-A +A

Dawangsom in latere uitspraak

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 11/05/2010

Nadat de rechter met betrekking tot het stedenbouwmisdrijf de hoofdveroordeling heeft uitgesproken, kan de dwangsom op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur in een latere uitspraak worden opgelegd, op voorwaarde dat de eerdere uitspraak het herstel van de plaats in de vorige staat heeft bevolen en daarbij de oplegging van een dwangsom niet heeft uitgesloten; de vaststelling dat de rechter die de hoofdveroordeling heeft uitgesproken, zijn rechtsmacht over de hoofdveroordeling heeft uitgeput en niets heeft aangehouden, doet hieraan geen afbreuk.

Publicatie
tijdschrift: 
Juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.09.1671.N
GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van de provincie West-Vlaanderen, met kantoor te 8000 Brugge, Werkhuisstraat 9,
eiser tot herstel,
eiser,

tegen
J.-M. R. P.
beklaagde,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 16 oktober 2009.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. VOORAFGAANDE FEITEN EN RECHTSPLEGINGEN
Een arrest van het hof van beroep te Gent van 27 juni 1984 veroordeelt de verweerder strafrechtelijk om zonder voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen een stal van 9,22 m op 27,58 m te hebben opgericht op een perceel bouwland te Brugge, Waterhofstedelaan.

Dit arrest bevestigt het beroepen vonnis van de correctionele rechtbank te Brugge van 11 januari 1982 dat de verweerder veroordeelt de plaats binnen een jaar in de vorige staat te herstellen. Dit arrest legt geen dwangsom op, maar het machtigt de eiser en het college van burgemeester en schepenen over te gaan tot ambtshalve uitvoering indien de verweerder in gebreke zou blijven.

De eiser betekent het arrest op 16 juli 2002 aan de verweerder.

De verweerder breekt inmiddels wel de stal af maar niet de grondplaat.

Op 9 februari 2009 dagvaardt de eiser de verweerder voor het hof van beroep te Gent "tot het uitvoeren van het definitief rechterlijk bevel vervat in het arrest van 27 juni 1984, nl. het bevel om de toestand in zijn oorspronkelijke [toestand] te herstellen, en dit binnen een termijn van zes maanden na de betekening van het arrest en dit onder verbeurte van een dwangsom van 125,00 euro per dag vertraging in de nakoming van dit bevel".
Het bestreden arrest van 16 oktober 2009 verklaart het hof van beroep zonder rechtsmacht om over deze vordering te oordelen.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
1. Krachtens artikel 1385bis, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, eerste lid, Dwangsomwet, kan de rechter op vordering van één der partijen de wederpartij veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval dat aan de hoofdver¬oor¬deling niet wordt voldaan, onverminderd het recht op schadevergoeding indien daartoe gronden zijn en kan een dwangsom echter niet worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom, noch ten aanzien van de vorderingen ter zake van de nakoming van arbeidsovereenkomsten.
Krachtens artikel 1385bis, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, tweede lid, Dwangsomwet, kan de dwangsom ook voor het eerst in verzet of in hoger beroep worden gevorderd.

2. Uit arresten van het Benelux-Gerechtshof van 17 december 2009 (A 2008/2 en A 2008/3) volgt dat:
- artikel 1, § 1 en § 2, Dwangsomwet aldus moet worden uitgelegd dat de hoofdveroordeling en de veroordeling tot betaling van een dwangsom niet noodzakelijk in een en dezelfde uitspraak moeten worden vervat; de dwang¬som kan ook in een latere uitspraak worden opgelegd;
- artikel 1, § 1 en § 2, Dwangsomwet aldus moet worden uitgelegd dat een latere uitspraak over de dwangsom niet noodzakelijk moet uitgaan van de rechter die de hoofdveroordeling heeft uitgesproken;
- artikel 1, § 1 en § 2, Dwangsomwet aldus moet worden uitgelegd dat in geval de rechter die de hoofdveroordeling heeft uitgesproken, zonder voorbehoud en beredeneerd de oplegging van een dwangsom uitsluit, noch hij noch een andere rechter een dwangsom alsnog kunnen opleggen; dit evenwel niet belet dat wanneer krachtens het nationale recht de inhoud van de hoofdveroordeling ingevolge gewijzigde omstandigheden opnieuw aan een rechter kan worden voorgelegd, de rechter in dit kader alsnog een dwangsom of gewijzigde dwangsom kan opleggen.

3. Krachtens artikel 65, § 1, eerste lid, Stedenbouwwet en artikel 68, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1996, beveelt de rechtbank benevens de straf, op vordering van de gemachtigde ambtenaar of van het college van burgemeester en schepenen, maar met hun gezamenlijk akkoord in de sub b en c bedoelde gevallen: a. ofwel de plaats in de vorige staat te herstellen; b. ofwel bouwwerken of aanpassingswerken uit te voeren; c. ofwel een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen.

Krachtens artikel 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999 wordt eenzelfde herstelmaatregel naast de straf bevolen op vordering van de stedenbouwkundige inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen bedoeld in artikel 146 werden uitgevoerd.
Volgens artikel 149, § 1, laatste lid, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt de rechtbank een termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen en kan deze, op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen, eveneens een dwangsom bepalen per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregelen.

4. Die wettelijke bepalingen wijken niet af van de gemeenrechtelijke bepalingen inzake de dwangsom.

5. Uit het voorgaande volgt dat de dwangsom op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur in een latere uitspraak kan worden opgelegd op voor¬waarde dat de eerdere uitspraak het herstel van de plaats in de vorige staat heeft bevolen en die eerdere uitspraak daarbij de oplegging van een dwangsom niet heeft uitgesloten.

De vaststelling dat de rechter die de hoofdveroordeling heeft uitgesproken, zijn rechtsmacht over de hoofdveroordeling heeft uitgeoefend en niets heeft aangehouden, doet hieraan geen afbreuk.

6. De appelrechters die anders oordelen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.
Het middel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
Veroordeelt de verweerder in de kosten.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Begroot de kosten op 393,15 euro waarvan 116,62 euro verschuldigd is en 276,53 euro betaald.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kame

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 31/10/2011 - 14:44
Laatst aangepast op: ma, 31/10/2011 - 14:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.