-A +A

De verplichting van de garagehouder als bewaarnemer

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 29/02/1996

De bewaarnemer (hier de garagehouder) heeft twee verplichtingen. Hij moet de wagen teruggeven op eerste verzoek van de bewaargever. Daarnaast moet de bewaarnemer de wagen zorgvuldig bewaken. Hij moet dit doen op dezelfde manier als hij zijn eigen goederen zou bewaken. Er wordt in casu geen fout van verweerster aangetoond. Zij heeft immers onmiddellijk na de feiten als een goede huisvader de politie verwittigd en klacht neergelegd. Het feit dat er geen braaksporen zijn teruggevonden, betekent niet dat verweerster het voertuig niet slotvast had achtergelaten.

De bewaarnemingsplicht van de gargist strekt zich niet uit tot de goederen die zich bevinden in de bestelwagen die hem ter herstelling is toevertrouwd.
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
915
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV B.T. t/ NV G.M.A.

1. De feiten

Op 20 september 2012 wordt er in het filiaal van verweerster, gelegen (...) te Antwerpen een bestelwagen (...) van eiseres binnengebracht voor het uitvoeren van een herstelling.

Op 24 september 2012 komt een werknemer van eiseres materiaal uit de bestelwagen halen, en stelt daarbij vast dat er werkmateriaal verdwenen is. Hiervan wordt aangifte gedaan bij de lokale politie te Antwerpen, die een vereenvoudigd proces-verbaal opstelt van diefstal uit het voertuig: “(...) Toen hij vandaag het aanwezige materiaal wilde overladen in een andere bestelwagen, bleek de inhoud van de laadruimte ontvreemd. Het voertuig stond buiten op de parking naast de garage geparkeerd, sinds vorige donderdag 20 september 2012. De diefstal werd vandaag om 13.00 u vastgesteld. Wij kunnen geen nuttige sporen treffen op het voertuig. Geen sporen van braak vast te stellen. Een inventaris zal worden opgesteld aangaande het verdwenen materiaal. De verantwoordelijke van de garage, de genaamde B.Y., was de oproeper van de feiten. Benadeelde is de firma S. (...). Vermelden nog dat de parking vrij toegankelijk is vanaf de straat. Geen vermoedens nopens de dader(s).”

Op 4 maart 2013, zijnde zes maanden na de diefstal, wordt door eiseres een lijst van de gestolen goederen bezorgd, met het verzoek deze door te sturen aan de verzekeraar van verweerster. Deze lijst bevat een opsomming van goederen met een totale waarde van 22.546,73 euro.

Bij e-mail van 23 april 2013 laat de h. B., werkzaam bij verweerster, weten dat de verzekering niet zal tussenkomen: “Wij hebben dit voorgelegd aan onze directie; daar onze verzekering niet tussenbeide komt zal deze kost door ons gedragen moeten worden. Normaal gaat onze directie met u contact opnemen om dit te komen bespreken. (...)”

Bij brief van 28 november 2013 wordt verweerster door eiseres in gebreke gesteld het schadegeval door te geven aan de diefstalverzekeraar en werd wederom de lijst met gestolen goederen meegezonden.

Bij gebreke aan betaling werd op 3 november 2016 dagvaarding uitgebracht.

2. De vorderingen

Eiseres vordert verweerster te veroordelen tot het betalen van een bedrag van 22.546,73 euro, vermeerderd de wettelijke interesten vanaf 4 maart 2013 tot de volledige betaling en verweerster te veroordelen tot de kosten van de procedure. (...)

Verweerster verzoekt de rechtbank de vordering van eiseres ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren (...).

3. Ten gronde

3.1. Eiseres beroept zich op art. 25 titel IV van het Wetboek van Koophandel om verweerster aansprakelijk te stellen voor de schade die zij leed ten aanzien van de goederen die werden gestolen uit haar bestelwagen. Zij meent dat het gebrek aan reactie op de ontvangst van de lijst van de verdwenen goederen dient begrepen te worden als de bereidheid om deze schade ook te vergoeden. Voorts baseert eiseres zich ook op een e-mail die een medewerker van verweerster verzond en waarin werd gesteld dat zij zelf dient tussen te komen, daar de diefstalverzekeraar had laten weten geen dekking te zullen verlenen.

Art. 25 W.Kh. bepaalt: “Behalve door de bewijsmiddelen die het burgerlijk recht toelaat, kunnen handelsverbintenissen ook worden bewezen door getuigen in alle gevallen waarin de rechtbank oordeelt dit te moeten toestaan (...).”

Volgens algemeen geldende rechtsleer en rechtspraak wordt in handelszaken, omwille van een vlot en efficiënt rechtsverkeer, algemeen aangenomen dat op een handelaar de verplichting rust om op brieven te reageren wanneer niet wordt ingestemd met de inhoud ervan (zie: E. Dirix en G.L. Ballon, Factuur in APR, Mechelen, Kluwer, 2012, p. 169, nr. 336).

Deze rechtspraak en rechtsleer zijn niet relevant voor de voorliggende zaak, nu het in casu om een diefstal en een aansprakelijkheidsvordering gaat en niet om een handelsverbintenis. Handelsverbintenissen kunnen niet gelijkgeschakeld worden met een vordering tot het verkrijgen van een schadevergoeding wegens een diefstal. Voorts kan een factuur ook niet worden gelijkgesteld met een lijst van gestolen goederen die werd toegezonden.

3.2. Vervolgens is eiseres ten onrechte van oordeel dat de bewarings- en teruggaveplicht die rust op de garagehouder ten aanzien van de bestelwagen naar analogie moet worden toegepast op de goederen die zich in de bestelwagen bevinden en dat de restitutieplicht dus niet alleen van toepassing is op de bestelwagen zelf, maar ook op de inhoud.

De rechtbank volgt deze stelling niet. De bewaarnemer (hier de garagehouder) heeft twee verplichtingen. Hij moet de wagen teruggeven op eerste verzoek van de bewaargever. Daarnaast moet de bewaarnemer de wagen zorgvuldig bewaken. Hij moet dit doen op dezelfde manier als hij zijn eigen goederen zou bewaken. Er wordt in casu geen fout van verweerster aangetoond. Zij heeft immers onmiddellijk na de feiten als een goede huisvader de politie verwittigd en klacht neergelegd. Het feit dat er geen braaksporen zijn teruggevonden, betekent niet dat verweerster het voertuig niet slotvast had achtergelaten. De bestelwagen stond op de openbare weg en werknemers van eiseres konden dus ook de wagen openen. Op het ogenblik dat de diefstal wordt gemeld, was er nota bene een medewerker van eiseres materiaal aan het nemen in de bestelwagen.

Voorts kan het gestolen materiaal, dat een waarde vertegenwoordigde van 22.546,73 euro en dat goederen bevat van verschillende pagina’s, bezwaarlijk worden beschouwd als een accessorium van het voertuig.

Ten slotte is er tevens de onzorgvuldigheid/fout van eiseres zelf door een bestelwagen achter te laten, geladen met materiaal van een grote waarde gedurende verschillende dagen zonder verweerster hiervan in kennis te stellen. Voorts is het opmerkelijk dat zij zelf een half jaar wacht om een lijst door te sturen met goederen, waarvan niet kan gecontroleerd of geverifieerd worden dat deze goederen zich wel in de bestelwagen bevonden. Een servicelijst die zich normaliter in het voertuig dient te bevinden en die een opsomming bevat van goederen die zich in het voertuig bevinden, wordt niet voorgelegd. Alsdan had gecontroleerd kunnen worden welke goederen werden ontvreemd.

Verweerster voert dan ook terecht aan dat noch de diefstal, noch een fout van haar, noch de omvang van de schade, noch het causaal verband tussen fout en schade wordt bewezen, zodat de vordering van eiseres ongegrond is.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 08/03/2017 - 14:31
Laatst aangepast op: wo, 08/03/2017 - 14:31

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.