-A +A

De derde verkrijger hoeft goede trouw niet te bewijzen en mag afgaan op feitelijk bezit maar heeft toch een onderzoeksplicht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 21/01/2008
A.R.: 
A.R. nr. 2006/AR/2323

Artikel 2279, eerste lid, B.W., krachtens hetwelk het bezit geldt als titel (van eigendom) creëert ten gunste van de bezitter een weerlegbaar vermoeden van het bestaan van een geldige eigendomstitel (vgl. Cass. 24 september 2007, RW 2008-09, 825).

Overeenkomstig de artikelen 2230 B.W. en 2268 B.W. wordt zijn bezit als eigenaar en zijn goede trouw vermoed. Het behoort derhalve aan de revindicant de afwezigheid van goede trouw in hoofde van de bezitter te bewijzen.

Zo ook moet de revindicant, die beweert dat het bezit gebrekkig is, dit bewijzen. De toepassing van artikel 2279, eerste lid, B.W. vereist immers een bezit dat voldoet aan de vereisten van artikel 2229 B.W. Dit bewijs kan met alle middelen geleverd worden, waaronder dus ook met vermoedens, voor zover ze voldoende gewichtig, bepaald en met elkaar in overeenstemming zijn.

Een deugdelijk bezit in de zin van artikel 2229 B.W. moet voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig zijn.

Een bezit is openbaar wanneer het zich veruitwendigt door zichtbare handelingen. Het bezit is niet openbaar wanneer de houder zijn materiële bezitsdaden tracht verborgen te houden voor personen die er belang zouden bij hebben van die daden kennis te hebben om desgevallend het deugdelijk en regelmatig karakter van het bezit te kunnen betwisten. Dit beantwoordt aan de ratio legis van de openbaarheidsvereiste, nl. dat al degenen die er belang bij hebben moeten weten of kunnen weten dat iemand anders in het bezit is van het goed.

Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit (artikel 1349 B.W.). De rechter kan feitelijke vermoedens slechts aannemen wanneer zij hem voldoende zekerheid geven omtrent het bestaan van het vast te stellen feit dat hij uit een bekend feit afleidt (vgl. Cass. 13 juni 2003, JLMB, 2005, 202). Voor het bewijs met vermoedens is het bestaan van verscheidende vermoedens niet vereist. Eén vermoeden kan volstaan op voorwaarde dat het doorslaggevend is.

Edoch

Alhoewel de derde-verkrijger zijn goede trouw niet dient te bewijzen (art. 2268 B. W) en dus in beginsel mag afgaan op het feitelijk bezit van de vervreemder, heeft deze toch een onderzoeksplicht. Goede trouw kan enkel worden aanvaard indien de derde-verkrijger niet wist en ook niet behoorde te weten dat de ver¬vreemder beschikkingsonbevoegd was. Nu de leasinggever naliet zich te vergewissen van de daadwerkelijke eigendomsrechten van de concessiegever, kan hij zich niet op zijn goede trouw beroepen.

Publicatie
tijdschrift: 
DAOR
Jaargang: 
2008/86
Pagina: 
144
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(KBC Lease Belgium n.v.t. n.v. MT-Lift)

[ ... ]

Kort samengevat komen de relevante feiten hierop neer dat geïntimeerde, als importeur van heftrucks, vorkheftrucks en magazijntoestellen, sedert oktober 1997 dergelijke trucks verkocht aan haar niet exclusieve concessiehouder n.v. MTC.

Nadat zij aanvankelijk beroep deed op n.v.

Dexia Lease Belgium met het oog op het afsluiten van herfinancieringsovereenkomsten, heeft n.v. MTC in het kader van één en dezelfde operatie diverse trucks verkocht aan appellante, die deze trucks daarna terug aan n.v. MTC in leasing gaf; de zogenaamde sale en lease back operatie.

Bij brief van 14 augustus 2003 deelde de raadsman van geïntimeerde aan appellante mee dat zij - overeenkomstig haar algemene verkoopsvoorwaarden - exclusieve eigenaar is en blijft van de aan n.v. MTC verkochte vorkheftrucks tot zolang deze niet volledig betaald zijn.

In een antwoordbrief van 20 augustus 2003 betwistte appellante deze aanspraak van geïntimeerde, waarop geïntimeerde dan weer meedeelde dat zij het standpunt van appellante niet kon bijtreden.

Nadat n.v. MTC op 26 september 2003 in faling werd verklaard en appellante het door geïntimeerde ingeroepen eigendomsvoorbehoud bleef betwisten, nam laatstgenoemde bij dagvaarding van 20 oktober 2003 het initiatief tot de procedure.

[ ... ]

8. Naar het oordeel van het hof stelt appellante verder ten onrechte dat zij niet wist en ook niet behoorde te weten dat de heftrucks geen eigendom waren van n.v. MTC, dat zij deze te goeder trouw aankocht en dat zij zich dan ook kan beroepen op art. 2279 B.W en haar geen tekortkoming of fout kan worden ten laste gelegd.

Het hof verwijst appellante vooreerst naar de relevante overwegingen van de eerste rechter die het volledig bijtreedt :

«In het kader van een sale and lease back operatie mag van een leasingmaatschappij dan ook worden verwacht dat zij de titel van haar rechtsvoorganger nagaat, teneinde zekerheid te verwerven omtrent haar eigendom.

[Appellante} kan niet gevolgd worden waar zij stelt dat zij enkel het materieel financiert "waarbij de kredietwaardigheid van de aanvrager bepalend is voor het al dan niet toestaan van de leasing en het te financieren materieel slechts als bijkomende waarborg dient voor de terugbetaling van het krediet".

Vermits het verwerven van de eigendom van het geleasde goed essentieel is als zekerheid voor een leasingmaatschappij en vermits haar dagelijkse activiteiten erin bestaan goederen aan te kopen om ze daarna door middel van leasing weer ter beschikking te stellen, kan van de leasingmaatschappij een zodanige zorgvuldigheid worden geëist dat minstens de nodige documenten hieromtrent gecontroleerd worden.

Het nalaten hiervan impliceert naar het oordeel van de rechtbank een tekortkoming aan haar onderzoeksplicht».

Het hof voegt daaraan nog het volgende toe.

Alhoewel de derde-verkrijger zijn goede trouw niet dient te bewijzen (art. 2268 B.W) en dus in beginsel mag afgaan op het feitelijk bezit van de vervreemder, betekent zulks evenwel niet dat hij van elke onderzoeksplicht is ontslagen.

In casu is het Hof van oordeel dat appellante die, bij de koop van de heftrucks met de daaraan gekoppelde terugleasing, naliet om zich de nodige documenten te doen overleggen en/of zich te vergewissen van de daadwerkelijke eigendomsrechten die n.v. MTC op de heftrucks kon laten gelden, zich niet langer op haar goede trouw kan beroepen.

Goede trouw kan immers enkel worden weerhouden indien de derde-verkrijger niet wist en ook niet behoorde te weten dat de vervreemder beschikkingsonbevoegd was.

Appellante die bij gebrek aan goede trouw de bescherming van art. 2279 B.W niet kan inroepen, kan dan ook niet worden bijgetreden waar zij stelt dat zij als koper te goeder trouw op rechtmatige wijze de volwaardige eigendom over de heftrucks heeft verworven.

Deze conclusie geldt eens te meer nu appellante als professionele kredietverstrekker wel degelijk vertrouwd is met het eigendomsvoorbehoud. Het feit dat zij in de met n.v. MTC afgesloten leasingcontracten zelf een beding van eigendomsvoorbehoud inlast, laat hieromtrent niet de minste twijfel bestaan en bevestigt dat appellante zich diende te vergewissen van de daadwerkelijke eigendomsrechten van n.v. MTC.

[ ... ]
 

Noot: 

zie ook: K. VANHOVE, «Bezit en revindicatie bij sale and lease back», NjW, 2003, (150) 154-155, nr. 15-20 en C. DEHOUCK, « Sale and lease back», in P. BESELAERE, 0. LENAERTS, B. TrLLEMAN en A. VERBEKE, (ed.), Handboek leasing, Brugge, die Keure, 2007, (225) 237, nr. 22.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 25/07/2016 - 14:15
Laatst aangepast op: ma, 25/07/2016 - 14:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.