-A +A

De verjaring van de actio mandati

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 06/01/2014

de verjaring van de actio mandati

Krachtens artikel 198 §1/4 lid wetboek van vennootschappen verjaren door verloop van vijf jaren alle rechtsvorderingen tegen onder meer zaakvoerders en bestuurders, wegens verrichtingen in verband met hun taak, te rekenen van die verrichting of, indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen vanaf de ontdekking.

Deze bijzondere verjaringstermijn (die afwijkt van de gemeenrechtelijke verjaringstermijn vervat in art. 2262bis BW) is ingegeven door de belangen van het handelsverkeer, aangezien men wil voorkomen dat de zaakvoerders of bestuurders een te lange onzekerheid zouden kennen aangaande de aansprakelijkheid voortvloeiend uit de uitoefening van hun mandaat. Deze verjaringstermijn van art. 198, § 1 W.Venn. vindt toepassing op de aansprakelijkheidsvorderingen tegen bestuurders en dit zowel op contractuele als op quasi-delictuele basis.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/5
Pagina: 
324

Krachtens artikel 198 §1/4 lid wetboek van vennootschappen verjaren door verloop van vijf jaren alle rechtsvorderingen tegen onder meer zaakvoerders en bestuurders, wegens verrichtingen in verband met hun taak, te rekenen van die verrichting of, indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen vanaf de ontdekking.

Deze bijzondere verjaringstermijn (die afwijkt van de gemeenrechtelijke verjaringstermijn vervat in artikel 2262 bis Burgerlijk Wetboek) is ingegeven door de belangen van het handelsverkeer, aangezien men wil voorkomen dat de zaakvoerders op de bestuurders een te lange onzekerheid zouden kennen aangaande de aansprakelijkheid voortvloeiend uit de uitoefening van hun mandaat.
Deze verjaringstermijn van artikel 198 §1 wetboek vennootschappen vindt toepassing op de aansprakelijkheidsvorderingen tegen bestuurders en dit zowel op contractuele als op quasi- delictuele basis.
In een vereffening of in een faillissement wordt vaak vastgesteld dat voormalige bestuurders de vennootschap zouden hebben leeggezogen door indirecte afwerking van cliënteel en door facturatie van prestaties op naam van een andere vennootschap, daar waar de kosten voor deze prestaties wel degelijk door de vennootschap in vereffening of een faillissement werden gedragen.
Het uitgangspunt van de verjaring is in beginsel de datum van de gelaakte verrichting.

Indien de bestuursfout het vervolg is van onlosmakelijk met elkaar verbonden feiten, loopt de verjaring pas vanaf het laatste feit (cassatie 14 februari 1935, Pas. 1935 ,I, pagina 159.
Onrvergoede afwerving van cliënteel is pas op het einde (zijnde de datum van de totale leegloop) een feit
Bij samenhang van meerdere opeenvolgende bestuurders fouten begint te verjaring slechts te lopen vanaf het laatste feit (Gent 18 juni 2009 RABG, 2010,183): de achterliggende idee is dat men de feiten moet zien in hun geheel en niet afzonderlijk van elkaar kan gaan isoleren. Zoniet is er “slechts” een rij van elk “op zich” hij irrelevante feiten.
Artikel 198 §1, vierde lid wetboek van vennootschappen bepaalt dat de termijn van vijf jaar pas begint te lopen vanaf de ontdekking van de verrichtingen, indien deze met opzet verborgen zijn gehouden. Het begrip “opzet” moet hier worden begrepen in de betekenis van het gewild, bewust handelen met als doel het resultaat te bereiken dat een bepaalde handeling of verrichting (of een geheel van handelingen en verrichtingen) verborgen blijft, zonder dat hiervoor enige bedrieglijke handelswijze noodzakelijkerwijze is vereist (zie onder meer Gent 21 september 2009, TRV 2010,418).
De ontdekking heeft slechts plaats wanneer de vereffenaar of de curator te volle de feiten en hun omvang heeft ontdekt en vastgesteld. Hierbij moet men voorzichtig zijn en moet men van een curator of een vereffenaar niet verwachten dat hij op eerste zicht zomaar bedrieglijke handelingen ziet. Zelfs de kennis van eerste aanwijzingen volstaat niet om de termijn te doen lopen. Derhalve begint de termijn slechts te lopen nadat de schadelijder, weze het curator, weze het vereffenaar de volledige toedracht van de feiten en feitelijkheden heeft kunnen vernemen met minstens redelijke zekerheid.
 

Noot: 

Zie Gent 6 januari 2014 RABG 2015/5 pagina 324 met noot van Virginia Siers., Vertrekpunt van de verjaringstermijn voor een vordering wegens bestuurdersaansprakelijkheid RABG, 2015/5 pagina 339.

Dit arrest werd eveneens gepubliceerd in RW 2017-2018, 1669.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 13/03/2016 - 19:09
Laatst aangepast op: zo, 10/06/2018 - 12:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.