-A +A

De notaris maakt geschillen aanhangig bij de rechtbank en uitzonderlijk de partijen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 03/03/2003

Ingeval dat de betrokken partijen het niet eens zijn met de staat van verdeling van de boedelnotaris, maakt deze volgens art. 1219, § 2, Ger. W. een proces-verbaal van beweringen en zwarigheden op dat hij neerlegt ter griffie van de rechtbank. Door die neerlegging maakt de boedelnotaris het geschil aanhangig bij de rechter.

Deze rechtsingang wordt echter niet alleen toegestaan nadat de definitieve vereffeningsstaat is opgemaakt. De boedelnotaris kan ook alle tussengeschillen op die wijze aan het oordeel van de rechter onderwerpen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2004-2005
Pagina: 
344
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

H.M.A. t/ H.L. en H.E.K.M.

1. Wat voorafging

1.1. De Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout heeft bij vonnis van 28 juni 2000 op de eis van L.H., thans eerste geïntimeerde, bevolen dat er op verzoek van de meest naarstige partij, in tegenwoordigheid van de andere partijen of deze behoorlijk opgeroepen en aangemaand, door het ambt van notaris L. W. te B., als minuuthouder, zal worden overgegaan tot de bewerking van berekening, vereffening en verdeling van de huwgemeenschap H.-H. en de nalatenschappen van wijlen E.H. en de heer Henri H., heeft gezegd dat vooraf door het ambt van voornoemde notaris zal worden overgegaan tot de openbare verkoop bij licitatie van de onroerende goederen van dezelfde huwgemeenschap, nalatenschappen en onverdeeldheid afhangende, en heeft notaris P. V. R. te M. aangesteld met last de behoorlijk aangemaande maar niet verschijnende of weerspannige partijen te vertegenwoordigen bij de werkzaamheden van verkoping en vereffening-verdeling en in hun naam en plaats alle akten en processen-verbaal te ondertekenen, met de macht de aandelen te ontvangen, er geldige kwijting van te verlenen en de hypotheekbewaarder te ontslaan van het nemen van een ambtshalve inschrijving. De kosten werden ten laste van de boedel gelegd.

1.2. Tegen dit vonnis werd op 5 september 2000 hoger beroep ingesteld door M.H., thans appellante.

Dit hoger beroep werd bij arrest van het Hof van 24 juni 2002 toelaatbaar maar ongegrond verklaard.

1.3. Inmiddels had L.H. haar deelgenoten in de te vereffenen boedels op 24 november 2000 gedagvaard om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout om er de vervanging van voormelde notaris L.W. te B. als boedelnotaris door een ander notaris te horen bevelen.

Het beroepen vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout van 6 maart 2001 heeft deze eis gegrond verklaard door notaris L.W. te B. ontheffen van zijn voormelde opdracht en door te zijner vervanging notaris L.M. met standplaats te G., aan te stellen met dezelfde opdracht als omschreven in het voormelde vonnis van 28 juni 2000.

1.4. Appellante stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 11 mei 2001.

...

2. De eisen in hoger beroep

2.1. Het doel en de grondslag van de oorspronkelijke eis van eerste geïntimeerde blijken zowel in feite als in rechte uit de inleidende dagvaarding van 24 november 2000 en inzonderheid uit het beroepen vonnis. Het Hof verwijst hiernaar.

2.2. Appellante vordert te zeggen voor recht dat de eerste rechter zich onbevoegd had moeten verklaren om kennis te nemen van de zaak wegens de devolutieve werking van het hoger beroep dat door haar was ingesteld tegen het vonnis van de eerste rechter van 28 juni 2000. Subsidiair verzoekt zij het beroepen vonnis alleszins te wijzigen en de oorspronkelijke eis van eerste geïntimeerde tot vervanging van de notaris L.W. ongegrond te verklaren.

2.3. Eerste geïntimeerde concludeert tot de bevestiging van het vonnis a quo.

...

2.4. Tweede geïntimeerde heeft incidenteel beroep ingesteld. Hij verzoekt, zoals appellante, te zeggen voor recht dat de eerste rechter zich onbevoegd had moeten verklaren wegens de devolutieve werking van het hoger beroep tegen het vonnis van 28 juni 2000. Subsidiair vordert hij de oorspronkelijke eis van eerste geïntimeerde tot vervanging van notaris L.

W. alleszins ongegrond te verklaren.

...

3. De beoordeling

3.1. De bevoegdheid van de eerste rechter

Het is niet betwist door partijen dat het hoger beroep van appellante tegen het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout van 28 juni 2000 beperkt was tot de opdracht die aan de aangestelde notaris werd gegeven. De overige beslissingen van dat vonnis, o.a. de aanstelling van notaris L.W., werden door het hoger beroep van appellante niet aangevochten. De devolutieve werking van het hoger beroep was dan ook begrensd door de beperking die appellante daaraan zelf had gesteld. De beslissing tot aanstelling van notaris L. W. werd door de devolutie niet geraakt. In die omstandigheden bleef de eerste rechter bevoegd om kennis te nemen van een eis tot vervanging van de door hem aangestelde notaris.

3.2. Het hoger beroep van appellante en het incidenteel beroep van tweede geïntimeerde

3.2.1. Volgens de bewoordingen van de inleidende dagvaarding van 24 november 2000 heeft eerste geïntimeerde haar eis tot vervanging van notaris L.W. gebaseerd op het feit dat de notaris in een aan haar raadsman gezonden brief van 31 oktober 2000 verzocht had een initiatief tot zijn vervanging te nemen. Hij schreef: «Mag ik U beleefd verzoeken mij van de door de rechtbank opgelegde zaak te willen vrijstellen. Inzake is het mij onmogelijk een absolute neutrale objectiviteit aan de dag te leggen. Dientengevolge lijkt het mij beter om over te gaan tot de aanstelling van een andere notaris».

In eerste aanleg is uitsluitend op grond hiervan tot de vervanging beslist.

Eerste geïntimeerde had ook voor de eerste rechter nog aangevoerd dat de aangestelde notaris weigerde zijn werkzaamheden aan te vatten of verder te zetten niettegenstaande hij daartoe bij herhaling zou zijn verzocht. In hoger beroep baseert zij haar oorspronkelijke eis opnieuw en hoofdzakelijk hierop.

Appellante en tweede geïntimeerde werpen tegen dat de aangestelde notaris de uitvoering van zijn opdracht wel degelijk aanvatte door partijen op 5 september 2000 bijeen te roepen ter opening van zijn werkzaamheden. Zij voeren aan dat de voortgang van de werkzaamheden vervolgens is geremd door diverse procedures die door partijen ten opzichte van elkaar werden ingesteld, namelijk het hoger beroep van appellante tegen het vonnis van 28 juni 2000 dat de vereffening en verdeling had bevolen, een bij dagvaarding van 28 september 2000 door appellante ingeleid geding tot het doen verlijden van de notariële akte van verkoop van een onroerend goed dat door de de cuius onderhands zou zijn verkocht aan appellante en haar echtgenoot, een procedure ingesteld door eerste geïntimeerde bij de vrederechter te M. tot het aanstellen van een notaris om een boedelbeschrijving op te maken, en onderhavige procedure tot zijn vervanging. Zij besluiten hieruit dat de werkzaamheden van de boedelnotaris werden opgehouden door de diverse voorafgaande betwistingen. Volgens hen is er geen sprake van weigering van de boedelnotaris om zijn opdracht verder uit te voeren.

Zij voegen daaraan toe dat de boedelnotaris in zijn voormelde brief van 31 oktober 2000 geen enkele verduidelijking verschaft over zijn beweerde onmogelijkheid tot objectiviteit in deze aangelegenheid, zodat hierop geen acht moet worden geslagen.

3.2.2. De gronden waarop eerste geïntimeerde haar eis tot vervanging baseert, slaan op de boedelnotaris zelf en op de wijze waarop hij zijn gerechtelijke opdracht uitvoert. Eerste geïntimeerde heeft echter verzuimd de boedelnotaris zelf in het geding te betrekken. Om deze reden alleen reeds kon de eis van eerste geïntimeerde niet gegrond worden verklaard, omdat deze eis alleen was ingesteld tegen partijen van wie het gevorderde niet afdwingbaar was. Appellante noch tweede geïntimeerde waren ten opzichte van eerste geïntimeerde schuldig aan het beweerde gebrek aan onpartijdigheid van de boedelnotaris noch aan zijn wijze van handelen als gerechtelijk mandataris.

Ten overvloede blijken de door eerste geïntimeerde aangevoerde gronden niet bewezen, zodat haar eis ook om die redenen ongegrond moet worden verklaard.

3.2.3. Ingeval dat de betrokken partijen het niet eens zijn met de staat van verdeling van de boedelnotaris, maakt deze volgens art. 1219, § 2, Ger. W. een proces-verbaal van beweringen en zwarigheden op dat hij neerlegt ter griffie van de rechtbank. Door die neerlegging maakt de boedelnotaris het geschil aanhangig bij de rechter.

Deze rechtsingang wordt echter niet alleen toegestaan nadat de definitieve vereffeningsstaat is opgemaakt. De boedelnotaris kan ook alle tussengeschillen op die wijze aan het oordeel van de rechter onderwerpen.

De notaris heeft hiervan te dezen geen gebruik gemaakt. Niettegenstaande de inhoud van zijn voormelde brief van 31 oktober 2001 aan de raadsman van eerste geïntimeerde heeft de notaris geen enkel rechtsgeldig initiatief genomen om van zijn op-dracht te worden ontheven.

Slechts uitzonderlijk kunnen de betrokken partijen zich tussentijds zelf tot de rechter wenden wanneer het functioneren van de boedelnotaris als gerechtelijk mandataris zelf in het gedrang is gekomen. De klager, te dezen eerste geïntimeerde, draagt daarvan dan de bewijslast.

3.2.4. Eerste geïntimeerde baseert haar bewering dat de notaris te dezen niet onpartijdig kan optreden enkel op zijn voormelde brief van de notaris aan haar raadsman van 31 oktober 2001. Deze brief blijkt echter een reactie te zijn op de brief van de raadsman van eerste geïntimeerde van 26 oktober 2001 en op het initiatief van deze laatste om notaris V.H. te T. te vragen een inventaris van de te vereffenen boedels op te stellen. De gebruikte bewoordingen, inzonderheid het gezegde «Inzake is het mij onmogelijk een absolute neutrale objectiviteit aan de dag te leggen», worden door geen enkel nader gepreciseerd, laat staan vaststaand gegeven geschraagd en blijken slechts te verklaren te zijn door de gespannen sfeer die daaraan is voorafgegaan.

Indien zijn ongepaste uitdrukkingen al enige grond hadden, dan had de notaris zelf zich tot de rechter moeten wenden, wat hij niet heeft gedaan. Rekening houdende met de omstandigheden waarin de brief in kwestie is geschreven, levert de inhoud daarvan noch enig ander door eerste geïntimeerde bewezen feit het bewijs dat de boedelnotaris niet als onpartijdig zou optreden of kunnen optreden.

3.2.5. Ook de bewering van eerste geïntimeerde dat de boedelnotaris zou weigeren zijn opdracht uit te voeren, kan niet worden aangenomen.

De omstandigheid dat hij zijn werkzaamheden nog niet heeft verdergezet, levert vooralsnog geen afdoende bewijs van onwil om zijn opdracht uit te voeren. Hij is in die uitvoering immers gehinderd door de diverse procedures die partijen onder elkaar hebben ingezet, zodat aannemelijk is dat de werkzaamheden thans nog niet verder gevorderd zijn. Daaraan staat echter niet in de weg dat inmiddels, o.m. door het arrest van dit Hof van 24 juni 2002 inzake 2000/AR/2223 en het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout van 8 april 2002, gewezen in hoger beroep, voldoende hindernissen blijken opgeruimd te zijn opdat de boedelnotaris zou kunnen handelen overeenkomstig o.m. art. 1213 Ger. W. De beweerde gronden tot vervanging van de boedelnotaris zijn vooralsnog niet afdoende bewezen.

NOOT – onder dit arrest in het RW Betreffende de devolutieve werking van het hoger beroep inzake gerechtelijke vereffening-verdeling en de vervanging van de boedelnotaris, Pignolet met tal van verwijzingen

Noot: 

• Hof van Beroep te Brussel 3e Kamer – 18 december 2012, 3e Kamer – 18 december 2012, RW 2013-2014, 64

A.L. t/ K.R. en C.C.

Antecedenten

Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven van 13 februari 2006 werd de echtscheiding uitgesproken tussen K.R. en C.C. en werd A.L. als notaris aangesteld, belast met de uitvoering van de bewerkingen van vereffening en verdeling.

Het vonnis verwierf kracht van gewijsde en de echtscheiding werd in de registers van de burgerlijke stand overgeschreven.

K.R. stelde vast dat intussen meer dan vijf jaar waren verstreken.

Sedert maart 2011 zouden alle nota’s, stukken en toelichtingen betreffende de standpunten van partijen aan de notaris zijn bezorgd. K.R. zou herhaaldelijk hebben aangedrongen op het verkrijgen van het verslag van de notaris, minstens om een datum mee te delen waarop het verslag zou worden afgewerkt, maar zonder gevolg.

Bij dagvaarding van 22 augustus 2011 vorderde K.R.:

– over te gaan tot aanstelling van een nieuwe notaris ter vervanging van notaris A.L., met verzoek over te gaan tot verderzetting van de vereffening en verdeling van het huwelijksvermogen ontstaan uit het huwelijk tussen K.R. en C.C.;

– A.L. te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in art. 1022 Ger.W.

A.L. verzocht om:

– hem akte te verlenen van het feit dat hij zich gedroeg naar de wijsheid wat het verzoek tot zijn vervanging betreft;

– K.R. en C.C. af te wijzen van hun vordering die ertoe strekte A.L. tot de gerechtskosten inclusief de rechtsplegingsvergoeding te veroordelen.

C.C. verzocht om:

– akte te geven aan haar vrijwillige tussenkomst in de hangende procedure en van het feit dat zij zich gedroeg naar de wijsheid van de rechtbank;

– indien er door de rechtbank tot de vervanging van A.L. zou worden beslist, hem dan te veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten voortvloeiend uit het geding, zijnde voor wat haar betreft een basisrechtsplegingsvergoeding van 1.320 euro.

Vonnis a quo

Bij het bestreden vonnis van 17 november 2011 wordt:

– akte gegeven van de vrijwillige tussenkomst van C.C.;

– notaris A.L. ontheven van zijn opdracht, hem gegeven bij vonnis van 13 februari 2006;

– notaris G.J. te Leuven als boedelnotaris aangesteld en belast met dezelfde opdracht als die vermeld in het vonnis van 13 februari 2006.

De rechtbank veroordeelt A.L. tot betaling aan K.R. van de dagvaardingskosten, begroot op 208,44 euro.

De rechtbank veroordeelt A.L. tot betaling aan K.R. en C.C. samen van een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 euro.

Voorwerp van het hoger beroep

Overeenkomstig zijn verzoekschrift tot hoger beroep en conclusie voor het hof vordert appellant de hervorming van het bestreden vonnis (enkel) in zoverre het hem heeft veroordeeld tot de gerechtskosten, en de kosten als naar recht uit te spreken.

Geïntimeerde K.R. vordert het hoger beroep van appellant als ongegrond af te wijzen, het bestreden vonnis integraal te bevestigen en appellant te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 1.210 euro.

Geïntimeerde C.C. gedraagt zich naar de wijsheid van het hof betreffende de tussen notaris A.L. en K.R. nog bestaande betwisting aangaande de gerechtskosten verbonden aan de vervanging van notaris L., en appellant in ieder geval af te wijzen van zijn vordering haar te veroordelen tot de betaling van de kosten van het hoger beroep.

Beoordeling

...

2. Overwegende dat in deze zaak de wet van 13 augustus 2011, in werking getreden op 1 april 2012, niet van toepassing is;

3. Overwegende dat de oude wet geen regels kent aangaande de vervanging van een door de rechter in het raam van een gerechtelijke vereffening-verdeling aangestelde notaris;

Dat nochtans aangenomen moet worden dat een dergelijke vervanging mogelijk is, onder meer op verzoek van een van de partijen betrokken bij deze vereffening-verdeling;

Dat evenwel de door de rechtbank aangestelde notaris slechts op verzoek van een van de partijen vervangen kan worden voor zover er afdoende bewezen gewichtige redenen voorhanden zijn die het onmogelijk maken dat deze notaris verder zijn opdracht zou uitvoeren, zoals een ernstige nalatigheid in het vervullen van de hem toevertrouwde opdracht, of de feitelijke dan wel juridische onmogelijkheid om deze opdracht verder uit te voeren;

Dat de eerste rechter op basis daarvan geoordeeld heeft dat de aangestelde notaris (hier appellant) in gebreke bleef zijn opdracht tijdig en naar behoren uit te voeren, omdat hij niet reageerde op de diverse verzoeken van partij R. (oorspronkelijk eiser) om een staat van vereffening en verdeling op te maken, en er bovendien reeds sedert 2008 op de rubriekrekening van de aangestelde notaris gelden afkomstig van de verkoop van twee appartementen van partij R. en partij C. geblokkeerd stonden;

Dat de eerste rechter om die reden het verzoek van partij R. tot vervanging van appellant als boedelnotaris gegrond verklaard heeft;

Dat appellant als zodanig niet tegen deze beslissing van de eerste rechter opkomt; dat zijn hoger beroep beperkt is tot het onderdeel van het vonnis a quo waarbij hij tot de gerechtskosten veroordeeld wordt;

4. Overwegende dat de notaris aangesteld in het raam van een gerechtelijke verdeling een zeer specifieke functie bekleedt van verplichte medewerker van de hoven en rechtbanken; dat zijn functie bestaat in de verplichting tot advies, en de hoven en rechtbanken dit advies dienen af te wachten vooraleer uitspraak te kunnen doen, zonder evenwel verplicht te zijn dit advies te volgen;

Dat het feit van aangesteld te zijn door de rechtbank en als medewerker van het gerecht op te treden, aan de aangestelde notaris een bijzonder statuut verleent, waarbij hij, zonder belast te zijn met een rechtsprekende functie, toch in alle onafhankelijkheid en objectiviteit ten aanzien van de partijen een taak dient te vervullen waarbij hij een gerechtelijke opdracht uitoefent onder controle van de rechtbank die hem heeft aangesteld; dat de aangestelde notaris aldus een zending van openbare dienst vervult;

Dat uit wat voorafgaat volgt dat de notaris geen partij is in het geding, zodat er tussen de aangestelde notaris en de partijen geen instantie aanhangig kan zijn, ook niet indien een van de partijen in rechte om zijn vervanging vraagt;

Dat de eis van onafhankelijkheid ten aanzien van de partijen alsook zijn plicht tot strikte objectiviteit meebrengen dat er tussen de aangestelde notaris en de partijen geen procesrechtelijke band kan bestaan; dat is des te meer zo nu ingeval het verzoek van een partij tot vervanging door de rechtbank wordt afgewezen, de aangestelde notaris met dezelfde onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn mandaat verder moet kunnen uitoefenen;

5. Overwegende dat een verzoek tot vervanging van de aangestelde notaris dan ook te beschouwen is als een louter incident dat gerezen is in de procedure van gerechtelijke verdeling, en niet als een nieuwe procedure die los zou staan van en gevoerd zou worden naast de procedure van gerechtelijke verdeling;

Dat weliswaar vereist is dat de aangestelde notaris om wiens vervanging verzocht wordt, inzake wordt geroepen, maar dat dit enkel is voorgeschreven om het recht van verdediging en het beginsel van de mogelijkheid tot tegenspraak te eerbiedigen;

Dat dit op zich echter niet meebrengt dat de aangestelde notaris partij wordt in het geding; dat dit onder meer meebrengt dat de aangestelde notaris geen hoedanigheid heeft om hoger beroep aan te tekenen tegen het vonnis dat tot zijn vervanging beslist, behalve uiteraard, zoals in casu, ingeval zijn hoger beroep beperkt is tot zijn veroordeling tot de gerechtskosten, of tot zijn eventuele veroordeling tot het betalen van een schadevergoeding;

6. Overwegende dat, aangezien de aangestelde notaris geen partij is in het geding waarin om zijn vervanging wordt verzocht, hij ook niet tot de gerechtskosten veroordeeld kan worden ingeval de rechtbank beslist tot zijn vervanging, net zoals hij zelf ook geen veroordeling tot de gerechtskosten kan vorderen van de partij die om zijn vervanging verzoekt ingeval de rechtbank weigert zijn vervanging te bevelen;

Dat zowel eerste als tweede geïntimeerde ten onrechte art. 1017, eerste lid Ger.W. inroepen;

Dat art. 1017, eerste lid Ger.W. weliswaar bepaalt dat ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten moet verwijzen, maar dat, zoals hierboven aangegeven, de aangestelde notaris geen partij is in de zin van art. 1017, eerste lid Ger.W.;

7. Overwegende dat er ten overvloede op gewezen wordt dat, in tegenstelling tot het rechtsmiddel van verhaal op de rechter, waarin een uitdrukkelijke wetsbepaling de magistraat tot verweerder maakt tegenover de eiser die het rechtsmiddel aanwendt (art. 1146-1147 Ger.W.), inzake de vervanging van een in het raam van een gerechtelijke verdeling aangestelde notaris een soortgelijke uitdrukkelijke wettelijke bepaling ontbreekt;

8. Overwegende dat uit al wat voorafgaat volgt dat de eerste rechter ten onrechte appellant heeft veroordeeld in de gerechtskosten;

Dat het hoger beroep gegrond is;

9. Overwegende dat appellant ter zitting van het hof verduidelijkt heeft dat de kosten van het gerechtsdeurwaardersexploot in hoger beroep en van het rolrecht in hoger beroep ten laste moeten worden gelegd van de massa in het raam van de vereffening-verdeling tussen geïntimeerden, en dat hij voor zichzelf geen rechtsplegingsvergoeding vordert, niet alleen niet in eerste aanleg, maar evenmin in hoger beroep (zie proces-verbaal van terechtzitting);

10. Overwegende dat tweede geïntimeerde terecht m.b.t. de kosten van het gerechtsdeurwaardersexploot tot betekening van de akte van hoger beroep opwerpt dat deze voor appellant perfect vermijdbaar waren, en dus nutteloos gedaan werden, omdat appellant ermee kon volstaan overeenkomstig art. 1056, tweede lid Ger.W. bij verzoekschrift hoger beroep aan te tekenen; dat bijgevolg deze kosten van gerechtsdeurwaardersexploot in elk geval ten laste van appellant moet worden gelegd, te begroten op (...);

Dat er voor het overige reden is om op het verzoek van appellant in te gaan.

• Hof van Beroep te Antwerpen, 3e Kamer – 5 november 2014, RW 2014-2015, 1426

L.E. t/ K.M.

1. Wat voorafgaat

De heer E.L. (hierna: de man) en mevrouw M.K. (hierna: de vrouw) zijn uit de echt gescheiden bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren van 7 oktober 2005, dat in kracht van gewijsde getreden is.

Notaris B. Vuylsteke werd aangesteld als notaris-vereffenaar en notaris J. Hougaerts als tweede notaris.

Op verzoek van de man werd notaris B. Vuylsteke, voornoemd, vervangen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren. In zijn plaats werd notaris C. Wouters aangesteld. Laatstgenoemde notaris werd evenwel in ruste gesteld en opgevolgd door notaris R. Van Bael, krachtens art. 54, tweede lid van de Notariswet.

Bij exploot van dagvaarding, betekend op 10 september 2013, vroeg de man de vervanging van notaris Van Bael, voornoemd: de man baseerde zijn verzoek primair op art. 54, tweede lid Notariswet en subsidiair “wegens expressie van partijdigheid en afhankelijkheid, minstens de schijn daartoe”.

Bij het bestreden vonnis van 25 oktober 2013 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren werd de vordering van de man ontvankelijk verklaard, maar afgewezen als ongegrond.

Het hoger beroep van de man strekt ertoe, bij hervorming van het bestreden vonnis, de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en notaris Van Bael, voornoemd, te vervangen door een andere notaris van het arrondissement Limburg.

De vrouw concludeert dat de man een middel gevonden heeft om de notaris steeds weer te doen vervangen en de verdeling zo lang mogelijk uit te stellen, gelet op het feit dat hij uitsluitend alle gemeenschappelijke goederen beheert en alle inkomsten hieruit uitsluitend ontvangt.

Notaris Van Bael, voornoemd, verklaart zich naar de wijsheid van het hof te gedragen (...).

2. Beoordeling

...

2.2. Als meest essentiële grief roept de man in dat art. 6 EVRM, gelezen in samenhang met de grondwettelijke regel inzake openbaarheid van de terechtzitting (art. 148 Gw.) geschonden is, aangezien de zaak niet behandeld werd op een openbare terechtzitting, maar wel in raadkamer. Dit zou volgens de man de nietigheid van het bestreden vonnis opleveren.

Deze grief noopt het Hof ertoe na te gaan of het (nieuwe) art. 1211 Ger.W., zoals ingevoerd door de wet van 13 augustus 2011 houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling, al dan niet van toepassing is op onderhavige procedure.

Art. 1211 Ger.W. bepaalt immers uitdrukkelijk in § 2 dat de behandeling van het verzoek tot vervanging gebeurt op een zitting in raadkamer.

De man concludeert dat deze wetsbepaling geenszins van toepassing is op zaken waarin een vordering tot vereffening werd ingeleid vóór deze datum, zoals het geval zou zijn met onderhavige zaak. Voorts is de man van oordeel dat zijn verzoek primair gebaseerd is op de bepalingen van art. 54 Notariswet.

2.3. Art. 54 Notariswet bepaalt (in zijn relevante beschikkingen): “De in opvolging benoemde notaris is van rechtswege belast met de gerechtelijke opdrachten van zijn voorganger onverminderd het recht van de rechtbank om, op verzoek van een betrokken partij of van de procureur des Konings, een andere notaris aan te stellen” (eigen cursivering van het hof).

Kennelijk baseert de man zijn verzoek tot vervanging op deze laatste zinsnede.

Deze wetsbepaling, die de continuïteit beoogt bij de opvolging van een notaris door in een regel te voorzien die het strikt persoonlijke karakter van gerechtelijke opdrachten verleend aan de notaris – en het hierop geënte beginsel van het verbod van delegatie van deze gerechtelijke opdrachten – verfijnt, heeft evenwel niet als roeping een autonome grond uit te maken tot vervanging van een notaris-vereffenaar. Overigens geldt deze wetsbepaling niet als een procedurevoorschrift. De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek zijn derhalve onverminderd van toepassing op de verzoeken tot vervanging van de notaris belast met een gerechtelijke opdracht in het raam van een gerechtelijke verdeling.

2.4. Krachtens art. 3 Ger.W. zijn de wetten op de rechtspleging onmiddellijk van toepassing op de hangende rechtsgedingen, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald.

De wet van 13 augustus 2011 houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling, die in werking trad op 1 april 2012, bepaalt echter in art. 9: “Op de zaken waarin de vordering tot verdeling hangende is (...) blijven de bepalingen van toepassing zoals die golden voor de inwerkingtreding van deze wet”.

Voornoemd art. 9 vormt een uitzondering op het hierboven vermelde algemeen principe, omdat de wetgever van oordeel was dat de nieuwe regeling niet zomaar onverkort kan worden toegepast op reeds lopende procedures; men ging ervan uit dat dit een resem van tegenstrijdigheden zou teweegbrengen en bijgevolg een cascade van tussentijdse geschillen zou uitlokken, wat eigenlijk haaks zou staan op de doelstellingen van de nieuwe wet.

De niet-onmiddellijke toepassing van de wet op de hangende rechtsgedingen vormt evenwel een uitzondering op de algemene regel (neergelegd in art. 3 Ger.W.), terwijl uitzonderingen beperkend moeten worden geïnterpreteerd. Het hof is dan ook van oordeel dat voor de procedure tot vervanging van de notaris-vereffenaar het oude recht niet kan worden toegepast, c.q. de nieuwe wet dient te worden toegepast. De oude wet regelde het probleem van de vervanging van de notaris-vereffenaar eenvoudigweg niet. De nieuwe wet, die thans een gedetailleerde procedure tot vervanging van de notaris-vereffenaar bevat, kan per definitie niet in conflict komen met de oude wetgeving, omdat deze gewoon onbestaande was. Het doel van de overgangsregeling, namelijk het vermijden van conflicten tussen het oude en het nieuwe recht, kan hier dus niet in het gedrang komen. Het toepassen van de nieuw uitgewerkte regeling tot vervanging van de notaris is evenmin in strijd met de letterlijke bepaling van art. 9 van de wet van 13 augustus 2011 (op de zaken waarin de vordering tot verdeling hangende is ... blijven de bepalingen van toepassing zoals die golden voor de inwerkingtreding van deze wet); in deze aangelegenheid waren er immers geen bepalingen die golden vóór de inwerkingtreding van de wet.

2.5. Art. 1211 Ger.W., dat zoals aangehaald in randnr. 2.2, onderhavige procedure beheerst, bepaalt dat indien er omstandigheden zijn die gerechtvaardigde twijfel doen ontstaan over de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de notaris-vereffenaar, de rechtbank voorziet in zijn vervanging. Diezelfde wetsbepaling bepaalt echter in fine dat geen enkel rechtsmiddel kan worden aangewend tegen de beslissing betreffende de vervanging. De vraag rijst bijgevolg naar de toelaatbaarheid van het hoger beroep van de man.

2.6. De noodzaak blijkt tot ambtshalve heropening van het debat, gelet op het recht van verdediging en het hieronder begrepen beginsel van de tegenspraak ten aanzien van de ambtshalve door het hof gestelde vraag.

Het hof acht het evenwel niet noodzakelijk dat partijen of de notaris-vereffenaar, die reeds uitgebreid aan bod gekomen zijn op de zitting van dit hof van 8 oktober 2014, nog zouden verschijnen. Het volstaat bijgevolg dat partijen hun conclusies met opmerkingen tijdig neerleggen ter griffie (...). Deze werkwijze is proceseconomisch, vermijdt verdere vertraging in de rechtsgang en sluit overigens aan bij de wil van de wetgever (zie art. 775 Ger.W., in zijn actuele versie: “in voorkomend geval ...”).

• Rb. Gent 23 oktober 2012, RW 2014-15, 149;

Rechtsleer:

• S. Mosselmans, “Gerechtelijke vereffening-verdeling: in welke mate kan de wet van 13 augustus 2011 tot hervorming van de gerechtelijke vereffening-verdeling dienen voor “oude dossiers”?” in R. Barbaix en A.-L. Verbeke (eds.), Actuele knelpunten familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 110-111, nr. 4;

• S. Mosselmans, “Overgangsregeling voor de nieuwe Wet aangaande de gerechtelijke vereffening-verdeling” in H. Casman en C. Declerck (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 137-140, nr. 28;

• S. Verstraete, “De vervanging van de notaris-vereffenaar en het overgangsrecht van de wet van 13 augustus 2011 op de gerechtelijke verdeling”, T.Not. 2013, 133-136.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 27/04/2016 - 18:20
Laatst aangepast op: wo, 27/04/2016 - 18:20

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.