-A +A

De factuur dient niet om secundaire verbintenissen uit een overeenkomst vast te stellen zoals schadevergoedingen uit onrechtmatige daad

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 16/01/2017

De factuur dient om primaire verbintenissen uit een overeenkomst vast te stellen. Secundaire verplichtingen uit een overeenkomst (schadeloosstelling wegens wanprestatie) of verbintenissen ontstaan uit andere bronnen dan een overeenkomst (schadeloosstelling uit onrechtmatige daad) kunnen niet op de voor dit document eigen wijze en met alle wettelijke gevolgen worden vastgesteld in een factuur (zie ook: G.L. Ballon, «De factuur» in B. Tilleman en E. Terryn (eds.), Beginselen van Belgisch Privaatrecht. Handels- en economisch recht, Mechelen, Kluwer, 2011, p. 538, nr. 662).

Aangezien een schadeafrekening niet in een factuur in de strikte zin kan worden opgenomen, geldt dus normalerwijze geen verplichting om die afrekening spoedig en gemotiveerd te protesteren. Toch heeft een dergelijke onechte factuur een bepaalde bewijswaarde. Het bestaan en de omvang van de schade kan immers door alle middelen van recht bewezen worden. Wanneer geen vaststelling op tegenspraak gebeurd is, kan toch rekening worden gehouden met de reactie van de ontvanger van de onechte factuur, zoals dat het geval is bij de ontvangst van andere briefwisseling (zie ook: Antwerpen 4 oktober 1999, RHA 2000, 238; Kh. Brussel 18 juni 1990, TBH 1991, 510).

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
351
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV D.P. t/ NV J.W.

I. Feiten

1. J.W. huurde op 25 augustus 2014 een stroomgenerator met kabels bij D.P. Zij heeft in dat verband een huurcontract ondertekend.

Bij de ophaling van de stroomgenerator op 1 september 2014 heeft D.P. een ophaalbon gemaakt, waarop vermeld werd dat er twee kabels ontbraken.

2. D.P. maakte op 30 september 2014 factuur nr. 8143284 op voor de huur van de stroomgenerator, voor een totale som van 12.436,36 euro incl. btw. Op die factuur werd ook vermeld:

«2 25m kabel 240 mm2 powerlock – kabelschoenen 714 21% 1.428

3. Omdat die factuur niet betaald werd, heeft D.P. J.W. in gebreke gesteld bij aangetekende brief die verstuurd werd op 19 december 2014.

4. Op 12 januari 2015 heeft J.W. een som van 10.708,48 euro betaald, namelijk de huursom m.b.t. de stroomgenerator. Het bedrag dat D.P. had aangerekend voor de kabels, werd niet betaald.

5. D.P. heeft J.W. in een e-mailbericht van 19 januari 2015 in gebreke gesteld om het resterende saldo van 1.727,88 euro te betalen.

De verzekeraar van J.W. stuurde op 28 januari 2015 het volgende e-mailbericht naar D.P.:

«Wij contacteren u als makelaar voor onze klant J.W. naar aanleiding van uw e-mailbericht van 20 januari 2015 en noteren dat u onze klant vraagt om gestolen kabels te vergoeden.

«Wij stellen ons evenwel de vraag waarom u van oordeel bent dat de aansprakelijkheid van onze klant in het geding zou zijn. Wij beschikken namelijk in ons dossier niet over elementen waaruit zou blijken dat dit het geval is.

«Bovendien noteren wij dat in uw factuur 8143284 sprake is van twee nieuwe kabels van 25m + kabelschoenen. Indien de aansprakelijkheid van onze klant aan de orde zou zijn (wat volgens ons niet het geval is), dan kan onze klant slechts gevraagd worden de gestolen kabels in werkelijke waarde te vergoeden.

«U zal dan ook begrijpen dat onze klant niet kan ingaan op uw verzoek om het resterende saldo van 1.727,88 euro of 1.742,88 euro te voldoen. Gelieve onze klant hiervoor een credit nota over te maken.»

De advocaat van D.P. heeft op 13 februari 2015 een aangetekende brief en een e-mailbericht gestuurd naar J.W.

Die ingebrekestelling werd betwist door de verzekeraar van J.W.

Er volgde een briefwisseling tussen de advocaat van D.P. en de verzekeraar en de advocaat van J.W.

II. Procedure

6. Aangezien beide partijen op hun standpunt bleven, heeft D.P. deze zaak ingeleid bij dagvaarding die op 1 juni 2015 werd betekend aan J.W.

...

IV. Beoordeling

...

A. Huursom

10. Tussen D.P. en J.W. is op 25 augustus 2014 een huurovereenkomst tot stand gekomen m.b.t. een stroomgenerator.

11. Een «kennisnamebeding» is een beding dat stipuleert dat de wederpartij (die de algemene voorwaarden niet heeft opgesteld) uitdrukkelijk verklaart kennis te hebben genomen van de algemene voorwaarden. Door de ondertekening van een dergelijk beding maken de algemene voorwaarden expliciet deel uit van de contractuele relatie (zie ook: Kh. Dendermonde 7 november 2013, RW 2015-16, 275; Rb. Brussel 2 december 2008, RW 2010-11, 377; J. Schraeyen (ed.), Algemene voorwaarden, Brussel, Larcier, 2012, p. 12, nr. 35).

Een handelaar die een bestelbon ondertekent onder de uitdrukkelijke erkenning dat kennis werd genomen van de algemene voorwaarden, kan naderhand niet meer nuttig aanvoeren dat hij – in strijd met zijn eigen bekentenis – in werkelijkheid geen kennis had van die voorwaarden. De handelaar zou daartoe minstens het bewijs dienen te leveren dat het voor hem onmogelijk was kennis te hebben van die voorwaarden (zie ook: Gent 27 juni 2001, TBBR 2004, 261, noot A. De Boeck).

In deze zaak werd op het huurcontract vermeld:

«Door ondertekening gaat de klant akkoord met de algemene huur- en verkoopsvoorwaarden (...).»

J.W. heeft dat huurcontract ondertekend, zodat zij akkoord is gegaan met die algemene voorwaarden, wat impliceert dat zij aanvaard heeft dat zij kennis kon nemen van die voorwaarden. Zij levert niet het bewijs dat het voor haar onmogelijk was om kennis te hebben van de voorwaarden.

Redelijkerwijze kan aangenomen worden dat de «Algemene verkoop- en verhuurvoorwaarden D.P. NV/SA mei 2013» van D.P. nog van toepassing waren op 25 augustus 2014.

12. D.P. heeft de huurprijs voor de stroomgenerator aangerekend in factuur nr. 8143284 van 30 september 2014. De vervaldag van die factuur was 30 oktober 2014.

J.W. betwistte niet dat zij de huurprijs verschuldigd is en betaalde de som van 10.708,48 euro op 12 januari 2015 aan D.P.

13. Aangezien die betaling laattijdig was, kan D.P. volgens haar algemene voorwaarden aanspraak maken op een schadebeding en intrest.

Art. VIII van de algemene voorwaarden bepaalt:

«(...) – is de betrokken klant van rechtswege en zonder voorafgaande aanmaning een forfaitaire schadevergoeding verschuldigd ten belope van 10% van de verschuldigde bedragen;

– is de betrokken klant van rechtswege en zonder voorafgaande aanmaning een interest verschuldigd gelijk aan intrestvoet toegepast door de Europese Centrale Bank bij zijn hoofdactiviteit van herfinanciering zoals bepaald door de wet van 2 augustus 2002, vermeerderd met zeven percentpunten en afgerond tot het volgende halve percentpunt.»

J.W. heeft de factuur ongeveer 2,5 maanden te laat betaald, zodat zij een schadebeding van 10% verschuldigd is. De totale huursom bedroeg 10.708,48 euro, incl. btw, zodat J.W. volgens art. VIII van de algemene voorwaarden een schadebeding van 1.070,85 euro verschuldigd is.

Het bedrag van het schadebeding wordt verhoogd met de moratoire intrest aan de wettelijke intrestvoet (wet van 5 mei 1865) vanaf 1 juni 2015 (datum van de dagvaarding) tot de dag van de volledige betaling.

14. Uit diezelfde bepaling van de algemene voorwaarden volgt dat J.W. op de laattijdig betaalde huursom van 10.708,48 euro een intrest verschuldigd is vanaf 31 oktober 2014 (dag na de vervaldag) tot 12 januari 2015 (dag van de ontvangst van de betaling). Die moratoire intrest is verschuldigd aan de intrestvoet van 7,5% per jaar, namelijk aan de referentie-intrestvoet vermeerderd met zeven procentpunten en afgerond tot het hogere halve percentpunt of één procentpunt minder dan de intrestvoet zoals bepaald volgens art. 5 van de wet van 2 augustus 2002 («de intrest tegen de referentie-intrestvoet vermeerderd met acht procentpunten en afgerond tot het hogere halve procentpunt», meer bepaald aan de intrestvoet van 8,5% die vanaf 1 juli 2014 van toepassing was voor overeenkomsten gesloten vanaf 16 maart 2013).

D.P. vordert dat er voor de periode vanaf 1 juni 2015 (datum van de dagvaarding) tot de dag van de volledige betaling intrest wordt toegekend, onder meer op de verschuldigde intrest. Een dergelijk algemeen verzoek kan evenwel niet gelden als een gerechtelijke aanmaning in de zin van art. 1154 BW in verband met de kapitalisatie van vervallen intresten.

15. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel waarbij het subjectief recht vervalt of niet meer kan worden ingeroepen wanneer de houder ervan een met zijn recht objectief onverenigbare houding heeft aangenomen door het wettig vertrouwen van zijn debiteur te misleiden. Door het niet onmiddellijk uitoefenen of verder uitoefenen van een recht of door een houding aan te nemen als zou hij het niet uitoefenen of verder uitoefenen, verliest de schuldeiser zijn recht niet, tenzij er sprake is van afstand van recht, verjaring, rechtsmisbruik of indien de wet uitzonderingen bepaalt (zie ook: Cass. 17 oktober 2008, Pas. 2008, 2278; Gent 8 oktober 2014, NJW 2015, 919, noot P. Brulez).

Het is niet bewezen dat D.P. afstand van recht heeft gedaan of rechtsmisbruik heeft gepleegd. Uit het enkele feit dat de advocaat van D.P. in de ingebrekestelling van 12 februari 2015 slechts een schadebeding van 172,79 euro vorderde, kan geen afstand van recht worden afgeleid. Dat is immers geen feit dat voor geen andere interpretatie dan een afstand vatbaar is, aangezien die ingebrekestelling «onder voorbehoud van alle recht» werd toegezonden aan J.W.

B. Ontbrekende kabels

16. De wettelijke bepalingen inzake de huur van onroerende goederen (artt. 1714 e.v. BW) zijn ook van toepassing op de huur van roerende goederen, voor zover die regels niet in strijd zijn met de aard zelf van de verhuurde roerende zaken en niet uitsluitend gerechtvaardigd kunnen worden op grond van overwegingen die eigen zijn aan de huur van onroerende goederen (zie ook: Cass. 8 april 1943, Arr.Cass. 1943, 85; J. Van Hoof, «Art. 1713 BW» in Bijzondere overeenkomsten. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, Kluwer, 1992, 2).

De huurder is aansprakelijk voor de beschadigingen of verliezen die gedurende zijn huurtijd ontstaan, tenzij hij bewijst dat die buiten zijn schuld hebben plaatsgehad (art. 1732 BW). Op het einde van de huurtijd moet de huurder het goed teruggeven in de staat waarin het zich bevond bij het begin van de huur (zie ook: A.L. Verbeke e.a., Bijzondere overeenkomsten in kort bestek, Antwerpen, Intersentia, 2016, 149).

17. Er bestaat geen betwisting over het feit dat er twee kabels ontbraken toen de stroomgenerator op 1 september 2014 werd opgehaald bij J.W. Dat blijkt uit de vermelding op de door J.W. ondertekende ophaalbon.

J.W., die niet bewijst dat het verlies van die kabels buiten haar schuld heeft plaatsgehad, is volgens art. 1732 BW aansprakelijk voor dat verlies. Die verplichting volgt ook uit art. VII van de algemene voorwaarden van D.P.

De waarde van de bewuste kabels diende dus vergoed te worden door J.W.

18. De factuur dient om primaire verbintenissen uit een overeenkomst vast te stellen. Secundaire verplichtingen uit een overeenkomst (schadeloosstelling wegens wanprestatie) of verbintenissen ontstaan uit andere bronnen dan een overeenkomst (schadeloosstelling uit onrechtmatige daad) kunnen niet op de voor dit document eigen wijze en met alle wettelijke gevolgen worden vastgesteld in een factuur (zie ook: G.L. Ballon, «De factuur» in B. Tilleman en E. Terryn (eds.), Beginselen van Belgisch Privaatrecht. Handels- en economisch recht, Mechelen, Kluwer, 2011, p. 538, nr. 662).

Aangezien een schadeafrekening niet in een factuur in de strikte zin kan worden opgenomen, geldt dus normalerwijze geen verplichting om die afrekening spoedig en gemotiveerd te protesteren. Toch heeft een dergelijke onechte factuur een bepaalde bewijswaarde. Het bestaan en de omvang van de schade kan immers door alle middelen van recht bewezen worden. Wanneer geen vaststelling op tegenspraak gebeurd is, kan toch rekening worden gehouden met de reactie van de ontvanger van de onechte factuur, zoals dat het geval is bij de ontvangst van andere briefwisseling (zie ook: Antwerpen 4 oktober 1999, RHA 2000, 238; Kh. Brussel 18 juni 1990, TBH 1991, 510).

19. D.P. heeft op 30 september 2014 een «factuur» opgemaakt, waarin een som van 1.428,00 euro verhoogd met btw werd aangerekend voor de kabels en kabelschoenen. Die «factuur» is een onechte factuur, namelijk een schadeafrekening.

J.W. toont niet aan dat zij tijdig geprotesteerd heeft nadat zij die schadeafrekening en de aangetekende brief van 19 december 2014 had ontvangen. Pas uit de deelbetaling van J.W. op 12 januari 2015 kan worden afgeleid dat zij niet akkoord ging met de schadeafrekening, aangezien zij het aangerekende schadebedrag onbetaald liet. Dat impliciete protest, dat pas na 3,5 maand geformuleerd werd, was laattijdig. Daaruit leidt de rechtbank af dat J.W. het bestaan en de omvang van de schade aanvaard heeft. Bovendien blijkt nergens uit dat het aangerekende bedrag niet aanvaarbaar is.

D.P. bepaalt de schade immers op een som van 714 euro, excl. btw, per kabel, met inbegrip van de kabelschoenen. Ze legt een offerte voor van een leverancier, namelijk R.B., waaruit blijkt dat een «Prysmian»-kabel van 25 meter (H07RN-F 1x240) 602,50 euro excl. btw kost. J.W. legt een offerte voor van dezelfde leverancier R.B. waaruit blijkt dat een ander type kabel, namelijk CTFBN (H07RN-F 1x240), 536,57 euro excl. btw kost. De uitleg van D.P. dat een «Prysmian»-kabel veel soepeler en meer geschikt is voor verhuur, is evenwel aanvaardbaar.

Het is aannemelijk dat D.P. daarnaast kosten heeft moeten maken voor de aankoop van kabelschoenen (twee kabelschoenen: 51,50 euro) en voor de montage van die kabelschoenen, het krimpen en de etikettering (60 euro).

Er zijn geen aanwijzingen dat de prijs van 714 euro excl. btw per kabel die D.P. bepaald heeft, niet redelijk is (namelijk 602,50 euro voor de kabel + 51,50 euro voor de kabelschoenen + 60 euro voor de prestaties om de kabel geschikt te maken voor verhuur). In totaal is J.W. een som van 1.428 euro verschuldigd voor de ontbrekende kabels (namelijk 714 euro x 2).

...

19. De schadevergoeding moet worden verhoogd met de vergoedende intrest aan de wettelijke intrestvoet (wet van 5 mei 1865) vanaf 19 december 2014 (datum van de eerste ingebrekestelling) tot heden en vanaf heden met de moratoire intrest op de som van 1.428 euro aan dezelfde intrestvoet tot de dag van de volledige betaling.

Aangezien de schadevergoeding niet het voorwerp kan uitmaken van een echte factuur, is er geen schadebeding verschuldigd wegens de laattijdige betaling van die schadevergoeding.

...

 

Noot: 

Pieter Brulez, Kennisname van Algemene voorwaarden door handelaar, NJW 2017, 541

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 26/10/2017 - 13:39
Laatst aangepast op: di, 10/04/2018 - 11:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.