-A +A

Dagvaardingstermijn kortgeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 29/03/2012

De vorderingen voor de beslagrechter worden ingeleid en behandeld zoals in kort geding (art. 1395, tweede lid Ger.W.). De inleiding en de behandeling van de zaken vinden dus plaats volgens art. 1035-1041 Ger.W.

Krachtens art. 1035, tweede lid Ger.W. bedraagt de termijn van dagvaarding in kort geding in de regel ten minste twee dagen. Een beschikking van de voorzitter van de rechtbank in de zin van art. 1036 Ger.W. (op eenzijdig verzoekschrift) ligt niet voor. Het gaat om een minimumwachttermijn tussen de datum van de betekening van het dagvaardingsexploot aan de gedaagde partij en de inleidingszitting voor de rechter waarop zij wordt uitgenodigd om te verschijnen. De wachttermijn behelst “vrije dagen” (J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 352, nr. 724), zij het dat deze termijn alle dagen omvat, ook zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen (M. Castermans, Gerechtelijk privaatrecht, Gent, Story-Scientia, 2009, p. 84, nr. 111 en p. 290, nrs. 393-394).

Tijdens deze termijn kan de gedaagde partij zich beraden en de nodige maatregelen treffen tot haar verdediging of tot vrijwaring van haar belangen. Zij kan niet worden verplicht voor de rechter te verschijnen vóór het verstrijken ervan. De termijn is daarom uitdrukkelijk op straffe van (absolute) nietigheid voorgeschreven (art. 710, eerste lid en art. 862, § 1, 1o Ger.W.). De rechter moet de nietigheid ambtshalve opwerpen (art. 862, § 2 Ger.W.), terwijl de verplichting voor de gedaagde partij om ze in limine litis voor te dragen, niet speelt (art. 864 Ger.W.).

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
1588
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

F. en I. t/ M. e.a.

...

II. Dagvaardingstermijn

De vorderingen voor de beslagrechter worden ingeleid en behandeld zoals in kort geding (art. 1395, tweede lid Ger.W.). De inleiding en de behandeling van de zaken vinden dus plaats volgens art. 1035-1041 Ger.W.

Krachtens art. 1035, tweede lid Ger.W. bedraagt de termijn van dagvaarding in kort geding in de regel ten minste twee dagen. Een beschikking van de voorzitter van de rechtbank in de zin van art. 1036 Ger.W. (op eenzijdig verzoekschrift) ligt niet voor. Het gaat om een minimumwachttermijn tussen de datum van de betekening van het dagvaardingsexploot aan de gedaagde partij en de inleidingszitting voor de rechter waarop zij wordt uitgenodigd om te verschijnen. De wachttermijn behelst “vrije dagen” (J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 352, nr. 724), zij het dat deze termijn alle dagen omvat, ook zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen (M. Castermans, Gerechtelijk privaatrecht, Gent, Story-Scientia, 2009, p. 84, nr. 111 en p. 290, nrs. 393-394).

Tijdens deze termijn kan de gedaagde partij zich beraden en de nodige maatregelen treffen tot haar verdediging of tot vrijwaring van haar belangen. Zij kan niet worden verplicht voor de rechter te verschijnen vóór het verstrijken ervan. De termijn is daarom uitdrukkelijk op straffe van (absolute) nietigheid voorgeschreven (art. 710, eerste lid en art. 862, § 1, 1o Ger.W.). De rechter moet de nietigheid ambtshalve opwerpen (art. 862, § 2 Ger.W.), terwijl de verplichting voor de gedaagde partij om ze in limine litis voor te dragen, niet speelt (art. 864 Ger.W.).

De eisers hebben hun dagvaarding aan de verweerders (allen met adressen in België) laten betekenen op vrijdag 23 maart 2012 om te verschijnen voor de beslagrechter op dinsdag 27 maart 2012. Op die manier hebben zij de geldende dagvaardingstermijn niet miskend. Drie vrije dagen zitten tussen de datum van de betekening en de inleidingszitting.

De dagvaarding is derhalve niet nietig, ook niet wat betreft de derde verweerster, die niet is verschenen. Zij kan worden verondersteld de nodige maatregelen te hebben kunnen nemen tot haar verdediging of tot vrijwaring van haar belangen. Zij heeft de dagvaarding ook in persoon (via een aangestelde) in ontvangst genomen.

De eerste/tweede/vierde verweerders zijn wel verschenen met bijstand van een advocaat, zodat hoe dan ook kan worden aangenomen dat, zelfs in geval van miskenning van de geldende dagvaardingstermijn, het normdoel is bereikt (art. 867 Ger.W.).

III. Relevante elementen

1. Bij vonnis van 21 september 2009 veroordeelt de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent de eerste eiser tot betaling aan schuldeiser M. van een bedrag van 20.483,50 euro, vermeerderd met de interesten, provisies en kosten (verminderd met een betaling ten bedrage van 371,84 euro).

Na de betekening van dit voorlopig uitvoerbare vonnis aan de eerste eiser op 16 oktober 2009, na de betekening van een bevel tot betalen aan de eerste eiser op 7 december 2009 (met navolgende overschrijving in het register van de bevoegde hypotheekbewaarder) en na de betekening van een bevel voorafgaand aan uitvoerend beslag op onroerend goed aan de eerste eiser op 5 mei 2010 (en aan de tweede eiseres, met navolgende overschrijving in het register van de bevoegde hypotheekbewaarder), laat schuldeiser M. overgaan tot uitvoerend beslag op onroerend goed ten laste van de eerste eiser op 17 augustus 2010 (met gelijktijdige aanzegging aan de tweede eiseres en met navolgende overschrijving in het register van de bevoegde hypotheekbewaarder).

Het voorwerp van deze tenuitvoerlegging op onroerend goed behelst het onverdeelde aandeel van de eerste eiser in (1) een park te S. en (2) een woning te S. De eerste eiser is samen met de tweede eiseres (zijn echtgenote, met wie hij in 1972 huwde onder een bedongen stelsel tot scheiding van goederen) onverdeelde eigenaar van deze in 1993 aangekochte onroerende goederen.

Gelet op deze onverdeeldheid weigert de beslagrechter te Gent, bij beschikking van 30 september 2010, in te gaan op het verzoek van schuldeiser M. tot aanstelling van een notaris (art. 1580 Ger.W.). Schuldeiser M. dient immers, alvorens zijn beslag op het onverdeelde aandeel van de eerste eiser in voormelde onroerende goederen te kunnen vervolgen, de uitonverdeeldheidtreding na te streven (art. 1561 Ger.W.).

2. Bij notariële akte van 28 mei 2001 staat de NV C. aan de eisers een hypothecaire lening toe ten bedrage van 99.157,41 euro in hoofdsom tegen een interestvoet van 6,10% per jaar.

Het voorwerp van de hypothecaire waarborg behelst voormelde onroerende goederen.

Gelet op de wanbetaling van de eisers, laat schuldeiser C., na een vergeefse poging tot minnelijke schikking in de zin van art. 59 van de Wet op het Hypothecair Krediet, op 7 september 2010, na de betekening van een bevel voorafgaand aan uitvoerend beslag op onroerend goed aan de eisers op 20 oktober 2010, overgaan tot uitvoerend beslag op onroerend goed ten laste van de eisers op 12 januari 2011.

3. De bevoegde hypotheekbewaarder van het tweede hypotheekkantoor te Gent weigert evenwel de overschrijving van dit tweede beslag, gelet op het eerdere beslag van 17 augustus 2010 (art. 1571 Ger.W.).

Om die reden geeft schuldeiser M. bij brief van 4 februari 2011 aan schuldeiser C. te kennen bereid te zijn met zijn indeplaatsstelling en met het toezenden van de nodige stukken van tenuitvoerlegging (art. 1610 Ger.W.). Schuldeiser M. geeft daarbij aan dat hij toch eerst de uitonverdeeldheidtreding zou moeten benaarstigen en daarvan nu op die manier wordt bevrijd.

4. Bij beschikking van 27 april 2011 gaat de beslagrechter te Gent in op de vordering tot indeplaatsstelling van schuldeiser C., met aanstelling van notaris C. met het oog op de openbare verkoop van de beslagen onroerende goederen en het opstellen van de rangregeling.

Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 15 juni 2011 laat schuldeiser C. deze beschikking aan de eisers betekenen.

5. Bij dagvaarding van 15 juli 2011 en nadien bij conclusie verzetten de eisers zich tegen voormelde beschikking tot indeplaatsstelling. Volgens de eisers (1) zouden het beslag van 12 januari 2011 (waarop de indeplaatsstelling is toegestaan) en het eerdere beslag van 17 augustus 2010 niet dezelfde onroerende goederen betreffen en (2) zou schuldeiser C. door de indeplaatsstelling enkel het eerdere beslag op het onverdeelde aandeel van de eerste eiser in voormelde onroerende goederen kunnen vervolgen en niet zijn (meer omvattende) beslag (op het geheel van voormelde onroerende goederen).

Schuldeiser C., die conclusie neemt tot afwijzing van dit (derden)verzet, beoogt, bij wijze van tegenvordering, de verlenging van het bij de beroepen beschikking van 27 april 2011 verleende mandaat aan notaris C.

6. Bij vonnis van 3 januari 2012 wijst de beslagrechter het verzet en de vordering van de eisers af als ongegrond.

Ingaande op de tegenvordering van schuldeiser C., (her)benoemt de beslagrechter notaris C. met de opdracht over te gaan tot de openbare verkoop van voormelde onroerende goederen en tot de verrichtingen van rangregeling. De beslagrechter verstaat daarbij dat, met toepassing van art. 1581 e.v. Ger.W., de verkoop zal gebeuren binnen zes maanden na het voorliggende vonnis. De beslagrechter verstaat daarbij voorts dat de in art. 1583 Ger.W. bedoelde kosten ten laste van de koper zullen vallen.

Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 27 januari 2012 laat schuldeiser C. deze beschikking aan de eisers betekenen.

7. Schuldeiser C. geeft vervolgens (mede bij brief van 13 februari 2012) instructie aan notaris C. om de openbare verkoop van voormelde onroerende goederen en de verrichtingen van rangregeling te benaarstigen.

Blijkens de door notaris C. opgevraagde hypothecaire getuigschriften (van 18 juli 2011 en 19 januari 2012) met betrekking tot voormelde onroerende goederen zijn er verschillende schuldeisers met een hypothecaire inschrijving: de fiscus/het ontvangkantoor Deinze, schuldeiser C. en schuldeiser F. Schuldeiser M. heeft, zoals voormeld, zowel de betekening van het bevel van 7 december 2009 en het bevel voorafgaand aan uitvoerend beslag op onroerend goed van 5 mei 2010 als het uitvoerend beslag op onroerend goed van 17 augustus 2010 laten overschrijven in het register van de hypotheekbewaarder.

Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 22 februari 2012 maant notaris C. de samenlopende schuldeisers en de eisers aan om inzage te nemen in het lastenkohier en de verkoopsvoorwaarden (van 17 februari 2012) en om aanwezig te zijn bij de toewijzing op 29 maart 2012 (art. 1582, eerste tot derde lid Ger.W.).

8. Blijkens een brief van 15 maart 2012 geeft schuldeiser C. aan te zijn voldaan en zodoende niet verder aan te dringen op de geplande openbare verkoop, op voorwaarde dat zij niet moet instaan voor de staat van kosten en ereloon van notaris C.

IV. Vordering

1. Bij dagvaarding van 23 maart 2012 verzetten de eisers zich tegen tenuitvoerlegging op onroerend goed na voormelde betekening van de verkoopsvoorwaarden.

Zij voeren allereerst aan dat de bedoelde procedure van tenuitvoerlegging op onroerend goed een onregelmatig karakter vertoont, omdat (1) schuldeiser C. is voldaan en (2) schuldeiser M., alvorens zijn beslag op het onverdeelde aandeel van de eerste eiser in voormelde onroerende goederen te kunnen vervolgen, de uitonverdeeldheidtreding moet nastreven (art. 1561 Ger.W.).

Zij betogen voorts dat het voorwerp van het beslag (onroerende goederen met een beweerde riante venale waarde), wat betreft schuldeiser M., buiten proportie staat met de oorzaak van zijn beslag (een schuldvordering van ongeveer 60.000 euro). Zij beogen uitstel van executie met twee maanden teneinde hen in staat te stellen het meer beperkte vermogensbestanddeel waarover de discussie ten gronde met schuldeiser M. draait (een waardevol schilderij), te gelde te maken.

Zij beweren tot slot dat het in voormelde optiek (waarbij schuldeiser C. is voldaan, zij het dat de staat van kosten en ereloon van notaris C. nog niet is voldaan) niet opgaat om, enkel op instructie van schuldeiser M. (en gebeurlijk de fiscus), de tenuitvoerlegging te vervolgen. Met schuldeiser F. zou een akkoord kunnen worden gesloten om geen verdere acties te ondernemen. Gelet op de naar het oordeel van de eisers bestaande manifeste wanverhouding tussen hun schuldenlast en het voorwerp van het beslag, willen zij het voorwerp van het beslag (met toepassing van art. 1565, tweede lid Ger.W.) zien beperken (tot het bedoelde park).

2. De aanwezige partijen ter terechtzitting van 27 maart 2012 betogen nadrukkelijk dat het manifest onregelmatige en te laat ingestelde verzet niet kan slagen.

V. Beoordeling

1. De vordering is niet ontvankelijk.

De aanmaning om kennis te nemen van het lastenkohier en de verkoopsvoorwaarden en om aanwezig te zijn bij de geplande toewijzing is een scharnierpunt in de procedure tot tenuitvoerlegging op onroerend goed (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 572-573, nr. 932).

Krachtens art. 1622, tweede lid Ger.W. dienen gebeurlijke onregelmatigheden en nietigheden van handelingen vóór de toewijzing op straffe van verval binnen acht dagen te worden aangebracht, en dit door middel van een vordering tot nietigverklaring via dagvaarding voor de beslagrechter (R. Jansen en A. Michielsens, Notarieel executierecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 138-139, nrs. 167-168).

Krachtens art. 1582, vierde lid Ger.W. dient gebeurlijk inhoudelijk verzet tegen de verkoopsvoorwaarden eveneens op straffe van verval binnen acht dagen te worden aangebracht, en dit bij de instrumenterende notaris (R. Jansen en A. Michielsens, Notarieel executierecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 140-142, nrs. 171-173).

Alleen al om die reden kan het manifest te laat ingestelde verzet (bij dagvaarding van 23 maart 2012, terwijl de bedoelde aanmaning op 22 februari 2012 heeft plaatsgevonden) niet slagen. Dit geldt evengoed in zoverre de eisers, gelet op de naar hun oordeel bestaande manifeste wanverhouding tussen hun schuldenlast en het voorwerp van het beslag, het voorwerp van het beslag (met toepassing van art. 1565, tweede lid Ger.W.) willen zien beperken (tot het bedoelde park) (Cass. 6 mei 1983, RW 1983-84, 2166). Trouwens, een verzoek met toepassing van art. 1565, tweede lid Ger.W. zou al zijn uitgesloten na de overschrijving van het beslagexploot (V. Van Herreweghe, Beslagzakboekje, Mechelen, Kluwer, 2009, p. 321, nr. 1005; zie ook: E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 539, nr. 877).

2. De eisers moeten voorts inzien dat, ingevolge de kantmelding van de bedoelde aanmaning (om kennis te nemen van het lastenkohier en de verkoopsvoorwaarden en om aanwezig te zijn bij de geplande toewijzing), een procedurele gemeenmaking plaatsvindt (art. 1584 Ger.W.). De uitwinning wordt collectief, zodat (1) de executie voortaan door elk van de betrokken schuldeisers kan worden voortgezet (art. 1586 Ger.W.); (2) een afstand van executie door (een van) de oorspronkelijke beslaglegger(s) de executie niet meer beëindigt; (3) integendeel, de beëindiging van de executie enkel kan met instemming van alle betrokken schuldeisers (R. Jansen en A. Michielsens, Notarieel executierecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 136-138, nr. 165). Een betaling aan (een van) de oorspronkelijke beslaglegger(s) volstaat niet meer om de tegeldemaking te beletten (R. Jansen en A. Michielsens, Notarieel executierecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 138, nr. 166).

Zowel schuldeiser M. als de fiscus kunnen de executie verder benaarstigen. Voorts beweren de eisers zonder enig spoor van bewijs daaromtrent bij te brengen en derhalve tevergeefs dat met schuldeiser F. een akkoord zou kunnen worden gesloten om geen verdere acties te ondernemen. Dat schuldeiser M. handelt op basis van een uitvoerbare titel die de eisers in hoger beroep bestrijden (en waarbij eerstdaags een uitspraak zou tussenkomen), is zijn eigen risico (art. 1398, tweede lid Ger.W.).

Zoals reeds aangegeven in het voormelde vonnis van de beslagrechter van 3 januari 2012, schort er niets aan de indeplaatsstelling van schuldeiser C. (Luik 29 mei 2006, Rev.not.b. 2006, 712, noot G. De Leval; R. Jansen en A. Michielsens, Notarieel executierecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 144, nr. 176.

Er heerste procedurele consensus tussen schuldeiser M. als eerste beslaglegger en schuldeiser C. als tweede beslaglegger. Nu schuldeiser M. als eerste beslaglegger op het onverdeelde aandeel van de eerste eiser in voormelde onroerende goederen botste op art. 1561 Ger.W., kon schuldeiser C. als tweede beslaglegger een beslag op het geheel van voormelde onroerende goederen verhelpen. Indeplaatsstelling was mogelijk en zodoende de vervolging van de tenuitvoerlegging door schuldeiser C. op basis van het beslag van schuldeiser M. en zijn eigen beslag. Op die manier kon schuldeiser C. de openbare verkoop van voormelde onroerende goederen benaarstigen.

Daar die uitwinning collectief is geworden, heeft zij voormelde gevolgen. De executie kan door elk van de betrokken schuldeisers worden voortgezet, terwijl (1) een afstand van executie door (een van) de oorspronkelijke beslaglegger(s) de executie niet meer beëindigt en (2) integendeel, de beëindiging van de executie enkel mogelijk is met instemming van alle betrokken schuldeisers. Art. 1561 Ger.W. is niet meer aan de orde.

3. De eisers moeten tot slot inzien dat een beslag slaat op het integrale voorwerp ervan, ongeacht de oorzaak ervan (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 30, nr. 41). Het beslag brengt de integrale onbeschikbaarheid van het voorwerp ervan mee, ook al overtreft dit de schuldvordering waarvoor het beslag wordt gelegd. Wil de beslagene deze onbeschikbaarheid temperen, dan dient hij zijn toevlucht te nemen tot het kantonnement (art. 1403-1405 Ger.W.) of een andere zekerheid die de beslaglegger aanvaardt.

Dat de beslagleggende schuldeiser het voorwerp van het beslag niet noodzakelijk moet afstemmen op de oorzaak van het beslag, houdt vanzelfsprekend verband met het gegeven dat hij in geval van samenloop het voorwerp van het beslag zal verdeeld zien (zie ook: E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 511 e.v., nrs. 829 e.v.).

Voorts geniet de beslagleggende schuldeiser een keuzerecht (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 30-31, nr. 42, p. 95, nr. 115, p. 351, nr. 517 en p. 529-530, nr. 861), zonder dat daarom lichtzinnigheid of misbruik aan de orde is.

Misbruik van executierecht van schuldeiser M. is hoe dan ook niet bewezen.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 03/06/2015 - 12:42
Laatst aangepast op: wo, 03/06/2015 - 12:42

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.