-A +A

De verkoop van bijzondere beleggingsproducten is niet verboden mits de consument genoeg wordt voorgelicht.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
maa, 23/04/2007
A.R.: 
A.R. nr. 2006/AR/275

De speculatie op wisselkoersschommelingen (Interest Rate Currency Swap) is een zeer gevaarlijke beleggingsvorm, maar wanneer een particulier met een degelijk verstandelijk vermogen een dergelijk contract heeft gesloten is hier niets mis mee.

Publicatie
tijdschrift: 
DAOR
Jaargang: 
2008/86
Pagina: 
164
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(n.v. ING België t. W.)

Procedurevoorgaanden en voorwerp van het hoger beroep

1.0p 4 april 2003 liet geïntimeerde appellante dagvaarden voor de eerste rechter.

In haar conclusie vroeg zij dat het door partijen ondertekende IRCS-contract nr. 1451 van 3 april 1998 nietig zou worden verklaard ex tune (met terugwerkende kracht), wegens bedrog in hoofde van appellante en dat deze laatste zou worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding, gelijk aan de uit hoofde van voormeld contract uitbetaalde interesten, en derhalve dat de interesten als verworven zouden worden verklaard in hoofde van geïntimeerde.

In ondergeschikte orde vorderde zij de veroordeling van appellante tot het betalen van een schadevergoeding, gelijk aan de negatieve marktwaarde van de overeenkomst op de datum van de afsluiting, vermeerderd met de sedert de ondertekening van de overeenkomst uitgekeerde interesten.

In uiterst ondergeschikte orde vroeg zij dat appellante zou worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van 374 250,53 EUR ten titel van verlies geleden tijdens de periode van niet-informatieverstrekking.

Tenslotte vroeg zij de verwerping van de tegeneis van appellante en de veroordeling van deze laatste in de kosten.

In ondergeschikte orde vroeg zij de aanstelling van een financieel deskundige.

2. Appellante vroeg dat deze eis ongegrond zou worden verklaard en dat geïntimeerde zou worden veroordeeld in de kosten.

Zij stelde een tegeneis in die ertoe strekte : - in hoofdorde, geïntimeerde te horen veroordelen tot het betalen van de som van 389 708,11 EUR, meer de interest aan de conventionele interestvoet; en

- in ondergeschikte orde, geïntimeerde te horen veroordelen tot het terugbetalen van de door appellante in de loop van de overeenkomst uitbetaalde interesten tot beloop van de som van 210 543,45 EUR.

3. In het bestreden vonnis wordt de op 3 april 1998 aangegane IRCS overeenkomst nietig verklaard, wordt geïntimeerde veroordeeld tot het betalen aan appellante van de som van 210 543,45 EUR, wordt appellante veroordeeld tot het betalen aan geïntimeerde van de som van 2 500 EUR en wordt elk van beide partijen veroordeeld in de helft van de kosten.

4. Appellante vraagt dat dit vonnis teniet zou worden gedaan, dat de vorderingen van geïntimeerde ongegrond zouden worden verklaard, indien ontvankelijk, en dat geïntimeerde zou worden veroordeeld tot het betalen van de som van 3 72 15 3, 99 EUR, meer de verwijlinterest aan de wettelijke rentevoet vanaf 9 april 2003 en de gerechtelijke interest.

In ondergeschikte orde en voor zover het hof zou oordelen dat de indekking door appellante van het IRCS-contract onvoldoende zou zijn aangetoond, vraagt zij dat, alvorens recht zou worden gedaan, een door de C.B.F.A. goedgekeurde bankrevisor zou worden aangesteld als gerechtsdeskundige, met als opdracht onder meer :

- te onderzoeken hoe appellante de IRCScontracten, gesloten met haar cliënteel, tegendraait door de tegenovergestelde contracten te sluiten op de financiële markten, erover wakend dat zijn onderzoek het bankgeheim niet opheft en de commerciële belangen van appellante niet schaadt;

- aan te tonen dat de winst van appellante niet wordt beïnvloed door het verlies van de dient;

- aan te tonen hoe de indekking van contracten in het algemeen bij appellante verloopt;

- aan te tonen hoe Belgische banken in het algemeen contracten met beleggers indekken («hedgen») en aan te tonen dat de methode van indekking (hedging) gehanteerd door appellante, beantwoordt aan de algemeen gangbare methoden van indekking, aanvaard onder het prudentieel toezicht van de C.B.F.A.

In nog meer ondergeschikte orde en voor zover het IRCS-contract nietig zou worden verklaard, vraagt zij dat het incidenteel beroep ongegrond zou worden verklaard en dat geïntimeerde zou worden veroordeeld tot het terugbetalen van de in de loop van de overeenkomst uitbetaalde interesten tot beloop van de som van 210 543,45 EUR, meer de vergoedende interest vanaf 30 juni 2004.

Tenslotte vraagt zij dat geïntimeerde in ieder geval zou worden veroordeeld in de kosten van beide aanleggen.

5. Geïntimeerde vraagt dat het hoger beroep als ongegrond zou worden afgewezen en stelt incidenteel beroep in.

Zij vraagt dat appellante zou worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding, gelijk aan de uit hoofde van het IRCS-contract nr. 1451 uitbetaalde interesten, en derhalve dat de interesten als verworven zouden worden verklaard in haar hoofde, en dat appellante zou worden veroordeeld in de kosten van beide aanleggen.

Overzicht van de relevante feiten

6.Wijlen de heer N., echtgenoot van geïntimeerde, was sedert 1982 klant bij appellante (toen BBL genaamd).

Nadat hij een opleiding had genoten als ingenieur, was hij tijdens zijn beroepsloopbaan actief als ambtenaar bij Euratom.

Nadien ontving hij maandelijks een pensioenvergoeding, die in november 2001 184 841 BEF bedroeg.

Appellante beweert dat zij zijn roerend vermogen schatte op ongeveer 500 000 EUR en zijn onroerend vermogen op ongeveer 250000 EUR, en dit wordt niet tegengesproken door geïntimeerde.

7. Op 31 maart 1998 ondertekenden N. en appellante een «raamcontract/particulieren ( editie 1996) », dat alle bepalingen bevatte die gemeenschappelijk waren voor alle contracten voor afgeleide producten en wisseltermijncontracten die met appellante zouden worden gesloten. In dit contract, waarvan elke bladzijde werd geparafeerd door N., werd onder meer het volgende aangegeven :

« Door hieronder zijn handtekening te plaatsen, erkent de cliënt dat hij alle bepalingen van onderhavig raamcontract heeft gelezen en begrepen, met inbegrip van deze vervat in de Gids van de gebruiker waarvan inhoudstafel in bijlage, die hem minstens 3 werkdagen voor deze dag werd bezorgd, alsook de uitgewerkte voorbeelden uit deze gids. Hij erkent, desgevallend, dat hij van de BBL mondeling alle informatie heeft bekomen die hij wenste te ontvangen. De cliënt stemt in met alle bepalingen van onderhavig raamcontract en met deze die vervat zijn in de Gids van de gebruiker.

Geïntimeerde betwist niet dat deze Gids, met specifieke clausules voor diverse types van contracten (waaronder het IRCS-contract), technische toelichting en cijfervoorbeelden, die wezenlijk deel uitmaakt van het raamcontract, aan N. werd overhandigd, vooraleer hij de hieronder vermelde IRCScontracten ondertekende.

In deze Gids wordt dergelijk contract (Interest Rate Currency Swap of rente- en valutawissel contract) gedefinieerd als een contract waarbij twee partijen overeenkomen kapitalen uitgedrukt in verschillende deviezen te ruilen, gewoonlijk bij de afsluiting of op de vervaldag van het contract, en op bepaalde periodes renten te betalen, berekend op basis van een vaste rentevoet of een vlottende rentevoet toegepast op de geruilde kapitalen.

8. Begin februari 1998 sloot N. een eerste IRCS-contract nr. 113 7 met appellante, met als valutadatum 2 3 februari 1998 en als eindvervaldatum 24 februari 2003, waarbij de notionele bedragen werden uitgedrukt in US dollar en in Zwitserse frank.

Begin maart 1998 sloot hij met appellante een tweede IRCS-contract nr. 1309, met als valutadatum 24 maart 1998 en als eindvervaldatum 24 maart 2003, waarbij de notionele

bedragen werden uitgedrukt in Zweedse kroon en in Nederlandse gulden.

Beide contracten werden voortijdig beëindigd, respectievelijk op 3 april 1998 en op 2 mei 2000, en leverden winst op voor N.

9. Op 3 april 1998 sloten partijen een derde IRCS-contract nr. 1451, met als valutadatum 7 april 1998 en als eindvervaldatum 7 april 2003, waarbij de notionele bedragen werden uitgedrukt in Zweedse kroon en in Zwitserse frank.

Krachtens dit contract verbond N. zich ten aanzien van appellante tot het betalen op termijn, namelijk op 7 april 2003, van de som van 2 970 297 ,03 Zwitserse frank (CHF).

Appellante verbond zich ten aanzien van N. tot het betalen op termijn, namelijk op 7 april 2 00 3, van de som van 15 000 000 Zweedse kroon (SEK).

Appellante verbond zich om tijdens de looptijd van het contract aan N. driemaandelijks een vaste interest te betalen van 5 % per jaar op de som van 15 000 000 SEK, terwijl N. er zich toe verbond om aan appellante eveneens tijdens de looptijd van het contract driemaandelijks een variabele interest (Libor) te betalen op de som van 2 970 297,03 CHF.

De vermogensverschuivingen tussen N. en appellante werden derhalve bepaald door de gecombineerde werking van twee variabelen :

- enerzijds, de wisselkoers van de CHF ten opzichte van de wisselkoers van de SEK, zowel op het ogenblik dat driemaandelijks de interest moest worden betaald, als op het ogenblik van de omzetting van de fondsen op de eindvervaldatum; en

- anderzijds, de vlottende interestvoet Libor op het bedrag in CHF ten opzichte van de vaste interestvoet van 5% per jaar op het bedrag in SEK.

10. Door middel van een fax van 6 april 1998 van een aangestelde van appellante aan N. werden voormelde voorwaarden van dit contract uiteengezet.

Hierbij werd onder meer uitdrukkelijk aangegeven :

«Risico s van deze positie

l .sterke KT rentestijging in CHF; 2.daling van de SEK tegen de CHF;

3 .LT-rentestijging in SEK (om deze positie te liquideren).

Bijgevolg, als in de loop van de S jaar op een bepaald moment de SEK apprecieert t.o. v. de CHF en/of de LT rente in SEK stabiel is tot licht dalend, dan kan u, indien u wenst, uw positie liquideren en uw winst nemen».

N. plaatste zijn handtekening onder deze fax.

11. Op 29 april 1998 stuurde appellante een bevestiging van de termen en voorwaarden van dit contract naar N.

Hierin werd ook vermeld dat de oorspronkelijke minimummarge 21 500 000 BEF (532 971,08 EUR) bedroeg en dat zekerheden moesten worden verstrekt conform art. 6 van het raamcontract, dat dit IRCS-contract zou beheersen.

In een bijlage bij deze contractbevestiging werd eveneens een overzicht gegeven van alle betalingen die tijdens de looptijd van het contract moesten plaatsvinden, en van de bedragen die op de vervaldatum moesten betaald worden.

In een tweede bijlage werd aangegeven dat alle verbintenissen van N. zouden gewaarborgd zijn door :

« verpanding van genoteerde effecten naar goeddunken van de bank met een inschrijving in het dossier "verpande effecten" geopend onder het nummer (. . .). De noteringswaarde van de verpanding zal nooit kleiner mogen zijn dan 6 700 000 BEF of de tegenwaarde ervan in deviezen inpandgeving ten belope van 12 000 000 BEF of de tegenwaarde ervan in deviezen van schuldvorderingen voortvloeiend uit deposito s in rekening (. . .) ».

Deze contractbevestiging, alsook beide bijlagen, werden ondertekend door N., en elke bladzijde werd door hem geparafeerd.

Hij ondertekende diverse pandakten, waardoor hij de betaling van een totaal bedrag van 18 700 000 BEF (463 560,89 EUR) waarborgde.

12. Dit IRCS-contract onderging aanzienlijke verliezen en toen de marktwaarde ervan in september 2001 was gedaald tot een dieptepunt, diende N. op 28 september 2001 een klacht in bij de ombudsman van de Belgische Vereniging van Banken.

Hierin verweet hij aan appellante dat zij tekort was geschoten in haar informatieplicht, alsook in de verplichting om hem regelmatig : op de hoogte houden van de zich opstapelende verliezen.

Het advies van het ombudscollege van 29 april 2002 luidde dat aan appellante geen tekortkoming kon worden verweten met betrekking tot het verschaffen van informatie omtrent het IRCS-contract en de daaraan inherente risico's.

Er werd wel geadviseerd dat appellante tekort was gekomen aan haar verplichting om N. op de hoogte te houden van de marktwaarde van dit contract sedert mei 2000, maar dat de hieruit ontstane schade nog niet kon worden vastgesteld, aangezien het contract nog geen einde had genomen.

N. besliste het contract verder te zetten, maar overleed op 7 juni 2002.

13. Geïntimeerde, zijn echtgenote en rechtsopvolgster, zette het contract verder en ondertekende het raamcontract, de fax van 6 april 1998, de contractbevestiging van 29 april 1998 en de bijlagen, alsook één van de pandakten, die N. voordien had ondertekend.

14. Op 2 september 2002 schreef appellante geïntimeerde aan in de volgende bewoordingen :

«Betreft: voortzetting van het IRCS-contract nr. 14 51, afgesloten met de heer N. op datum van 3 april 1998

Graag bevestigen wij u met dit schrijven onze gesprekken, van 2 september 2002.

Zoals u weet sloot de heer N. op 3 april 1998 het hierboven vermelde IRCS-contract af met BBL. In het kader van dit contract gaf hij aan de bank een effectendossier op zijn naam in pand, met een waarde van 230 589,24 EUR op datum van 30 augustus 2002.

Wij begrijpen dat u de enige eifgename van de heer N. bent, en gaven u de keuze om over te gaan tot een vervroegde liquidatie van de overeenkomst, of om de contracten voort te zetten in eigen naam. Wij gaven u alle inlichtingen met betrekking tot de draagwijdte van die overeenkomst en van de eventuele vervroegde liquidatie ervan.

U drukte uw wens uit het contract voort te zetten in eigen naam. Daartoe bezorgde BBL u het raamcontract, de bevestiging van de voorwaarden van de IRCS in kwestie en de pandakte. U ondertekende het raamcontract voor akkoord.

De (marktwaarde) van de IRCS bedroeg op datum van 2 september 2002 386 360 EUR.

Wij vragen u vriendelijk om de kopie van deze brief voor akkoord te ondertekenen en terug te sturen. Door deze ondertekening verklaart u kennis genomen te hebben van de inhoud van de hierboven vermelde contractuele documenten, ze gelezen en goedgekeurd te hebben. U bent zich bewust van de eventuele verliesrisico s die verbonden zijn aan contracten op afgeleide producten, en verklaart alle rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de hierboven vermelde contracten (raamcontract en bevestiging van de IRCS, pandakte) over te nemen en verder te zetten (..) ».

Dit schrijven werd ondertekend door geïntimeerde.

15. Bij aangetekend schrijven van 26 maart 2003 stelde de raadsman van geïntimeerde appellante in gebreke om zich akkoord te verklaren met een ontbinding met terugwerkende kracht (ex tune) van de overeenkomst, waarbij de intussen betaalde interesten zouden gelden als schadevergoeding ten gunste van geïntimeerde.

In deze brief werd onder meer ingeroepen dat appellante een fout had begaan bij de contractsluiting en zelfs bedrog had gepleegd, en minstens dat N. had gedwaald.

Op de eindvervaldatum bleek het IRCScontract een negatieve marktwaarde te vertonen van 372 153,99 EUR.

Bespreking

Wat het door geïntimeerde ingeroepen bedrog betreft (het beweerde bedrog betreffende de hoedanigheid van appelante wordt besproken onder randnummer 3 5)

16. Geïntimeerde vordert de nietigverklaring van het IRCS-contract nr. 451 wegens bedrog.

Krachtens art. 1116 B.W. is bedrog een oorzaak van nietigheid van de overeenkomst, wanneer de kunstgrepen, door één van de partijen gebezigd, van dien aard zijn dat de andere partij zonder die kunstgrepen klaarblijkelijk het contract niet zou hebben aangegaan. Bedrog wordt niet vermoed, maar moet worden bewezen.

Er moet derhalve sprake zijn van het aanwenden van kunstgrepen of listen, die uitgaan van de medecontractant, met de bewuste bedoeling om de bedrogene te misleiden en aan te zetten tot contracteren, en die doorslaggevend zijn voor het sluiten van de overeenkomst, omdat zonder het bedrog de toestemming niet zou zijn bekomen.

De kunstgrepen kunnen ook bestaan uit het bedrieglijk stilzwijgen of verzwijgen van informatie, namelijk indien men de verplichting had te spreken en bewust of opzettelijk zweeg.

Deze verplichting om te spreken kan voortvloeien uit de wet, de gebruiken, de aard van het contract en de bijzondere omstandigheden waarin de partijen zich bevinden.

17 .Geïntimeerde beweert dat appellante wijlen haar echtgenoot nooit heeft geïnformeerd over het speculatieve karakter van het IRCS-contract, en dit met bedrieglijk opzet, en dat zonder deze kunstgreep dit contract niet zou zijn onderschreven.

Appellante zou dit contract hebben voorgesteld als een veilige belegging met een hoge interestvergoeding, zonder gewag te maken van de mogelijkheid dat grote verliezen zouden worden geleden.

Geïntimeerde beweert ook dat appellante na het overlijden van haar echtgenoot druk heeft uitgeoefend op haar om de overeenkomst verder te zetten, stellende dat deze voortzetting onontbeerlijk was om de nalatenschap van N. te kunnen aanvaarden.

Het hof overweegt hierover het volgende. 18. Appellante beweert dat zij dit contract heeft aangeboden aan haar klanten, uitgaande van een door de meeste financiële analisten verwachte stijging van de waarde van de Zweedse kroon ten opzichte van de Zwitserse frank over een periode van vijfjaren tussen april 1998 en april 2003.

In het licht van de overgelegde stukken wordt niet aangetoond dat het in hoofde van appellante foutief was te verwachten dat het contract globaal winstgevend zou zijn :

- er kon worden aangenomen dat de Zweedse kroon te laag gewaardeerd was en dat de Zwitserse frank in waarde zou dalen en minstens dat het koersverloop van deze munten vrij stabiel zou blijven;

- bovendien bood het renteverschil tussen beide munten (5 % tegenover ongeveer 1,5 % bij de aanvang van het contract) de klant de mogelijkheid om het verlies te beperken, indien de waarde van de Zweedse kroon toch zou dalen ten opzichte van de Zwitserse frank;

- tenslotte was een looptijd van vijf jaren van aard de negatieve gevolgen van plotse en onverwachte koersschommelingen te neutraliseren.

In ieder geval wordt dit niet weerlegd door geïntimeerde.

19. Het IRCS-contract had uiteraard een speculatief karakter en was een risicovol financieel product.

Er bestond een kans op belangrijk financieel voordeel, indien de markt gunstig zou evolueren, maar daartegenover stond dat de klant het risico liep hiermee evenredige verliezen te lijden, indien deze verwachtingen zich niet zouden realiseren.

De hierna besproken stukken tonen echter aan dat appellante N. wel degelijk heeft gewezen op de aan het sluiten van dergelijke overeenkomst inherente risico's.

20.Vooraleer hij het litigieuze IRCS-contract onderschreef, had N. kennis gekregen van een raamcontract, en door het ondertekenen van dit laatste contract op 31 maart 1998, heeft hij de inhoud ervan aanvaard. Hij heeft bovendien elke bladzijde van dit contract geparafeerd.

Geïntimeerde toont niet aan en maakt evenmin aannemelijk dat de overhandiging en ondertekening van dit contract en de overhandiging van de daarbij horende Gids door appellante werden afgedaan als een pure formaliteit.

Het hof verwijst naar de volgende relevante artikelen van dit raamcontract:

«Art. 1. Algemeenheid van de gemeenschappelijke bepalingen

Alle contracten voor afgeleide producten en wisseltermijncontracten gesloten of die gesloten zullen worden tussen de cliënt en de BBL zijn onderworpen aan onderhavige bepalingen, behalve uitdrukkelijk tegenbeding. (..)

Art. 2. Kennis van de risico s

De cliënt verklaart behoorlijk te zijn ingelicht door de BBL over de risico s die verbonden zijn aan

 

de contracten voor afgeleide producten en aan deviezentermijncontracten.

Om hem te helpen bij het beoordelen van deze risico s, heeft de BBL hem een Gids van de gebruiker bezorgd, met specifieke clausules, technische uitleg en uitgewerkte voorbeelden betreffende de voornaamste denkbare contracten. Deze gids maakt integrerend deel uit van onderhavig raamcontract.

De cliënt heeft deze gids gelezen en begrijpt alle clausules en uitleg, evenals de uitgewerkte voorbeelden. Hij is er zich van bewust dat de verliesrisico s die verbonden zijn aan de producten en de contracten die beoogd worden in onderhavige gemeenschappelijke bepalingen en in genoemde gids, reëel zijn in geval van ongunstige evolutie van de betrokken markten ten opzichte van de keuzes gemaakt door de cliënt.

De cliënt is er zich eveneens van bewust dat de risico s die verbonden zijn aan een strategie gericht op het gelijktijdig gebruik van deze producten evenzeer reëel zijn als deze veroorzaakt door het gebruik van slechts één van deze producten.

Er wordt overeengekomen dat elk contract, na het sluiten ervan, het voorwerp zal uitmaken van een Bevestiging waarin alle variabele gegevens worden vermeld die betrekking hebben op het beoogde contract. Deze Bevestiging zal bewijskracht hebben tussen de partijen in het contract.

Art. 3. Financiële middelen van de cliënt - Contractweigering door de BBL

Als de cliënt beslist om dergelijk contract te sluiten met de BBL, dan is dit na rijp beraad en nadat hij heeft vastgesteld dat zijn financiële middelen hem in staat stellen het hoofd te bieden aan de hierboven vermelde verliesrisico s.

Hij verbindt zich ertoe zich regelmatig op de hoogte te houden van de evolutie van de betreffende markten.

Naargelang het haar schikt, kan de BBL weigeren elk nieuw contract te sluiten, of elke verlenging van een bestaand contract te weigeren, onder andere als ze van mening is dat de financiële middelen van de cliënt hem niet (meer) in staat stellen het hoofd te bieden aan de verliesrisico s voor de lopende contracten.

Art. 6. Bijzondere zekerheden

6.1 Naast de eventuele algemene zekerheden waarvan zij geniet, kan de BBL, voor één of meerdere contracten onderworpen aan onderhavige bepalingen, van de cliënt vragen dat hij bijzondere zekerheden samenstelt om de verliezen te dekken die hij zou kunnen oplopen uit hoofde van dit of deze contracten ( . .).

Art. 11. Beperking van aansprakelijkheid

De cliënt weet dat, in de contracten voor afgeleide producten en de wisseltermijncontracten, geen enkele winstzekerheid of geen enkele waarborg van verliesafwezigheid kan bestaan. Hij erkent dat geen enkele vertegenwoordiger van de BBL hem hieromtrent beloftes heeft gedaan.

De BBL kan niet aansprakelijk worden gesteld voor de verliezen opgelopen door de cliënt ingevolge dergelijke contracten behalve indien werd bewezen dat deze verliezen werden veroorzaakt door een zware fout van harentwege.

Art. 14. Varia ( . .)

14. 5 De cliënt geeft de bank onherroepelijk de toestemming om zijn rekeningen in haar boeken te debiteren voor de door hem verschuldigde bedragen en verbindt zich tot het dienovereenkomstig stijven van zijn rekening».

N. werd derhalve uitdrukkelijk gewezen op de (verlies)risico's die verbonden waren aan contracten voor afgeleide producten en aan deviezentermijncontracten.

21.Vervolgens werd hem ook een Gids van de gebruiker overhandigd, waarvan hij kennis kon nemen en waarvan hij de inhoud heeft aanvaard door de ondertekening van het raamcontract.

Deze Gids bevat een uitgebreide theoretische beschrijving van het IRCS-contract en illustreert de werking ervan aan de hand van cijfervoorbeelden.

22. Door middel van een fax van 6 april 1998 werden de voorwaarden van het IRCScontract uiteengezet en werd uitdrukkelijk gewezen op de daaraan verbonden risico's (zie randnummer 10).

N. heeft deze fax ondertekend en heeft hierdoor uitdrukkelijk aangegeven dat hij het IRCS-contract onderschreef met kennis van zaken en bewust van voormelde risico's.

2 3. Tenslotte ontving hij en ondertekende hij de contractbevestiging van 29 april 1998, waarin nogmaals de modaliteiten van het IRCS-contract werden aangegeven en in bijlage een overzicht werd verstrekt van de uit te voeren betalingen

Aan de hand van dit overzicht kon en moest N. zich nogmaals rekenschap geven van de winstkansen en verliesrisico's ingevolge schommelingen van de wisselkoers van beide munten en van de Libor-rente.

Dat deze operatie verlieslatend kon zijn werd bovendien nadrukkelijk bevestigd door het feit dat in deze contractbevestiging een « oorspronkelijke minimummarge» van 21 500 000 BEF (532 971,08 EUR) werd vermeld en dat werd gevraagd dat N. zekerheden zou verschaffen voor een totaal bedrag van minstens 18 700 000 BEF (463 560,89 EUR).

Geïntimeerde maakt niet aannemelijk dat het eisen en verstrekken van deze zekerheden een loutere formaliteit zouden geweest zijn of als dusdanig zouden zijn voorgesteld.

In de Gids van de gebruiker wordt het begrip «oorspronkelijke minimummarge» gedefinieerd als « Geschat risicobedrag als de cliënt in gebreke blijft en de evolutie van de markten niet in de lijn van de verwachtingen ligt. Ten belope van dit bedrag mag de BBL eisen dat de cliënt specifieke zekerheden te haren voordele stelt en/of overgaan tot een toerekening op het eventuele krediet gereserveerd voor de afsluiting van contracten onderworpen aan het Raamcontract».

24. Geïntimeerde maakt verder niet aannemelijk dat voormelde documenten zouden zijn overhandigd en ondertekend, zonder dat er een gesprek werd gevoerd tussen N. en een contactpersoon van appellante, waarin het mechanisme van het product en de daaraan verbonden risico's mondeling werden toegelicht.

Gelet op de opleiding van N. moet bovendien worden aangenomen - en mocht appellante erop vertrouwen - dat hij in staat was de aldus schriftelijk en mondeling verstrekte informatie volledig te begrijpen en dat, indien iets voor hem niet duidelijk zou zijn geweest of indien hij nog vragen zou hebben gehad, hij bijkomende uitleg zou hebben gevraagd.

Dat hij geen specialist zou zijn geweest in financiële producten, noch een ervaren belegger, staat hieraan niet in de weg.

Hij kon wel degelijk beoordelen of hij al dan niet behoorlijk werd ingelicht.

2 5. Geïntimeerde bewijst bijgevolg niet dat appellante informatie heeft verzwegen.

Bovendien toont appellante aan dat zij wel degelijk N. voldoende op de hoogte heeft gesteld van het voorwerp, de modaliteiten, de aard en de werking van het IRCS-contract en van het bestaan en de omvang van de daaraan inherente risico's.

Gelet op de inhoud van voormelde documenten kan niet worden beweerd dat zij er enkel toe strekten appellante in te dekken tegen elke aansprakelijkheid in verband met haar informatieverplichting.

Zij strekten er wel degelijk toe informatie te verstrekken en N. bewust te maken van de risico's in verband met het litigieuze IRCScontract.

Wat het raamcontract en de Gids van de gebruiker betreft, werd deze informatie gegeven in functie van dit contract dat hij kort nadien zou onderschrijven.

Geïntimeerde kan dan ook niet beweren dat deze informatie in het algemeen betrekking had op alle modaliteiten en details van alle mogelijke contracten die in de toekomst konden gesloten worden zonder dat hiervan reeds sprake was in de relatie tussen partijen.

26. Wat de stukken betreft die geïntimeerde voor het eerst in het kader van de beroepsprocedure blijkt te hebben aangewend en die niet ondertekend zijn, noch gedateerd, toont zij vooreerst niet aan dat zij aan N. werden overhandigd vooraleer hij het IRCS-contract heeft onderschreven.

Zij bewijst derhalve niet dat zij zijn beslissing om dit contract aan te gaan hebben beïnvloed.

Bovendien wijzen ook deze stukken op het risico dat de klant verlies zou lijden :

- zie stuk 11 van geïntimeerde : « ( .. ) Is de CHF in waarde gestegen, dan betaalt de cliënt het verschil aan de bank», hetgeen wordt geïllustreerd aan de hand van een cijfervoorbeeld, en«( .. ) omdat er, voornamelijk op de eindvervaldag, een wisselkoersrisico bestaat, vraagt de bank een effektenpand van 11 000 000 BEF als onderbouw van het contract»;

- ook stuk 12 maakt gewag van een hypothese waarin verlies zou worden geleden.

Het gebruik van bewoordingen, zoals «wat is er aan verdiend» en het omschrijven van het verliesscenario als theoretisch, staat aan de vorige overwegingen niet in de weg.

Geïntimeerde bewijst niet dat appellante de indruk zou hebben gewekt dat er enkel een risico bestond dat een deel van de door de betaling van de interesten behaalde winst zou teloorgaan ingevolge het wisselkoersrisico. Uit het bedrag van de te stellen zekerheid, dat veel hoger was dan het totaal bedrag van de verwachte interest, blijkt reeds het tegendeel.

27. Tenslotte toont geïntimeerde niet aan dat appellante haar onder druk heeft gezet om de nalatenschap van N. te aanvaarden en het IRCS-contract verder te zetten.

Overigens moest zij de beslissing inzake de aanvaarding van de nalatenschap nemen, niet alleen in functie van de toenmalige verliespositie van het IRCS-contract, maar in functie van het totale vermogen van haar overleden echtgenoot.

Bovendien werd haar in september 2002 gewezen op de mogelijkheid om het contract voortijdig te beëindigen, maar besliste zij toch met kennis van zaken om deze overeenkomst voort te zetten (zie de door haar ondertekende brief van 2 september 2002).

Er kan niet beweerd worden dat de indruk zou zijn gewekt dat de in dit schrijven aangegeven marktwaarde van het contract een positieve waarde was. Gelet op de inhoud van de klacht die wijlen haar echtgenoot had ingediend bij de ombudsman, op de overzichten die zij na september 2001 van appellante hadden ontvangen, en op de informatie die zij in deze brief erkent gekregen te hebben van appellante, moet zij hebben geweten dat het om een negatieve marktwaarde ging.

28. Klachtbrieven van andere klanten van appellante zijn tenslotte niet relevant.

29. Het besluit is dan ook dat niet wordt bewezen dat appellante kunstgrepen heeft gebruikt door bepaalde informatie te verzwijgen en/of door onrealistische verwachtingen te creëren.

A fortiori wordt niet aangetoond dat dit met bedrieglijk opzet zou zijn gebeurd.

Er kan in dat verband niet worden ingeroepen dat appellante winst had genomen op deze operatie en vervolgens haar verliespositie had ingedekt op de internationale financi-

ële markten, zonder deze indekkingsmogelijkheid eveneens aan te bieden aan N.

Wat het indekken van de positie van appellante en de door haar genomen winst betreft, verwijst het hof naar hetgeen verder in dit arrest zal worden overwogen.

Een dergelijke indekking door de belegger door middel van een tegenovergesteld IRCScontract zou geen zin hebben gehad, aangezien de winst van één van beide contracten zou zijn geneutraliseerd door een evenredig verlies van het andere.

Wat, de beweerde precontractuele aansprakelijkheid van appelante betreft wegens het beweerd niet naleven van haar informatieverplichting

30. Uit alle vorige overwegingen volgt dat aan appellante geen tekortkoming kan worden verweten aan haar informatieverplichting als bankier.

Er wordt inderdaad niet aangetoond dat zij voor of ter gelegenheid van de contractsluiting, minder of andere informatie heeft gegeven omtrent het voorwerp, de modaliteiten, de aard en de werking van het IRCS-contract en omtrent het bestaan en de omvang van de daaraan inherente risico's, dan een normaal voorzichtig en redelijk bankier dit zou hebben gedaan in de gegeven omstandigheden, en rekening houdend met de persoon van N. en met de aard en het voorwerp van dit contract.

Er wordt evenmin bewezen dat de gegeven informatie onjuist, onvolledig of misleidend zou zijn geweest.

Er moet dan ook worden aangenomen dat

N. voldoende accuraat en volledig werd geïnformeerd om met kennis van zaken de (omvang van de) risico's te beoordelen en een beslissing te nemen.

In ieder geval rustte ook op hem, die toch een opleiding van ingenieur had genoten en een belangrijke functie bekleedde of had bekleed, de verplichting om zich te informeren over de aard, het voorwerp en de risico's van het contract dat hij zou onderschrijven, en om bijkomende toelichtingen te vragen, indien hij niet alles begreep, en mocht appellante erop vertrouwen dat hij deze verplichting was nagekomen.

In de gegeven omstandigheden en gelet op het voorwerp van het contract, kon N. er in ieder geval niet zomaar van uitgaan dat er geen risico's zouden zijn.

Dat hij geen expert terzake, noch een ervaren belegger zou zijn geweest staat hieraan niet in de weg.

Wat de ingeroepen dwaling betreft (de beweerde dwaling met betrekking

tot de hoedanigheid van appelante wordt besproken onder randnummer 3 5)

31. Op grond van alle vorige overwegingen oordeelt het hof dat geïntimeerde niet aantoont dat N. bij het aangaan van het IRCS-contract heeft gedwaald omtrent een essentieel element ervan of omtrent een element dat hij als essentieel beschouwde en waarvan hij op een voor appellante kenbare manier het sluiten van de overeenkomst afhankelijk had gemaakt.

Er wordt met andere woorden niet bewezen dat hij de bedoeling had om een ander contract te onderschrijven dan dit risicovol financieel product, noch dat hij ervan uitging dat dit contract een ander voorwerp zou hebben en dat er geen verliesrisico's aan verbonden waren.

In ieder geval zou, gelet op alle vorige overwegingen, een eventuele dwaling in zijn hoofde onverschoonbaar zijn geweest.

Wat de beweerde schending van de zorgvuldigheidsnorm in het algemeen betreft

32. Zelfs indien het niet gebruikelijk is om dergelijke contracten te sluiten met particuliere beleggers, is er geen enkele rechtsgrond om aan te nemen dat het aanbieden en verkoper van een IRCS-contract aan N., zoals het in voorliggend geval werd aangeboden en aangegaan, op zich ongeoorloofd zou zijn geweest en een fout zou hebben uitgemaakt.

Gelet op de verstrekte informatie en op de persoon van N., en aangezien hij in het raamcontract heeft aanvaard en derhalve erkend dat zijn financiële middelen hem in staat stelden om het hoofd te bieden aan de verliesrisico's, kan niet worden beaamd dat er sprake was van blind speculeren door een onbevoegde persoon.

Verwijzingen naar producten van andere banken en naar een advies van de ombudsman van de Belgische Vereniging van Banken daaromtrent zijn niet relevant.

In ieder geval werd N. in de gelegenheid gesteld om, met kennis van zaken en voldoende geïnformeerd over de aard, het voorwerp en de werking van het contract en het bestaan en de omvang van de daaraan verbonden risico's, het hem voorgelegde IRCS-contract al dan niet te onderschrijven.

Tot april 2000 blijkt hij bovendien op regelmatige tijdstippen schriftelijk op de hoogte te zijn gesteld van de waarde van dit contract en van de verwachte evolutie en op gelijk welk tijdstip kon hij voormelde waarde opvolgen door telefonisch contact op te nemen met de daartoe aangewezen dienst van appellante.

Tenslotte kon hij op eender welk ogenblik vragen dat het contract voortijdig zou worden beëindigd, zoals hij dit had gedaan met de vorige IRCS-contracten die hij had aangegaan.

3 3. Dat het contract werd gesloten voor een duur van vijf jaren is op zich niet foutief en kon ingegeven zijn door de verwachtingen die men had op lange termijn.

Dit liet bovendien toe koersschommelingen op korte termijn, te neutraliseren.

Tenslotte beschikte de klant over de mogelijkheid om voortijdig uit het contract te stappen, waarbij dan de liquidatiewaarde zou worden bepaald.

N. en geïntimeerde waren op de hoogte van deze mogelijkheid, aangezien hiervan reeds gebruik was gemaakt in de andere door

N. aangegane IRCS-contracten.

Er zijn geen aanwijzingen om te stellen dat appellante zich hiertegen zou hebben verzet, wel integendeel.

34. Gelet op alle vorige overwegingen wordt niet aangetoond dat appellante is tekort geschoten in haar informatieverplichting, zoals die wordt opgelegd door art. 36 van de Wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs.

Er wordt evenmin bewezen dat appellante : - zich niet optimaal zou hebben ingezet voor de belangen van N. met de nodige bekwaamheid, zorgvuldigheid en toewijding, rekening houdend met de mate van zijn professionele kennis (art. 3 6, § 1, 2 °);

- niet op passende wijze alle dienstige informatie zou hebben ingewonnen betreffende de financiële positie van N., zijn ervaring met beleggingen en zijn beleggingsobjectieven, die redelijkerwijze relevant waren om haar verplichtingen ten aanzien van hem in verband met de gevraagde diensten optimaal te behartigen (art. 3 6, § 1, 4°);

- geen redelijke stappen zou hebben ondernomen om binnen een redelijke termijn N. in een voor hem verstaanbare taal, alle informatie te bezorgen die hem zou toelaten met kennis van zaken een wel afgewogen beslissing te nemen, of niet bereid zou zijn geweest om op louter verzoek van N. of van geïntimeerde op een volledige en eerlijke wijze verslag uit te brengen van haar verbintenissen ten aanzien van hen (art. 36, § 1, 50).

3 5. Art. 3 6, § 1, 6° van voormelde Wet bepaalt dat de bemiddelaars bij transacties in financiële instrumenten elk mogelijk belangenconflict dienen te vermijden. Wanneer dit onvermijdelijk is, dienen zij ervoor te zorgen dat hun klanten op billijke en gelijke wijze worden behandeld, en in voorkomend geval, andere maatregelen op te volgen, zoals rapportering, interne regels inzake vertrouwelijkheid na te leven of te weigeren op te treden. Zij mogen niet op een unfaire wijze hun eigen belangen plaatsen boven de belangen van hun klanten, en wanneer een goed geïnformeerde klant redelijkerwijze mag verwachten dat zij de belangen van hun klant zouden plaatsen boven hun eigen belangen, moeten zij zijn verwachting nakomen.

Geïntimeerde beweert dat er in voorliggend geval sprake was van een belangenconflict tussen appellante en N. om reden dat winst voor de ene verlies voor de andere impliceerde en omgekeerd. Volgens haar zou appellante derhalve rechtstreeks hebben gespeculeerd tegen haar klant op het verloop van de wisselkoersen en van de rentevoeten, en heeft zij haar eigen belangen gesteld boven die van N. en geïntimeerde.

Deze stelling kan niet worden beaamd om de volgende redenen en wordt in ieder geval niet bewezen.

Bij het sluiten van het IRCS-contract is appellante weliswaar opgetreden als juridische tegenpartij van N. en als handelsvennootschap heeft zij hierop een winstmarge genomen (zie verder). Door met kennis van zaken dit contract te onderschrijven, heeft N. de voorwaarden ervan en derhalve de door appellante gemaakte winst aanvaard.

Dit staat er echter niet aan in de weg dat er in voorliggend geval geen aanwijzingen bestaan dat appellante en N. (opgevolgd door geïntimeerde) nadien tegengestelde belangen zouden hebben gehad, dat appellante tegen deze klanten zou hebben gespeculeerd en dat zij haar eigen belangen zou hebben geplaatst boven die van N. en geïntimeerde.

Appellante stelt dat zij ter gelegenheid van het sluiten van het IRCS-contract van 3 april 1998 onmiddellijk haar positie heeft ingedekt door de tegenovergestelde verrichting meteen uit te voeren op de internationale financiele markt en maakt dit ook aannemelijk.

Bij de beoordeling van de stukken die zij terzake neerlegt (uittreksels uit de deviezenrekeningen van appellante, via dewelke de boekingen van haar dienst arbitrage verlopen), neemt het hof aan dat, zoals door appellante wordt aangegeven, de indekkingsverrichtingen globaal worden behandeld, en niet per individueel contract, zodat hun bedragen niet noodzakelijk overeenkomen met de individuele concrete verrichtingen die worden ingedekt.

Uit de overgelegde stukken blijkt :

- dat appellante op 3 april 1998

10 412 075,22 CHF heeft verkocht en 27 889 170,31 SEK heeft aangekocht; en

- dat de CHF-rekening op 6 april 1998 (dit blijkt de eerste werkdag te zijn geweest na 3 april 1998) werd gecrediteerd met het bedrag van 2 970 297 ,03 CHF dat zij later van N. zou moeten ontvangen, en de SEK-rekening op dezelfde dag werd gedebiteerd met het bedrag van 15 000 000 SEK dat zij later aan hem zou betalen.

Aangezien zij ervan uitging dat de operatie voor N. winstgevend zou zijn (de prognose van de stijging van de waarde van de SEK ten opzichte van de CHF), had zij er overigens belang bij om deze positie in te dekken, door al in april 1998 het bedrag in CHF, dat zij later zou ontvangen van haar klant, tegen marktvoorwaarden te verkopen, en door het bedrag in SEK, dat zij later zou moeten leveren aan haar klant, eveneens tegen marktvoorwaarden aan te kopen.

Door de latere koersschommelingen van beide munten ten opzichte van elkaar kon zij dan ook ten opzichte van N. en geïntimeerde geen winst realiseren, noch verlies lijden.

Geïntimeerde brengt geen aanwijzingen aan die zouden wijzen op het tegendeel of op het feit dat appellante, na zich te hebben ingedekt met betrekking tot IRCS-contract nr. 1451, dit nadien zou hebben tenietgedaan.

Het besluit is dan ook dat appellante is opgetreden als bemiddelaar tussen N. en de financiële markten, en derhalve niet heeft gespeculeerd tegen N. en geïntimeerde.

Het is dan ook ten onrechte dat de eerste rechter het IRCS-contract nietig heeft verklaard op grond van deze beweerde tegenstelling van belangen.

Er kan evenmin sprake zijn geweest van bedrog of dwaling omtrent de hoedanigheid van appellante.

Wat de verplichting van appelante betreft om de overeenkomst te goeder trouw uit te voeren

3 6. In art. 11 van de raamovereenkomst werd bedongen dat appellante niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de verliezen, opgelopen door de klant, ingevolge dergelijke contracten, behalve indien zou worden bewezen dat deze verliezen werden veroorzaakt door een zware fout van harentwege.

Het hof stelt vast dat het bewijs hiervan niet wordt geleverd.

3 7. Wat de wisselkoers betreft die appellante heeft bedongen bij het sluiten van het contract (5,05 SEK voor 1 CHF) bestond er een akkoord tussen de partijen, zelfs indien dit niet uitdrukkelijk als winst of vergoeding werd gekwalificeerd in de overeenkomst.

Dat appellante voor zichzelf een gunstigere koers kon bedingen impliceert niet dat zij de overeenkomst te kwader trouw heeft uitgevoerd, maar liet haar precies toe een winstmarge te realiseren op deze operatie.

N., die de wisselkoersverhouding tussen beide munten probleemloos kon nagaan of opvragen, heeft hiertegen trouwens nooit geprotesteerd.

In zoverre geïntimeerde zou inroepen dat terzake bedrog zou zijn gepleegd of dat er zou zijn gedwaald, kan dit bijgevolg evenmin worden aanvaard.

38. Op geregelde tijdstippen werd N. op de hoogte gesteld van de marktwaarde van dit contract en van de verwachte evolutie, waarvan niet wordt beweerd dat dit een bindend advies zou hebben uitgemaakt.

Blijkbaar is dit niet meer het geval geweest vanaf mei 2000 tot september 2001 en geïntimeerde beweert dat N. en zijzelf dan ook geen beslissing konden nemen met betrekking tot het al dan niet beëindigen van het contract.

N. (en nadien geïntimeerde) konden echter in ieder geval op elk tijdstip de marktwaarde en eventuele andere informatie opvragen bij de daartoe aangewezen dienst van appellante.

Bovendien hadden zij krachtens art. 3, tweede lid van het raam contract de verplichting om zich regelmatig op de hoogte te houden van de evolutie van de betreffende markten.

Gelet op de voortdurende negatieve marktwaarde van dit contract, kan niet worden aangenomen dat N. en geïntimeerde ervan uitgingen dat alles gunstig zou verlopen, zolang zij geen anders luidend signaal kregen van appellante.

In ieder geval beschikten zij over de mogelijkheid om het contract voortijdig te beëindigen en hebben zij dit nooit gedaan, noch voor mei 2000, noch tussen mei 2000 en september 2001, noch nadien.

Nochtans vertoonde dit contract reeds een negatieve marktwaarde van bijna 300 000 EUR in oktober 1998, van meer dan 200 000 EUR in augustus 1999 en zelfs van meer dan 400 000 EUR na september 2001, derhalve op tijdstippen waarop zij wel geïnformeerd waren over deze waarden.

Er zijn derhalve geen aanwijzingen om te stellen dat zij dit contract wel voortijdig zouden hebben beëindigd, indien appellante hen ook regelmatig op de hoogte had gehouden in de periode van mei 2000 tot september 2001.

Geïntimeerde toont tenslotte niet aan en maakt evenmin aannemelijk dat appellante zou hebben afgeraden om uit het contract te stappen, en er wordt in ieder geval niet bewezen dat dit een foutief advies zou zijn geweest.

In die omstandigheden oordeelt het hof dat het bewijs niet wordt geleverd van een zware fout vanwege appellante, die bovendien in oorzakelijk verband zou staan met de door geïntimeerde ingeroepen schade.

Besluit wat de hoofdeisen van geïntimeerde betreft

39. Uit alle vorige overwegingen volgt dat de vordering tot nietigverklaring van het IRCS-contract nr. 1451, alsook de vordering tot schadevergoeding van geïntimeerde als ongegrond moeten worden afgewezen.

Het hof acht het niet dienstig een onderzoeksmaatregel te bevelen.

Het bestreden vonnis moet dan ook worden tenietgedaan en de hoofdeisen van geïntimeerde moeten worden verworpen.

Tfàt de tegeneis van appelante betreft

40. Het IRCS-contract is afgelopen op 7 april 2003 en vertoonde toen een negatieve marktwaarde van 372 153,99 EUR.

Overeenkomstig art. 14.5 van de raamovereenkomst en de daarin verleende onherroepelijke toestemming en aangegane verbintenis, heeft appellante de rekening van geïntimeerde gedebiteerd tot beloop van dit bedrag en dient geïntimeerde dit debetsaldo aan te zuiveren.

Deze verplichting vloeit trouwens voort uit art. 62 van het algemeen reglement van de verrichtingen van appellante, dat zij aan geïntimeerde kan tegenwerpen.

Op grond hiervan vordert appellante betaling van de som van 3 72 153,99 EUR, meer de verwijlinterest aan de wettelijke rentevoet vanaf 9 april 2003 en de gerechtelijke interest.

41. Geïntimeerde werpt terzake art. 1965 B.W op, dat bepaalt dat de wet geen rechtsvordering toestaat voor een speelschuld of de betaling van een weddenschap.

Het speculatieve karakter van het door N. onderschreven IRCS-contract impliceert echter niet dat de vordering van appellante

zou kunnen beschouwd worden als een eis tot betaling van een speelschuld of weddenschap.

Appellante kan, om de hierboven aangehaalde redenen, niet worden beschouwd als een financiële tegenpartij van N. en van geïntimeerde, maar was een bemiddelaar tussen N. en de financiële markten, waarbij zij een vergoeding heeft ontvangen voor de door haar geleverde prestaties.

N. nam een wisselpositie in op grond van speculatieve verwachtingen.

Er bestond derhalve een economische verantwoording voor de prestaties over en weer en er was dan ook geen intentie om te spelen of te wedden, zeker niet in hoofde van appellante en a fortiori niet uitsluitend.

De door geïntimeerde opgeworpen exceptie moet bijgevolg worden verworpen.

42. Over het gevorderde bedrag en interest wordt op zich geen betwisting gevoerd.

4 3. Het besluit is dan ook dat de tegeneis van appellante moet worden ingewilligd.

Om deze redenen :

Het Hof,

Verklaart het principaal hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, doch enkel het principaal hoger beroep gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens in zoverre de eisen ontvankelijk werden verklaard.

Opnieuw beslissend,

Wijst de hoofdeisen van geïntimeerde af als ongegrond.

Verklaart de tegeneis van appellante gegrond en veroordeelt geïntimeerde tot het betalen aan appellante van de som van 372 153,99 EUR, meer de verwijlinterest aan de wettelijke rentevoet vanaf 9 april 2003 en de gerechtelijke interest.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 25/07/2016 - 14:36
Laatst aangepast op: ma, 25/07/2016 - 14:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.