-A +A

De rechter moet het geschil beslechten overeenkomstig de daarop toepasselijke recht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 11/12/2014
A.R.: 
C.13.0428.F

De rechter is gehouden het geschil te berechten overeenkomstig de daarop toepasselijke rechtsregels; hij heeft de verplichting, mits eerbiediging van het recht van verdediging, ambtshalve de rechtsgronden op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die door de partijen in het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun eisen (1); hiermee moeten worden gelijkgesteld de feiten die de rechter zelf naar voor heeft gebracht uit de elementen die hem regelmatig door de partijen werden voorgelegd. (1) Zie Cass. 14 dec. 2012, AR C.12.0018.N, AC 2012, nr. 690.

Publicatie
tijdschrift: 
jurdat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.12.0599.N
KBC BANK nv, met zetel te 1080 Sint-Jans-Molenbeek, Havenlaan 2,
eiseres,
tegen
C.,
verweerster,
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 31 juli 2012.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 5, 774 en 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek;
- de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek;
- het algemeen rechtsbeginsel krachtens hetwelk de rechter gehouden is om, mits hij het recht van verdediging eerbiedigt, de rechtsnorm te bepalen die van toepassing is op de bij hem ingestelde rechtsvordering en die regel, welke onder meer vervat ligt in de artikelen 5 en 774 Gerechtelijk Wetboek, toe te passen.

Aangevochten beslissingen

De appelrechters verklaren het hoger beroep van verweerster ontvankelijk en gegrond, hervormen het beroepen vonnis en verklaren de oorspronkelijke vordering van eiseres strekkende tot veroordeling van verweerster tot betaling van 123.797,26 euro, te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 28 februari 2001 tot 16 november 2004 en vervolgens met de gerechtelijke intresten, ongegrond en veroordelen eiseres tot de gerechtskosten in beide aanleggen, op grond van de volgende redengeving:

"10.[De verweerster] betwist vooreerst dat de bank te dezen toepassing kan maken van de leer van de verrijking zonder oorzaak.

De actio de in rem verso veronderstelt een vermogensverschuiving zonder enige juridische oorzaak. De ongegronde vermogensverschuiving onderstelt een verrijking en een overeenstemmende verarming alsook het gebrek aan juridische oorzaak. De vordering heeft een subsidiair karakter, wat betekent dat naar die vordering enkel bij gebrek aan een andere (wettelijke, contractuele) kan worden gegrepen. Waar een wet of een contract de toestand regelt, dient geen toevlucht meer te worden genomen tot algemene beginselen.

11. [De verweerster] stelt dat er geen direct causaal verband bestaat tussen de verarming van de [de eiseres] en haar eigen verrijking. De vermogensverschuiving vond immers plaats via het patrimonium van een derde, de heer D..

Het oorzakelijk verband blijkt de dezen wel voorhanden te zijn. Het is immers vereist dat de verrijking voortkomt uit de omstandigheid die de verarming heeft veroorzaakt. De aanwezigheid van zulk causaal verband moet worden beoordeeld aan de hand van de equivalentieleer.

Er dient dus een noodzakelijke band te be-staan tussen de verarming en de verrijking, in de zin dat zonder de verarming de verrijking zich niet had voorgedaan en omgekeerd.

Te dezen heeft de heer D. gelden verduisterd ten nadele van cliënten van de bank, die er toe verplicht werd deze cliënten schadeloos te stellen. De heer D. heeft stiekem en onmiddellijk het geld afgegeven aan [de verweerster], diens echtgenote, met het oog op de investering in de gezinswoning, eigen goed van [de verweerster].

De noodzakelijke band tussen de verarming van de bank en de verrijking van het patrimonium van [de verweerster] staat in deze omstandigheden vast.

12. Verder betwist [de verweerster] dat de aanwas van haar patrimonium geen oorzaak heeft. Hij vindt immers volgens haar zijn oorsprong in de schenking aan haar door de heer D. gedaan.

Van verrijking zonder oorzaak is er geen sprake o.a. als de verrijking het gevolg is van een rechtsfeit of een contract met een andere persoon dan degene die zich heeft verarmd, waardoor het vermogensaccres wordt verantwoord.

Gelet op het bedrieglijk karakter van de ingeroepen schenking kan deze akte echter niet aan [de eiseres] worden tegengeworpen, en zulks ingevolge het algemeen rechtsbeginsel "fraus omnia corumpit". [De eiseres] kan weigeren aan een dergelijke akte uitwerking te verlenen en de schuldenaar beletten het door hem beoogde, verboden resultaat te bereiken, daartoe hoeft zelfs geen pauliaanse rechtsvordering op grond van artikel 1167 Burgerlijk Wetboek te worden ingesteld.
Er bestaat bijgevolg geen toelaatbare oorzaak voor de verrijking van het patrimonium van [de verweerster].

13. Vervolgens stelt [de verweerster] dat de vordering van [de eiseres] niet kan worden ingewilligd omdat niet wordt voldaan aan het ondergeschikte karakter van de actio de in rem verso.

[De verweerster] stelt dat de vordering moet ontzegd worden aan de eisende partij die nog over effectieve en actuele vorderingen beschikt om de vermogensverschuiving ongedaan te maken. Het feit dat een andere schuldenaar kan worden aangesproken, met name de heer D., ontneemt aan [de eiseres] niet het recht om een vordering wegens verrijking zonder oorzaak tegen [de verweerster] in te stellen.

[De eiseres] werpt op dat zij deze vordering tegen de heer D. wel degelijk heeft ingesteld, en een titel tegen deze laatste heeft verkregen, wat niet betwist wordt, maar dat zij er precies niet in slaagt haar titel volledig ten uitvoer te leggen. Het open staande saldo t.a.v.de heer D. zou immers nog 230.086,35 euro in hoofdsom bedragen.

[De verweerster] houdt verder voor dat de bank haar vorderingsrecht tegen haar op grond van artikel 2279, tweede lid, Burgerlijk Wetboek (het recht om gedurende drie jaar een vordering in te stellen tegen de derde verkrijger te goeder trouw in de hypothese van diefstal of verlies) heeft laten verjaren en dat haar verarming dan ook zou te wijten zijn aan een eigen nalatigheid van [de eiseres].

Artikel 2279, tweede lid, Burgerlijk Wetboek is echter te dezen niet van toepassing nu de gevorderde som geen verloren of ontstolen zaak van de bank is; de toepassing van deze bepaling kan niet worden uitgebreid tot andere gevallen van buitenbezitstelling.

14. [De eiseres] ontkent dat [de verweerster] de gelden of titels te goeder trouw heeft ontvangen. De bank beroept zich in tegendeel op volgende elementen:

- [De verweerster] kon, gelet op de vermogenstoestand van haar man, loontrekkende bij dezelfde werkgever, na een eerste echtscheiding, zware alimentatieverplichtingen en inkoop van de voormalige gezinswoonst, onmogelijk hebben gedacht dat de heer D. probleemloos en op wettige wijze een liquide bedrag van 123.797 euro op korte tijd ter beschikking kon stellen;

- [De verweerster], die goed geplaatst was om financiële situaties in te schatten, moest zich toch zelf rekening geven van de riante levensstijl van haar man (dure auto's, ringen en horloges, geschenken...); de verspilzucht van de heer D. werd zelfs bevestigd door de moeder en de tante van de heer D.;

- Deze levensstijl kon kennelijk onmogelijk verklaard worden door de financiële ondersteuning van de moeder en de tante van de heer D. of door de erfenis van diens vader;

- In 2009 heeft de moeder van [de verweerster] op haar kantoor bij de BNP Paribas Fortis twee effecten ter betaling aangeboden die, na onderzoek, bleken deel uit te maken van de goederen die de heer D. ten nadele van Mevr. A. verduisterde; [de eiseres] besluit terecht dat [de verweerster] die na de rechtszaak en de veroordeling van de heer D. niet kon twijfelen aan de illegale oorsprong van de titels, jarenlang gewacht heeft en finaal haar eigen moeder heeft ingeschakeld als witwasser in een poging om de illegale oorsprong van de effecten te verdoezelen.

Uit dit alles leidt [eiseres] af dat [de verweerster] op het ogenblik dat zij de effecten van de heer D. ontving, op de hoogte was, of minstens moest zijn van de misdadige oorsprong ervan, ook al werd zij niet persoonlijk op strafrechtelijk gebied vervolgd.

De aldus beschreven handelwijze van [de verweerster] komt duidelijk neer op een flagrante fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek vanwege [verweerster] t.a.v.de bank, overigens haar werkgever. De omstandigheid dat [de verweerster], in de beschreven omstandigheden, verduisterde effecten, minstens effecten (of het product van de verkoop daarvan) van zeer verdachte oorsprong, zomaar aanvaardde en aanwendde om facturen voor de bouw van haar woning en zwembad te betalen, impliceert immers een grove onzorgvuldigheid jegens haar eigen werkgever, waardoor deze laatste zware schade zou lijden. Een normaal zorgvuldige en voorzichtige persoon had immers in dezelfde omstandigheden geplaatst, de fondsen niet aanvaard en niet voor betaling van facturen aangewend.

Dit betekent meteen dat [de eiseres], overigens volgens haar eigen stelling, een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek tegen [de verweerster] had kunnen instellen en dat haar huidige vordering op grond van de leer van de verrijking zonder oorzaak geen subsidiair karakter ver-toont. Deze vordering kan dan ook niet ingewilligd worden.

Het hoger beroep is gegrond".

Grieven

Uit het algemeen rechtsbeginsel krachtens hetwelk de rechter gehouden is om, mits hij het recht van verdediging eerbiedigt, de rechtsnorm te bepalen die van toepassing is op de bij hem ingestelde rechtsvordering en die regel, welke onder meer vervat ligt in de artikelen 5 en 774 Gerechtelijk Wetboek, toe te passen, vloeit voort dat de rechter gehouden is het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels.

Hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt, waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent. Dit recht van verdediging wordt niet miskend wanneer de rechter zijn beslissing steunt op elementen waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, moeten verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover zij tegenspraak hebben kunnen voeren.

Overeenkomstig artikel 1382 Burgerlijk Wetboek verplicht elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden.

Te dezen vorderde de eiseres de veroordeling van de verweerster tot betaling van 123.797,26 euro, te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 28 februari 2001 tot 16 november 2004 en vervolgens met de gerechtelijke interest.

Als grondslag voor haar vordering liet eiseres gelden dat minstens 4.993.969 frank door de heer D., echtgenoot van de verweerster, ten nadele van cliënten van de eiseres werd verduisterd en dat minstens 4.993.961 frank werd overgemaakt door de heer D. aan de verweerster en werd aangewend voor de betaling van facturen voor de bouw van de woning die eigendom was van de verweerster en dat de verweerster, op het ogenblik dat zij de effecten van de heer D. ontving, op de hoogte was, of minstens moest zijn van de misdadige oorsprong ervan, ook al werd zij niet persoonlijk op strafrechtelijk gebied vervolgd.

Op grond daarvan oordelen de appelrechters dat de aldus beschreven handelwijze van verweerster duidelijk neerkomt op een flagrante fout in de zin van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek vanwege de verweerster ten aanzien van de eiseres, dat de omstandigheid dat verweerster in de beschreven omstandigheden verduisterde effecten, minstens effecten of het product van de verkoop ervan van zeer verdachte oorsprong, zomaar aanvaardde en aanwendde om facturen voor de bouw van haar woning en zwembad te betalen, immers een grote onzorgvuldigheid jegens haar eigen werkgever impliceert, waardoor deze laatste zware schade zou lijden, en dat een normaal zorgvuldige en voorzichtige persoon immers in dezelfde omstandigheden geplaatst, de fondsen niet had aanvaard en niet voor betaling van facturen aangewend.

De appelrechters oordelen evenwel vervolgens dat dit meteen betekent dat de eiseres, overigens volgens haar eigen stelling, een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek tegen de verweerster had kunnen instellen en dat haar huidige vordering op grond van de leer van de verrijking zonder oorzaak geen subsidiair karakter vertoont en dat deze vordering dan ook niet kan worden ingewilligd.

Door op die grondslag de vordering van de eiseres ongegrond te verklaren zonder te onderzoeken of de vordering van eiseres niet gegrond is in toepassing van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek ofschoon zij zelf vaststellen dat de verweerster een grove onzorgvuldigheid heeft begaan jegens de eiseres, waardoor de eiseres zware schade zou lijden, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht en schenden zij het in het middel aangeduide algemeen rechtsbeginsel overeenkomstig hetwelk de rechter gehouden is het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels en hij gehouden is de door de eiser aangevoerde redenen ambtshalve aan te vullen, beginsel dat onder meer vervat ligt in de artikelen 5 en 774 Gerechtelijk Wetboek (schending van het algemeen rechtsbeginsel en van de artikelen 5 en 774 Gerechtelijk Wetboek).

Tevens laten de appelrechters aldus na uitspraak te doen over één van de vorderingen (schending van artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek).

Door vooraf vast te stellen dat de verweerster een grove onzorgvuldigheid heeft begaan jegens de eiseres waardoor deze laatste zware schade lijdt doch vervolgens de vordering tot betaling van 123.797,26 euro onge-grond te verklaren, schenden de appelrechters tevens artikel 1382 Burgerlijk Wet-boek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop toepasselijke rechtsregels. Hij heeft de verplichting, mits eerbiediging van het recht van verdediging, ambtshalve de rechtsgronden op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die door de partijen in het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun eisen. Hiermee moeten worden gelijkgesteld de feiten die de rechter zelf naar voor heeft gebracht uit de elementen die hem regel-matig door de partijen werden voorgelegd.

2. De appelrechters stellen vast dat:
- de echtgenoot van de verweerster zich jegens de eiseres schuldig heeft gemaakt aan verduistering en de gelden werden aangewend voor de bouw van de woning van de verweerster;
- de eiseres haar vordering tegen de verweerster steunt op de leer van de verrijking zonder oorzaak;
- de eiseres aanvoerde dat de verweerster op de hoogte was of minstens diende te zijn van de misdadige oorsprong van de gelden.
De appelrechters oordelen dat:
- de door de eiseres beschreven handelwijze van de verweerster, een flagrante fout is in de zin van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek;
- dit meteen betekent dat de eiseres, volgens haar eigen stelling, een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek tegen de verweerster had kunnen instellen, zodat haar huidige vordering op grond van verrijking zonder oorzaak geen subsidiair karakter vertoont en bijgevolg niet kan worden ingewilligd.

3. De appelrechters die oordelen dat de handelwijze van de verweerster een onrechtmatige daad uitmaakt en de vordering van de eiseres op grond van verrijking zonder oorzaak afwijzen wegens het subsidiaire karakter van deze vordering, zonder ambtshalve, met eerbiediging van het recht van verdediging, de mogelijke toepassing op te werpen van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, miskennen het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter gehouden is het geschil te beslechten over-eenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels.

Het middel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Noot: 

Noot in RW 2015-2016, 940 Het subsidiaire karakter van de verrijking zonder oorzaak bekeken vanuit procesrechtelijke bril: de contouren verfijnd?


Rechtspraak 

• Cass. 14/12/2012, R.W. 2013-2014, 1577

Uittreksel

10. De rechter is ertoe gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van partijen niet miskent.

Hij heeft de plicht ambtshalve de rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die door de partijen in het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun eisen.

Dit houdt niet in dat de rechter ertoe gehouden is alle in het licht van de vaststaande feiten van het geschil mogelijke, maar niet-aangevoerde rechtsgronden op hun toepasselijkheid te onderzoeken, maar enkel dat hij, met eerbiediging van het recht van verdediging, de toepasselijkheid dient te onderzoeken van de niet-aangevoerde rechtsgronden die zich door de feiten zoals zij in het bijzonder worden aangevoerd, onmiskenbaar aan hem opdringen.

11. Het onderdeel gaat ervan uit dat de appelrechters de plicht hadden de vordering van de eiseres ambtshalve te toetsen aan de aansprakelijkheidsregels inzake niet-conforme levering, maar voert niet aan dat de toepassing van die rechtsgrond geboden was door de feiten die door de eiseres in het bijzonder werden aangevoerd.

• Cass. 06/03/2013, AR P12.1596.F, juridat

samenvatting

Bij zijn uitspraak over de vergoeding van de door het slachtoffer van een ongeval geleden schade, moet de rechter de juridische aard onderzoeken van de door de partijen aangevoerde feiten en stukken; hij kan, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen eraan hebben gegeven, de door hen opgeworpen gronden ambtshalve aanvullen door de werkelijke juridische aard van de feiten vast te stellen en te onderzoeken of de vordering van het slachtoffer, anders omschreven, vergoedbare schade kan opleveren.

tekst arrest

Nr. P.12.1596.F
I. 1. V. F.,
2. J. G.,
3. J. M.

tegen
S. C.,
 

II. S. C.,

tegen
1. V. F.,
2. J. G.,
3. J. M.,

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling

A. Cassatieberoepen van V. F., J. G. en J. M.

1. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen het vonnis van 21 mei 2007
De eisers voeren geen middel aan.

2. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen het vonnis van 7 mei 2012
(...)
Tweede middel
Tweede onderdeel
De eiseres J. G., echtgenote van het verongelukte slachtoffer, verwijt met name de appelrechters dat zij door de vergoeding te weigeren van de "préjudice d'accom-pagnement" (begeleidingsschade), het recht op volledige schadevergoeding mis-kennen, bepaald in artikel 1382 van het Franse Burgerlijk Wetboek.

De rechter moet de juridische aard onderzoeken van de door de partijen aange-voerde feiten en stukken. Hij kan, ongeacht de juridische omschrijving die de par-tijen eraan hebben gegeven, de door hen opgeworpen gronden ambtshalve aanvullen.

Artikel 1382 van het Franse Burgerlijk Wetboek, dat op de feiten van de zaak van toepassing is, legt het recht vast van het slachtoffer op volledige vergoeding van de schade die in oorzakelijk verband staat met de fout die de dader heeft begaan.

De eiseres had een uitkering gevorderd, bij wijze van "préjudice d'accompagne-ment", die hierin bestaat dat zij tijdens haar waarschijnlijk overleven niet langer op het slachtoffer kan rekenen voor het vervullen van taken die normaal op beide echtgenoten rusten.

De appelrechters hebben de vergoeding van die schade afgewezen op grond dat de aldus omschreven eis niet onder de definitie valt die het Franse recht daaraan geeft. Het vonnis verwijst dienaangaande naar een "référentiel indicatif régional" (regionale indicatieve tabel) en naar een Frans juridisch woordenboek. Met aanha-ling van die bronnen stelt het vast dat de "préjudice d'accompagnement" overeen-komt met de morele schade die de nabestaanden van het slachtoffer lijden tijdens de traumatische aandoening tot aan het overlijden. Het besluit daaruit dat, aange-zien het slachtoffer bij het ongeval is overleden, de vordering van die schade niet gegrond is.

De appelrechters hebben zodoende niet de werkelijke juridische aard van de feiten vastgesteld en hebben evenmin onderzocht of die vordering in het Franse recht, als materiële schade, vergoedbaar kon zijn.

In zoverre is het middel gegrond.
(...)

Dictum
Het Hof,
Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep van S. C., in zoverre het ge-richt is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering die V. F. tegen hem heeft ingesteld.
Vernietigt het bestreden vonnis van 7 mei 2012 in zoverre het uitspraak doet over de vergoeding van de "préjudice d'accompagnement" van J. G en de "déficit fonc-tionnel partiel" en "préjudice professionnel permanent" van J. M.
Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.
Veroordeelt de eisers V. F. en S. C. tot de kosten van hun cassatieberoep.
Veroordeelt de eisers J. G. en J. M. tot twee derde van de kosten van hun cassatie-beroep en S. C. tot het overige derde.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank te Namen, zitting houdende in hoger beroep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 05/02/2016 - 18:13
Laatst aangepast op: ma, 12/06/2017 - 15:27

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.