-A +A

De termijn van boedelbeschrijving en beraad is ten andere geen fatale of vervaltermijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 05/10/2016

De wettelijke termijn van boedelbeschrijving en beraad is ten andere geen fatale of vervaltermijn.

De enige bedoeling van artt. 797 e.v. BW bestaat erin aan hereditaire of erfrechtelijke schuldeisers een middel te bieden om de erfgerechtigden van hun schuldenaar te dwingen klare wijn te schenken: het betreft een manier om de erfkeuze, die in beginsel gedurende dertig jaar vanaf het openvallen van de nalatenschap kan gebeuren, vervroegd uit te lokken dan wel, bij gebrek aan enige daadwerkelijke erfkeuze, de hoedanigheid van «aanvaardende erfgenaam» langs gerechtelijke weg te laten vaststellen, zij het inter partes, d.w.z. beperkt in de verhouding tot de bewuste schuldeiser, die het initiatief tot de betreffende procedure nam.

...

Pas op het ogenblik dat de boedelbeschrijving uiteindelijk is opgesteld, kan de toetsing gebeuren of deze volledig, nauwkeurig en betrouwbaar is. Eventueel kan alsdan toepassing worden gemaakt van art. 801 BW (zie infra, randnr. 13), mits blijkt dat de erfgenaam wetens en willens en te kwader trouw nagelaten heeft bepaalde zaken te (laten) opnemen in de boedelbeschrijving.

Overigens bepaalt art. 800 uitdrukkelijk dat, na verloop van de wettelijke termijn van boedelbeschrijving en beraad, de erfgenaam nog steeds het recht heeft om een boedelbeschrijving op te maken, op voorwaarde dat deze intussen nog geen daad van aanvaarding heeft gesteld of dat tegen hem geen in kracht van gewijsde getreden vonnis bestaat dat hem veroordeelt tot zuiver aanvaardend erfgenaam.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1430
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BVBA B. t/ L.O. e.a.

...

Voorwerp van de vorderingen

2. Het hoger beroep ingesteld door de BVBA B. (hierna de appellante) tegen het vonnis van Rb. Antwerpen van 17 januari 2014 strekt ertoe, bij hervorming van dit bestreden vonnis, te zeggen voor recht dat O ...... (hierna de geïntimeerden) vervallen zijn van het voorrecht van aanvaarding van boedelbeschrijving, minstens afstand hebben gedaan van dit recht en derhalve beschouwd moeten worden als zuiver aanvaardende erfgenamen.

...

3. Geïntimeerden concluderen tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

...

Feiten en retro-acten

4. Appellante voert aan schuldeiser te zijn van de NV I. uit hoofde van de verzendingen van twee facturen ten bedrage van 86.000,21 euro in totaal.

Geïntimeerde O. en diens vader A., overleden op 26 juni 2012, hierna genoemd de decuius, waren gedelegeerde bestuurders van deze vennootschap.

...

Beoordeling

...

Toelaatbaarheid van de vordering van appellante

6. Geïntimeerden werpen de ontoelaatbaarheid op van de vordering van appellante.

6.1. De eerste rechter verklaarde de vordering van appellante toelaatbaar, maar wees deze af als zijnde ongegrond.

Tegen de toelaatbaarheidsverklaring van de vordering van appellante door de eerste rechter hebben geïntimeerden geen incidenteel hoger beroep aangetekend. Deze vaststelling zou zelfs kunnen volstaan voor de toelaatbaarheidskwestie.

6.2. Hoewel de vordering toelaatbaar werd verklaard, blijkt dat de motivering voor de afwijzing van de vordering door de eerste rechter evenwel was geënt op het gegeven dat appellante niet aantoonde lid te zijn van de Antwerpse Diamantkring CV/Beurs voor Diamanthandel/Diamantclub van Antwerpen C.V./Vrije Diamanthandel NV en zich in die hoedanigheid te kunnen beroepen op het door haar ingeroepen art. 3 van het «gelijkluidend reglement voor de Antwerpse diamantbeurzen». Het hof zal bijgevolg toch nader ingaan op de ingeroepen onontvankelijkheid van de vordering van appellante.

6.3. Appellante manifesteert zich in deze procedure als schuldeiser (emittent van facturen), die betaling vordert van de geïntimeerden, in hun hoedanigheid van erfgenamen/rechtsopvolgers van de decuius, die op zijn beurt als persoonlijke borg gehouden zou zijn tot de schulden van de vennootschap (de debiteur van appellante) waarin hij organieke vertegenwoordiger, c.q. afgevaardigd bestuurder was. Dit statuut verschaft aan appellante een persoonlijk en actueel belang.

Ook heeft zij hiervoor de rechtens vereiste hoedanigheid. Hoedanigheid geldt immers als synoniem van vorderingsbevoegdheid, die niets anders is dan een procesrechtelijke variant van de beschikkingsbevoegdheid over het aangevoerde materiële recht. Hoedanigheid betreft immers de rechtstitel (de wet, een overeenkomst, ...) die een persoon de bevoegdheid verleent om een geschil door een rechter te doen beslechten. In die optiek betreft de hoedanigheid het verband tussen de formele procespartij en het aangevoerde subjectieve – materiële – recht. Voldoende hoedanigheid is aanwezig bij de persoon die kan beschikken over het subjectieve recht, ontleend aan de ingeroepen objectieve rechtsregel.

...

6.4. Er is echter meer. Appellante brengt in haar bundel een aantal stukken bij van een Arbitraal College, meer bepaald de Arbitrale en Verzoeningsraad bij de vzw Federatie der Belgische Diamantbeurzen.

Appellante legt in dat verband zowel de arbitrale uitspraak van 26 februari 2014 neer als de arbitrale sententie in beroep van 18 januari 2016.

Deze uitspraken waren overigens nog niet voorhanden ten tijde van het bestreden vonnis: de arbitrale uitspraak in eerste aanleg dateert van 26 februari 2014, terwijl het bestreden vonnis dateert van voordien, namelijk van 17 januari 2014. Het gaat dan ook niet op aan te voeren dat de eerste rechter de arbitrale uitspraken naast zich neergelegd zou hebben.

...

Precies omdat geïntimeerden partij waren, zijn de arbitrale uitspraken bindend voor hen. Met toepassing van art. 1703 Ger.W. hebben bedoelde uitspraken gezag van gewijsde. Dit hof kan dit gewijsde dan ook niet naast zich neerleggen.

Dat deze arbitrale uitspraken expliciet stellen geen uitspraak te doen over de kwestie van de beneficiaire aanvaarding (thans hier voorwerp van betwisting voor het hof), doet aan het bovenstaande geen afbreuk; het rechterlijk gewijsde heeft immers betrekking op alle geschilpunten waarover wel uitspraak werd gedaan, dus in casu ook over de gebondenheid van geïntimeerden als rechtsvoorgangers van de decuius, inbegrepen de gebondenheid van de decuius zelf aan de bedoelde reglementen en het hierin vervatte derdenbeding.

In voormelde uitspraken (waarbij zij opgemerkt dat de uitspraak in beroep de bestreden sententie in eerste aanleg bevestigt, c.q. het hoger beroep ongegrond verklaart) leest het hof duidelijk dat verweersters (thans huidige geïntimeerden) worden veroordeeld in hun hoedanigheid van erfgenamen (zonder hoofdelijkheid en zonder veroordeling in solidum).

...

6.5. De vordering van appellante is dan ook toelaatbaar.

De gegrondheid

...

11. Het staat vast dat geïntimeerden hun erfoptie reeds hebben uitgeoefend. Zij hebben de nalatenschap van hun rechtsvoorganger aanvaard, zij het onder voorrecht van boedelbeschrijving.

Dat er op heden nog steeds geen boedelbeschrijving is opgesteld, doet aan het bovenstaande geen afbreuk. De erfkeuze is uitgeoefend. Er geldt geen andere voorwaarde om de hoedanigheid van beneficiair aanvaardende erfgenaam aan te nemen dan de aflegging van de verklaring bedoeld in art. 793 BW.

Elke verwijzing naar de termijn van boedelbeschrijving en beraad is zinledig; dit is slechts relevant voor erfgerechtigden, die nog altijd geen standpunt hebben ingenomen ten aanzien van de nalatenschap(sgoederen), c.q. hun erfkeuze nog niet hebben uitgeoefend.

De wettelijke termijn van boedelbeschrijving en beraad is ten andere geen fatale of vervaltermijn.

De enige bedoeling van artt. 797 e.v. BW bestaat erin aan hereditaire of erfrechtelijke schuldeisers een middel te bieden om de erfgerechtigden van hun schuldenaar te dwingen klare wijn te schenken: het betreft een manier om de erfkeuze, die in beginsel gedurende dertig jaar vanaf het openvallen van de nalatenschap kan gebeuren, vervroegd uit te lokken dan wel, bij gebrek aan enige daadwerkelijke erfkeuze, de hoedanigheid van «aanvaardende erfgenaam» langs gerechtelijke weg te laten vaststellen, zij het inter partes, d.w.z. beperkt in de verhouding tot de bewuste schuldeiser, die het initiatief tot de betreffende procedure nam.

...

Pas op het ogenblik dat de boedelbeschrijving uiteindelijk is opgesteld, kan de toetsing gebeuren of deze volledig, nauwkeurig en betrouwbaar is. Eventueel kan alsdan toepassing worden gemaakt van art. 801 BW (zie infra, randnr. 13), mits blijkt dat de erfgenaam wetens en willens en te kwader trouw nagelaten heeft bepaalde zaken te (laten) opnemen in de boedelbeschrijving.

Overigens bepaalt art. 800 uitdrukkelijk dat, na verloop van de wettelijke termijn van boedelbeschrijving en beraad, de erfgenaam nog steeds het recht heeft om een boedelbeschrijving op te maken, op voorwaarde dat deze intussen nog geen daad van aanvaarding heeft gesteld of dat tegen hem geen in kracht van gewijsde getreden vonnis bestaat dat hem veroordeelt tot zuiver aanvaardend erfgenaam.

...

12. Appellante roept de (vaststelling van de) afstand van het voorrecht van boedelbeschrijving in, omdat geïntimeerden een successoraal goed (namelijk een woning) hebben verkocht, zonder voorafgaande rechterlijke machtiging.

12.1. In casu is het essentieel vooraf te beklemtonen dat de bewuste verkoop alleszins dateert van na de verklaring van beneficiaire aanvaarding, zodat alleszins nog geen daad van zuivere aanvaarding was gesteld op het ogenblik dat de boedelscheiding tot stand werd gebracht, door het afleggen van de verklaring. De verklaring van beneficiaire aanvaarding dateert immers van 21 september 2012, terwijl de bewuste verkoop dateerde van 1 oktober 2012.

12.2. De afstand van het voorrecht van boedelbeschrijving is aan geen vormvereisten onderworpen en kan derhalve, zoals in de regel iedere wilsuiting, zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend geschieden.

Een wilsuiting door de beneficiaire erfgenaam is derhalve een voldoende maar noodzakelijke vereiste. De afstand van het voorrecht is het gevolg van een wilsuiting in die zin, geen sanctie van een foutief gedrag. Dit subjectief criterium is precies wat de afstand van het voorrecht van boedelbeschrijving onderscheidt van het verder (randnr. 13 van onderhavig arrest) nog door het hof besproken verval daarvan. In tegenstelling tot het verval, dat een daadwerkelijke straf uitmaakt voor degene die geacht wordt het voorrecht niet te willen verliezen, is de afstand van het voorrecht in beginsel de resultante van een weloverwogen en vrijwillige keuze, van een zekere wil om van het voorrecht afstand te doen.

Aangezien de beneficiaire erfgenaam, gelet op de uitdrukkelijke wilsverklaring om de nalatenschap slechts onder voorrecht te aanvaarden, principieel dient vermoed te worden het voorrecht te willen behouden, kan een feit of gedraging uitgaande van of gesteld door de beneficiaire erfgenaam slechts dan alleen beschouwd worden als een mogelijke afstand van het voorrecht, wanneer dit optreden noodzakelijkerwijze de wil veronderstelt om af te zien van het voordeel van de boedelscheiding en met name zuiver aanvaardend erfgenaam te worden en de schulden van de nalatenschap ultra vires te dragen.

De afstand van het voorrecht van boedelbeschrijving zal in beginsel slechts afgeleid kunnen worden uit beschikkingsdaden, die bovendien, eerder dan door een inmengingsidee, door een vermengingsgedachte zijn ingegeven.

In weerwil van wat appellante beweert, is het stellen van een handeling, die – klassiek – wordt aangemerkt als een daad van beschikking, zoals de verkoop, bovendien niet voldoende. Appellante baseert zich op een letterlijke interpretatie van art. 803 BW, waarin inderdaad sprake is van «beheer».

Uit de verdere onderdelen van art. 803 BW en zeker uit art. 805 BW blijkt echter dat de verkoop van erfgoederen wel degelijk behoort tot de bevoegdheden van een beneficiair aanvaardende erfgenaam. Dat de verkoop slechts kan met machtiging van de rechter, doet hieraan geen afbreuk. Overigens bepaalt art. 803 BW uitdrukkelijk dat de beneficiair aanvaardende erfgenaam niet alleen is belast met het beheer, maar ook met de vereffening van de nalatenschap.

Concreet betekent dit dat de intentie om af te zien van het voordeel van de boedelbeschrijving objectief slechts kan worden afgeleid uit (beschikkings)daden die absoluut onverenigbaar zijn met het principe zelf van de boedelscheiding (de creatie van een doelgebonden beneficiair vermogen) en strijden met de primaire bestemming van het erfrechtelijk actief tot voldoening van de nalatenschapsschuldeisers (en legatarissen). Dit zal o.a. het geval zijn indien een eigen schuld van de erfgenamen zou worden vereffend d.m.v. erfrechtelijk actief. Zich in dat geval nog beroepen op het voorrecht van boedelbeschrijving, staat haaks op de voorheen ingenomen houding.

...

13. Ten onrechte voert appellante ten slotte nog aan dat er sprake zou zijn van een verval van het voorrecht van boedelbeschrijving.

Vooraf zij opgemerkt dat enkel de wet zelf de gronden van verval van het voorrecht van boedelbeschrijving kan bepalen; het verval betreft immers een straf (namelijk een verlies van bepaalde rechten), zij het van civiele aard, zodat het in de regel tot het monopolie van de wetgever behoort om dergelijke straffen in te voeren.

De enige grond tot verval is de heling. Art. 801 BW bepaalt meer in het bijzonder: «Het voorrecht van boedelbeschrijving vervalt voor de erfgenaam die goederen heeft verborgen gehouden, of die, wetens en willens en te kwader trouw, verzuimd heeft goederen van de nalatenschap in de boedelbeschrijving te doen opnemen.» Van heling van erfgoederen is evenwel geen sprake. Er wordt geen heling aangevoerd, laat staan dat heling in rechte zou zijn aangetoond. Dit argument faalt dan ook.

...

Noot: 

• Verlooy, B., « Wanneer is er een stilzwijgende aanvaarding? », R.A.B.G., 2018/3, p. 211-214

Overige rechtsleer

• J. Du Mongh en C. Declerck, “Art. 774 BW”, “Art. 783 BW”, “Art. 785” in X, Erfenissen, schenkingen en testamenten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl.; J. Du Mongh, “Art. 775 BW”, “Art. 789 BW”, “Art. 790 BW”, .;

• M. puelinckx-coene, J. Verstraete, N. Geelhand en I. Verhaert, “Overzicht van rechtspraak. Erfenissen (1996-2004)”, TPR 2005, afl. 2, p. 520-581;

• F. Laliere, Option héréditaire, Reeks Répertoire pratique du droit belge, Bruylant, Brussel, 2016, p. 18 et seq.;

• C. Sluyts en N. Vandebeek, “Aanvaarding en verwerping van de nalatenschap. Vereffening, verdeling en tussengeschillen” in C. Sluyts en N. Vandebeek (eds), Het onroerend goed en de nalatenschap, Mechelen, Kluwer, losbl., p. XIV.E - 104-124.

• S. Mosselmans, “Het optierecht met betrekking tot een nalatenschap, legaat of gift toegevallen aan een beschermde meerderjarige persoon”, T.Fam. 2015, afl. 2-3, p. 86-92;

• V. Vanderhulst, “De meerderjarige beschermde persoon als erfgerechtigde: notariële aandachtspunten bij de uitoefening van het keuzerecht”, NFM 2014, afl. 8, p. 182-202.

Overige rechtspraak

• Cass. 25 maart 2005, C.04.0038.N, www.juridat.be.

• Cass. 5 juli 1883, Pas. 1883, I, p. 343.

• Cass. 23 januari 1998, AR 1303, www.juridat.be.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 03/05/2018 - 18:07
Laatst aangepast op: vr, 04/05/2018 - 15:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.