-A +A

De waarde van een hond is meer dan de aankoopprijs

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 15/09/2015

De aankoopprijs vertegennwoordigt niet de waarde van een hond . In de tijd na de aankoop worden vele kosten gemaakt om het dier op te voeden, te integreren en de nodige materiële zorg te verlenen.
Bovendien kan men een hond niet gelijkstellen met bijvoorbeeld een meubelstuk. Een hond is een levend wezen dat een eigen plaats inneemt in een gezin.

Komt daarbij dat nooit voorzienbaar is hoeveel de uiteindelijke kosten gaan bedragen. Men kan niet van eisende partijen vragen dat zij onmiddellijk zouden besluiten tot euthanasie.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
355
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

P. Van R. en E. S. t/ De G. en NV K.V.

I. De vordering

De vordering van eisende partijen strekt ertoe verwerende partijen te veroordelen om aan eisende partijen te betalen het bedrag van 1.958,60 euro, te vermeerderen met de vergoedende interesten sedert 4 oktober 2014 en de gerechtelijke interesten; (...).

II. Feiten

Eisende partijen zijn eigenaar van een hond Cavalier King Charles, genaamd Charlie, die zij kochten op 25 november 2012. Op 4 oktober 2014 word Charlie aangevallen door twee Dalmatiërs, toebehorende aan eerste verwerende partij. Charlie werd gebeten en diende opgenomen te worden in de dierenkliniek voor een operatie en verdere behandeling. Charlie verbleef een week in de dierenkliniek en liep daarna nog weken rond met een spalk, waarvoor wekelijkse consultaties voor mogelijke infecties nodig waren en uiteindelijk het onder narcose verwijderen van de spalk.

De aansprakelijkheid wordt niet betwist. De hond werd aangekocht voor 450 euro. Tweede verwerende partij bood dat bedrag aan. Na ingebrekestelling door de raadsman van eisende partijen werd het aanbod opgetrokken tot 1.000 euro.

De hond was op de datum van de feiten twee jaar oud.

De medische kosten bedroegen 1.858,60 euro. Daarnaast vorderen eisende partijen nog 100 euro verplaatsings- en administratiekosten.

Eerste verwerende partij betaalde op 30 maart 2015 het bedrag van 242,18 euro, zijnde de franchise. De discussie betreft enkel nog het saldo, verschuldigd door tweede verwerende partij.

III. Argumenten van partijen

Verwerende partijen zijn van mening dat een dier een zaak is en hun verplichting beperkt blijft tot de vervangingswaarde, zijnde 450 euro. Indien de kosten voor behandeling nutteloos en onredelijk zijn, is er een overtreding van de algemene zorgvuldigheidsnorm.

Verwerende partijen wijzen erop dat indien er twee mogelijkheden bestaan om de schade te vergoeden, de schadelijder niet gerechtigd is voor de duurste oplossing te opteren.

Verwerende partijen zijn van oordeel dat eisende partijen hebben nagelaten de schade te beperken. Bovendien blijft de hond manken. De behandelingen die de hond heeft ondergaan, kunnen wegens de slechte prognose voor herstel als onverantwoord aangemerkt worden. Minstens zijn de kosten in wanverhouding met de waarde van de hond. Voorts zou de hond reeds een antibioticakuur hebben gevolgd vóór de feiten.

Er zijn geen stukken die het bedrag van 100 euro verplaatsings- en administratiekosten rechtvaardigen.

Gelet op het feit dat eerste verwerende partij reeds de vrijstelling betaalde, menen zij dat enkel tweede verwerende partij nog gehouden kan zijn.

Verwerende partijen vragen dan ook de herleiding tot een bedrag van 1.000 euro. In syntheseconclusies vragen zij dan weer de afwijzing van de eis.

Eisende partijen voeren aan dat de schade integraal dient vergoed te worden. De restitutio in integrum is algemeen erkend en blijft de regel. De kosten waren niet buitensporig. De vervangingswaarde is sowieso hoger dan de netto-aankoopprijs: opleiding, kuisheidstraining, inspuitingen, dierenartsbezoeken.

Subsidiair vragen zij het door verwerende partij aangeboden bedrag van 1.000 euro.

IV. Beoordeling

In zoverre tweede verwerende partij in eerste instantie meent dat een bedrag van 450 euro schadevergoeding volstaat, dient te worden opgemerkt dat dit bedrag geenszins de werkelijke waarde van de hond in kwestie bedraagt.

Met eisende partijen kan worden aangenomen dat de aankoopprijs niet de waarde van de hond vertegenwoordigt. In de tijd na de aankoop worden vele kosten gemaakt om het dier op te voeden, te integreren en de nodige materiële zorg te verlenen. Derhalve ligt de waarde heel wat hoger dan de door verwerende partijen vooropgestelde waarde van 1.000 euro.

Bovendien kan men een hond niet gelijkstellen met bijvoorbeeld een meubelstuk. Een hond is een levend wezen dat een eigen plaats inneemt in een gezin.

Komt daarbij dat nooit voorzienbaar is hoeveel de uiteindelijke kosten gaan bedragen. Men kan niet van eisende partijen vragen dat zij onmiddellijk zouden besluiten tot euthanasie.

Nergens blijkt dan ook dat de medische kosten exorbitant zou zijn, noch dat zij niet ten gevolge van het incident zouden gemaakt zijn.

Voor de verplaatsings- en administratiekosten wordt onvoldoende verantwoording voortgebracht.

Derhalve komt aan eisende partijen nog een bedrag toe van 1.858,60 euro, verminderd met 242,18 euro (betaald na dagvaarding door eerste verwerende partij), zijnde 1.616,42 euro toe, vermeerderd met de interesten.

Rechtsleer:

E. Dirix, “Dieren zijn geen zaken”, RW 2014-15, 1122.

Noot: 

Om van een schade te kunnen spreken die hoger is dan de aanschafprijs van de hond op basis van een emotioneel element, dient de hond een voldoende lange tijd bij het baasje te zijn geweest om van enige emotionele band en dus morele schade te kunnen spreken.

Er mag niet voorbijgegaan worden aan het karakter van levend wezen van een hond waarbij en waarvoor een grotere omzichtigheidsplicht en verzorgingsplicht bestaat dan voor een roerend goed.

Hij die schadevergoeding vordert voor het verlies van een hond kan geen volledige vergoeding bekomen van alle kosten gemaakt voor de hond. Immers de betrokkene heeft ook een weze beperkte tijd plezier en genot van van de hond, waarbij bovendien de schade veroorzaakt door kosten voeding en verzorging niet in oorzakelijk verband kan staan met de fout van een derde.

Grondwettelijk Hof, 13 februari 2014, RW 2014-2015, 180

Arrest nr. 28/2014

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij vonnis van 11 maart 2013 heeft de Vrederechter van het kanton Thuin de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Zijn art. 1 tot 12 van de wet van 25 augustus 1885 en het koninklijk uitvoeringsbesluit ervan van (24) december (1987) in overeenstemming met art. 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij een regeling invoeren die afwijkt van het gemene recht van art. 1641 BW,

– doordat, inzake de verkoop van een huisdier van de paardensoort dat niet bestemd is voor een snelle slachting voor consumptiedoeleinden maar voor elk ander gebruik zoals een sportieve loopbaan, die bepalingen het instellen van de vordering tot koopvernietiging van de koper beperken door de enkele gebreken die een dergelijke vordering kunnen verantwoorden te beperken tot twee ziekten en door, op straffe van absoluut verval, een termijn van negen dagen op te leggen vanaf de dag na de levering van het dier om de vordering tot koopvernietiging in te stellen,

– terwijl inzake de verkoop van een huisdier van een andere soort dan die welke worden beoogd in de wet van 25 augustus 1885 en dat niet bestemd is voor een snelle slachting voor consumptiedoeleinden maar voor een sportieve loopbaan, zoals de honden die worden gefokt voor de windhondenrennen of de duiven die deelnemen aan wedstrijden in de duivensport, de vordering tot koopvernietiging van de koper wordt onderworpen aan de voorwaarden van de regeling van het gemene recht van art. 1641 BW, zowel voor wat betreft de definitie van de toelaatbare koopvernietigende gebreken als wat betreft de termijn om die vordering in te stellen?”.

...

In rechte

...

B.1.1. De wet van 25 augustus 1885 die de wetgeving betreffende de koopvernietigende gebreken herziet, bepaalt:

“Art. 1. Bij de verkopingen of ruilingen van paarden, ezels, muilezels en andere huisdieren die tot het schapen-, runder- of varkensras behoren, worden de ziekten of gebreken die door de regering vastgesteld worden, met de beperkingen en de voorwaarden die zij aangewezen acht, voor koopvernietigende gebreken gehouden en zullen zij alleen aanleiding geven tot de vordering voorzien bij artikel 1641 van het Burgerlijk Wetboek.

“Art. 2. De regering zal eveneens de termijn bepalen binnen dewelke de vordering moet worden ingesteld op straf van verval.

“Deze termijn mag de dertig dagen niet overschrijden, de dag vastgesteld voor de levering niet inbegrepen.

“De termijn om voor de rechtsmacht te verschijnen voor dewelke de vordering in eerste aanleg ingeleid wordt, zal ten minste één dag zijn indien de partij haar woonplaats heeft binnen de vijf myriameter vanaf de plaats van verschijning. Indien haar woonplaats verder ligt, wordt deze termijn met één dag per vijf myriameter verlengd.

“Art. 3. Indien de levering van het dier buiten de woonplaats van de verkoper is geschied, zal de termijn om de vordering in te stellen verlengd worden met één dag voor elke vijf myriameter afstand tussen de woonplaats van de verkoper en deze van de koper.

“Indien de koper het dier heeft voortverkocht en zelf gedagvaard wordt tot ontbinding van de verkoop, kan hij zijn eigen verkoper in vrijwaring oproepen, zo ten minste de termijn gedurende dewelke hij bij hoofdvordering had kunnen optreden nog niet verstreken is.

“Deze termijn om in vrijwaring op te roepen zal, in dit geval, en ongeacht de plaats waar het dier zich bevindt, verlengd worden met één dag voor elke vijf myriameter afstand tussen de woonplaats van de oorspronkelijke koper en deze van de oorspronkelijke verkoper.

“Art. 4. Binnen de termijn die overeenkomstig artikel 2 zal bepaald worden om de vordering in te leiden, zal de koper, op straf van verval, ertoe gehouden zijn de aanstelling uit te lokken van deskundigen met tot opdracht het bestaan van het koopvernietigend gebrek te doen vaststellen en daarvan proces-verbaal op te maken.

“Dit verzoek zal hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, hetzij in de vorm van een telegram, gedaan worden aan de vrederechter van de plaats waar het dier zich bevindt; in elk geval zal het, op straf van nietigheid, het gebrek aanduiden waardoor het dier zogezegd aangetast is.

“De vrederechter zal er de datum van vaststellen in zijn beschikking; hij zal het gebrek, waarop de eis gesteund is, vermelden en onmiddellijk, naargelang van de eis van het geval, een of drie deskundigen aanstellen die hun taak binnen de kortste tijd zullen moeten aanvangen, na de eed voor deze magistraat te hebben afgelegd en zonder verdere procedureformaliteiten; hij zal per verzekerd telegram de verkoper op de hoogte brengen van de dag, het uur en de plaats van het deskundig onderzoek.

“Het proces-verbaal van het deskundig onderzoek zal gemotiveerd zijn en de minuut ervan overgemaakt worden aan de partij.

“Indien het deskundig onderzoek slechts aangevat of beëindigd wordt na het verstrijken van de termijnen, bepaald overeenkomstig artikel 2, zal het aangegeven worden of het geconstateerd gebrek gedurende deze termijnen heeft bestaan.

“Nochtans, wanneer het dier, binnen de termijn bepaald voor het instellen van de vordering, op bevel van de bevoegde overheid zal afgemaakt worden wegens een van de ziekten die tot koopvernietiging aanleiding geven, zal het proces-verbaal dat in dit geval opgemaakt wordt, en dat op dezelfde manier met redenen zal omkleed zijn, het proces-verbaal van het deskundig onderzoek vervangen.

“Art. 5. Wanneer het dier buiten het land is gebracht, moet de koper, op straffe van verval, het terug in het land doen terugkomen en het brengen, hetzij naar de woonplaats van de koper of naar de hoofdplaats van het kanton waar die woonplaats gevestigd is, hetzij naar de plaats waar het contract is gesloten, hetzij naar de plaats waar de levering is gedaan.

“De termijn voor het instellen van de rechtsvordering wordt in dat geval verlengd met één dag per vijftien myriameter afstand tussen de plaats waar het dier zich bevindt en de plaats waarnaar het moet worden teruggebracht.

“Het verzoek tot benoeming van deskundigen moet, op straffe van verval, worden ingediend bij de vrederechter van de plaats waarnaar het dier zal worden gebracht, en zulks binnen de termijn bepaald overeenkomstig artikel 2, met een verlenging van twee dagen zonder meer.

“De vordering tot koopvernietiging moet insgelijks in dat geval altijd worden ingesteld vóór de bevoegde rechter van diezelfde plaats.

“De koper moet bewijzen naar welke plaats buiten het land het dier is gebracht.

“Wanneer het echter gaat om een koopvernietigend gebrek dat besmettelijk is, mag de koper in geen geval het dier in het land doen terugkomen of een vordering tot koopvernietiging instellen.

“Evenmin kan de koper zodanige vordering instellen wanneer het dier buiten het land is gestorven.

“Art. 6. De vreemde eiser is gehouden, op verzoek van de verweerder, de borg te stellen, waarvan melding wordt gemaakt in artikel 16 van het Burgerlijk Wetboek en in de artikelen 851 en 852 van het Gerechtelijk Wetboek, op straffe van in zijn vordering niet te worden toegelaten.

“De borgsom wordt reeds op de eerste zitting in geld vastgesteld door de rechter vóór wie de rechtsvordering aanhangig is.

“De door de rechter bepaalde som wordt aan de griffier ter hand gesteld.

“Het vonnis is uitvoerbaar zonder dat het vooraf moet worden betekend; het is niet vatbaar voor hoger beroep.

“Art. 7. De vorderingen tot koopvernietiging zullen als dringende zaken behandeld en gevonnist worden.

“Art. 8. Indien het dier binnen de termijn, bepaald overeenkomstig artikel 2, verloren gaat, zal de verkoper tot geen vrijwaring gehouden zijn tenzij de koper het bewijs levert dat het verlies van het dier te wijten is aan een van de koopvernietigende gebreken, voorzien bij toepassing van deze wet.

“Art. 9. De koopvernietigende gebreken die binnen de voorziene termijnen geconstateerd worden volgens de voorgeschreven pleegvormen, zullen, tot bewijs van het tegendeel, vermoed worden als hebbende bestaan op het ogenblik van de overeenkomst.

“Art. 10. De verkoper of de ruiler zal niet gehouden zijn tot vrijwaring wegens koopvernietigende gebreken van besmettelijke aard, indien hij bewijst dat het dier sedert de levering in aanraking is geweest met dieren, aangetast door dezelfde besmettelijke ziekte als degene die tot de koopvernietigende vordering aanleiding gegeven heeft.

“Art. 11. Het verval voorzien bij de artikels 2, 4 en 5, is volkomen en zal van ambtswege worden toegepast, behalve wanneer de verkoper of de ruiler eerst te goeder trouw voor een onbevoegde rechter zou zijn gedagvaard geworden.

“Art. 12. De vordering tot prijsvermindering, toegelaten bij artikel 1644 van het Burgerlijk Wetboek, zal niet mogen uitgeoefend worden ingeval van koop en ruil van dieren die onder deze wet vallen.

“Art. 13. De rechtsvordering tot vernietiging van verkoop of ruiling van huisdieren, bestemd om afgemaakt te worden voor het verbruik, is slechts ontvankelijk uit hoofde der gebreken die ze tot de voeding onverbruikbaar maken, op voorwaarde dat die rechtsvordering ingespannen worde binnen de vijf dagen der levering van het verkocht dier, dat dit dier niet op eenen afstand van meer dan 5 myriameters van de verkoopplaats vervoerd zij en dat het volkomen voor het verbruik ongeschikt worde verklaard”.

B.1.2. Zoals het van toepassing is op het voor de verwijzende rechter hangende geschil, bepaalde het KB van 24 december 1987 betreffende de koopvernietigende gebreken bij de verkoop of ruiling van huisdieren, vóór de wijziging ervan bij de koninklijke besluiten van 11 januari 2009 en van 1 februari 2012:

“Artikel 1. Enkel volgende ziekten of gebreken worden als koopvernietigende gebreken beschouwd:

1o Bij paard, ezel, muilezel of muildier:

– malleus;

– chronische intermitterende kreupelheid.

(…)

“Art. 6. De termijn voor het instellen van een rechtsvordering wegens een koopvernietigend gebrek is, de voor de levering vastgestelde dag niet gerekend, dertig dagen in geval van besmettelijke pleuropneumonie, runderbrucellose of enzoötische runderleucose, vijftien dagen in geval van rundertuberculose of witte-vaarzenziekte en negen dagen in de andere gevallen”.

B.2.1. De verwijzende rechter vraagt aan het Hof of art. 1 tot 12 van de wet van 25 augustus 1885 en het uitvoeringsbesluit ervan van 24 december 1987 verenigbaar zijn met art. 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij een regeling invoeren die afwijkt van het gemene recht van art. 1641 BW.

De verwijzende rechter merkt op dat, inzake de verkoop van een huisdier van het paardenras dat niet bestemd is voor een snelle slachting voor consumptiedoeleinden, maar voor elk ander gebruik, zoals een sportieve loopbaan, die bepalingen de uitoefening van de vordering tot koopvernietiging van de koper beperken door de enige gebreken die een dergelijke vordering kunnen verantwoorden, te verminderen tot twee ziekten en door, op straffe van volkomen verval, een termijn van negen dagen op te leggen te rekenen vanaf de dag na de levering van het dier om de vordering tot koopvernietiging in te stellen, terwijl, inzake de verkoop van een huisdier van een ander ras dan die welke worden beoogd bij de wet van 25 augustus 1885 en dat niet bestemd is voor een snelle slachting voor consumptiedoeleinden maar voor een sportieve loopbaan, zoals de honden die worden gefokt voor de windhondenrennen of de duiven die deelnemen aan wedstrijden in de duivensport, de vordering tot koopvernietiging van de koper onderworpen is aan de voorwaarden van de gemeenrechtelijke regeling van art. 1641 BW, zowel ten aanzien van de definitie van de aanvaardbare koopvernietigende gebreken als ten aanzien van de termijn om die vordering in te stellen.

B.2.2. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt derhalve dat aan het Hof alleen een vraag wordt gesteld over art. 1 en 2, eerste en tweede lid van de in het geding zijnde wet.

B.2.3. Noch art. 26, § 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof noch enige andere grondwettelijke of wettelijke bepaling verleent het Hof de bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de vraag of de bepalingen van een uitvoeringsbesluit verenigbaar zijn met art. 10 en 11 van de Grondwet. Met toepassing van art. 159 van de Grondwet komt het de rechter toe de bepalingen van een uitvoeringsbesluit die niet in overeenstemming zouden zijn met art. 10 en 11 van de Grondwet, buiten toepassing te laten.

Het Hof vermag zich enkel uit te spreken over het ten aanzien van art. 10 en 11 van de Grondwet al dan niet verantwoorde karakter van een verschil in behandeling als dat verschil aan een wetskrachtige norm kan worden toegeschreven. In dat verband moet worden opgemerkt dat, wanneer een wetgever een machtiging verleent, aangenomen dient te worden, behoudens aanwijzingen in tegenovergestelde zin, dat hij de gemachtigde enkel de bevoegdheid verleent om die machtiging aan te wenden in overeenstemming met art. 10 en 11 van de Grondwet.

Wanneer een wettelijke regeling verwijst naar de nadere uitwerking ervan in een uitvoeringsbesluit, dient te worden bepaald aan welk van beide normen het in het geding zijnde grondwettigheidsbezwaar kan worden toegeschreven.

B.2.4. Het in het geding zijnde verschil in behandeling vloeit rechtstreeks voort uit art. 1 en 2 van de wet van 25 augustus 1885, aangezien die bepalingen slechts betrekking hebben op bepaalde huisdierenrassen, aangezien zij het mogelijk maken om een onderscheid te maken naar gelang van de ziekte waaraan die huisdieren lijden en aangezien zij, in afwijking van art. 1641 BW, een termijn van maximum dertig dagen opleggen waarbinnen, op straffe van verval, de vordering dient te worden ingesteld.

B.3. Om de prejudiciële vraag te beantwoorden, dient het Hof de verenigbaarheid na te gaan, met art. 10 en 11 van de Grondwet, van art. 1 van de in het geding zijnde wet, in zoverre het bij de verkoop van paarden alleen de door de regering aangewezen ziekten of gebreken, met de beperkingen en voorwaarden die zij gepast zal achten, beschouwt als koopvernietigende gebreken die als enige de vordering doen ontstaan die voortvloeit uit art. 1641 BW, en van art. 2 van die wet, in zoverre het aan de regering de zorg toevertrouwt de termijn te bepalen waarin de vordering op straffe van verval zal worden ingesteld (eerste lid), waarbij die termijn niet meer mag bedragen dan dertig dagen, de dag van de levering niet inbegrepen (tweede lid).

B.4. Art. 1641 tot 1649 BW, die paragraaf II (“Vrijwaring voor gebreken van de verkochte zaak”) van afdeling III (“Vrijwaring”) van hoofdstuk IV (“Verplichtingen van de verkoper”) van titel VI (“Koop”) van boek III (“Op welke wijze eigendom verkregen wordt”) van dat Wetboek vormen, bepalen:

“Art. 1641. De verkoper is gehouden tot vrijwaring voor de verborgen gebreken van de verkochte zaak, die deze ongeschikt maken tot het gebruik waartoe men ze bestemt, of die dit gebruik zodanig verminderen dat de koper, indien hij de gebreken gekend had, de zaak niet of slechts voor een mindere prijs zou hebben gekocht.

“Art. 1642. De verkoper moet niet instaan voor de gebreken die zichtbaar zijn en die de koper zelf heeft kunnen waarnemen.

“Art. 1643. Hij moet instaan voor de verborgen gebreken, zelfs wanneer hij die niet gekend heeft, tenzij hij in dat geval bedongen heeft dat hij tot geen vrijwaring zal zijn gehouden.

“Art. 1644. In het geval van de artikelen 1641 en 1643, heeft de koper de keus om ofwel de zaak terug te geven en zich de prijs te doen terugbetalen, ofwel de zaak te behouden en zich een gedeelte van de prijs te doen terugbetalen, welk gedeelte door deskundigen zal worden bepaald.

“Art. 1645. Indien de verkoper de gebreken van de zaak gekend heeft, is hij niet alleen gehouden tot teruggave van de prijs die hij ervoor ontvangen heeft, maar bovendien tot vergoeding van alle schade aan de koper.

“Art. 1646. Indien de verkoper de gebreken van de zaak niet gekend heeft, is hij slechts gehouden tot teruggave van de prijs, en tot vergoeding aan de koper van de door de koop veroorzaakte kosten.

“Art. 1647. Indien de zaak welke gebreken had, is teniet gegaan ten gevolge van haar slechte hoedanigheid, is het verlies voor rekening van de verkoper, die jegens de koper gehouden is tot teruggave van de prijs, en tot de overige schadevergoedingen in de twee vorige artikelen bepaald.

“Maar het verlies door toeval veroorzaakt is voor rekening van de koper.

“Art. 1648. De rechtsvordering op grond van koopvernietigende gebreken moet door de koper worden ingesteld binnen een korte tijd, al naar de aard van de koopvernietigende gebreken en de gebruiken van de plaats waar de koop gesloten is.

“Art. 1649. Deze vordering kan niet worden ingesteld wat betreft verkopingen die op rechterlijk gezag geschieden”.

B.5.1. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 28 januari 1850 betreffende de koopvernietigende gebreken en van de wet van 25 augustus 1885 die de wetgeving betreffende de koopvernietigende gebreken herziet, blijkt dat de wetgever heeft willen afwijken van art. 1641 tot 1649 BW, voor de handel in sommige huisdieren, teneinde de rechtszekerheid te versterken.

Die parlementaire voorbereiding vermeldt het volgende:

“Door de oorzaken van de koopvernietiging noch de termijnen van de vordering te bepalen en zich te beperken tot een verwijzing naar gebruiken die kunnen variëren naar gelang van de plaatsen en waarvan het bestaan soms moeilijk vast te stellen is, doen die onvolledige bepalingen van het Wetboek, om weinig belangrijke belangen, kostbare betwistingen ontstaan; zij bezorgen de rechters vaak ernstige problemen.

“Wegens het gebrek aan eenvormigheid in de termijnen van de waarborg en in de specificatie van de gebreken die de ontbinding van de overeenkomst met zich meebrengen, kan een koper op een bepaalde plaats een koop laten vernietigen, koop die hij elders, onder identieke voorwaarden, zou moeten naleven, en kan de verkoper op zijn beurt het dier waarvan hij zich op een andere markt niet zou kunnen ontdoen, op een dergelijke markt onbevreesd aanbieden zonder gevaar voor de opzegging van de verkoop” (Parl.St. Kamer 1848-49, nr. 198, p. 1).

“De moeilijkheden voorkomen door vaste, in het hele land verplichte en publiekelijk bekende regels aan te nemen, eerlijk gemaakte overeenkomsten stabiel maken en hindernissen vermijden die de ontwikkeling van de landbouw en de handel in de weg kunnen staan, vormen een werk waarmee de wetgever, in het algemeen belang, zonder aarzeling moet instemmen” (Parl.St. Senaat 1849-50, nr. 15, p. 1).

“Een aantal betrokkenen, de handelaars en de dierenartsen vooral, pleiten voor het Engelse systeem, met andere woorden de afschaffing van elke wet betreffende de koopvernietigende gebreken. De regering heeft wijselijk gehandeld door die zienswijze af te wijzen en een wetgeving ter zake te handhaven. Zonder wet vallen de transacties inzake de verkoop van dieren onder het gemene recht en in dat geval hebben de bijzondere overeenkomsten kracht van wet. Die regeling laat de kwekers op het platteland volledig over aan de willekeur van de handelaars, die hun vaak voorwaarden opleggen waarvan zij de draagwijdte niet kunnen begrijpen.

“Een ander nadeel van die regeling is dat in alle transacties een derde optreedt, ofwel een dierenarts, ofwel een koopman; zowel voor de verkoper als voor de koper leidt de aanwezigheid van een derde echter steeds tot het verlies van het grootste deel van de winst.

“Zodra het beginsel van de wet werd behouden, moest een dubbele hindernis worden vermeden. Enerzijds moesten de rechten van de verkoper worden gevrijwaard en moest hij worden beschermd tegen de manoeuvres van een oneerlijke koper. Anderzijds moesten de koper alle nodige middelen worden geboden om zich te verdedigen tegen de misbruiken van een weinig scrupuleuze verkoper.

“De koper opofferen voor de verkoper, kwam erop neer de buitenlandse kopers van onze markten te weren en een van de voornaamste bronnen van de inkomsten van de landbouw droog te leggen.

“De maatregelen die de regering in het huidige wetsontwerp voorstelt, leveren dat dubbele resultaat op. (…)

“Door sommige termijnen voor het instellen van de vordering tot koopvernietiging in te korten, kan de verkoper niet meer aansprakelijk worden gesteld voor gebreken die zich voordoen na de verkoop.

“Anderzijds zijn de nieuwe termijnen wel nog toereikend om het de koper mogelijk te maken de gebreken vast te stellen die op het ogenblik van de verkoop werkelijk bestaan” (Parl.St. Senaat 1884-85, nr. 99, p. 1 en 2).

B.5.2. De wetgever heeft aldus, met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de handel in huisdieren, een juridische regeling ingevoerd die afwijkt van art. 1641 tot 1649 BW. Die juridische regeling beperkt de koopvernietigende gebreken die de vordering openstellen die voortvloeit uit art. 1641 BW, tot de ziekten en gebreken die zijn bepaald bij koninklijk besluit, en voorziet in termijnen om de vordering in te stellen die eveneens bij koninklijk besluit worden vastgesteld naar gelang van de ziekte of het gebrek, en die zeer kort zijn omdat zij niet meer mogen bedragen dan dertig dagen. Wanneer is voldaan aan de bij de afwijkende wet bepaalde voorwaarden, wordt de bewijslast vergemakkelijkt voor de koper, aangezien, overeenkomstig art. 9 van de wet van 25 augustus 1885, de koopvernietigende gebreken die binnen de gespecificeerde termijnen en volgens de voorgeschreven vormen zijn vastgesteld, zullen worden geacht te hebben bestaan op het ogenblik van de overeenkomst, behoudens tegenbewijs. De niet-naleving van de termijn om de vordering in te stellen, leidt daarentegen tot een “volkomen” verval dat “van ambtswege (zal) worden toegepast” (art. 11). Gelet op de korte termijnen kan de vordering tot prijsvermindering, toegestaan bij art. 1644 BW, overigens niet worden uitgeoefend (art. 12).

B.5.3. Die regeling behandelt de kopers en verkopers van paarden anders dan de andere kopers en verkopers.

B.6.1. Hoewel de afwijkende regeling inzake koopvernietigende gebreken die van toepassing is op de verkoop van paarden zowel de rechtszekerheid als de bescherming van de kopers en verkopers voor de bij koninklijk besluit bepaalde ziekten en gebreken bevordert, tast zij in aanzienlijke mate de rechten van de kopers aan voor de andere ziekten en gebreken, omdat zij hun elke vordering tot koopvernietiging op grond van die ziekte of dat gebrek ontneemt en geen rekening houdt met het gebruik waartoe het dier is bestemd.

B.6.2. Geen enkele wetsbepaling verbiedt de partijen evenwel de verplichtingen van de verkoper ten aanzien van de waarborg bij de verkoop van huisdieren te regelen zoals zij dat willen, waarbij de afwijkende regeling enkel bedoeld is om de privébelangen te vrijwaren.

B.6.3. Hoewel de bij de wet van 25 augustus 1885 bepaalde regeling afwijkt van art. 1641 tot 1649 BW – behalve wanneer de partijen bij overeenkomst andere regelingen hebben getroffen -, wijkt zij overigens niet af van de andere bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake de verkoop. De koper kan derhalve, op grond van art. 1110 BW, een vordering tot nietigheid instellen wegens dwaling met betrekking tot een wezenlijke kwaliteit van het verkochte voorwerp, of een vordering tot ontbinding op grond van art. 1184 en 1604 BW. Art. 1649bis tot 1649octies BW, die de richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen ten uitvoer leggen, bieden overigens eveneens een bescherming aan de consument die voorrang moet krijgen op de bij de in het geding zijnde wet bepaalde afwijkende regeling.

B.6.4. Bijgevolg beperkt de in het geding zijnde afwijkende regeling de rechten van de kopers niet op onevenredige wijze.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 24/10/2015 - 17:53
Laatst aangepast op: za, 24/10/2015 - 17:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.