent, E.Story-Scientia, 1968, nrs. 652-655, 344-346

• C. Van den Wyngaert, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 1998, 263-267).

• J. D'Haenens, Strafbare deelneming inAPR, Brussel, Larcier, 1959, nr. 140, 65.

• J. Rubbrecht, Inleiding tot het Belgisch strafrecht, Leuven, Wouters, 1958, 128;

• J.J. Haus, Principes généraux du droit pénal belge, I, (deuxième édition, revue, corrigée et considérablement augmentée), Gent, Librairie générale de Ad. Hoste, 1874, nrs. 300-301, 217-219;

• J. Verhaegen, Droit pénal général, (troisième édition mise à jour avec le concours de D. Spielmann et A. Bruyndonckx), Brussel, Bruylant, 2003, nrs. 351-353 bis, 321-324.

• A. Vandeplas, “Noot betreffende mededaderschap” (noot onder Corr. Brussel 18 april 1974), RW 1974-75, nr. 3, 499)

• J. Vanheule 'Kanttekeningen bij het gradueel onderscheid tussen daderschap en medeplichtigheid' RABG 2013, nr. 14, p. 1039-1053.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 08/07/2017 - 09:48
Laatst aangepast op: za, 08/07/2017 - 09:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.