-A +A

Dagvaarding in kortgeding stuit de verjaring niet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 06/02/2015
A.R.: 
C.13.0176.N

Overeenkomstig art. 2244, § 1, eerste en tweede lid BW vormen een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting. Een dagvaarding voor het gerecht stuit de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.

Onder een dagvaarding voor het gerecht in de zin van art. 2244, § 1 BW moet worden verstaan, het instellen van een rechtsvordering waarbij een schuldeiser het bedreigde recht dat aan verjaring is onderworpen, ten gronde wil laten erkennen.

Een dagvaarding in kort geding die strekt tot het nemen van bewarende maatregelen in spoedeisende gevallen of tot het bevelen van een onderzoek naar de oorzaken van een schade, leidt bijgevolg geen vordering in zoals bedoeld in art. 2244, § 1 BW.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
542
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.13.0176.N

J.V.P., J.D.V. en NV K.V. t/ G.G., B.Q. en D.D.S.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 6 januari 2012.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Overeenkomstig art. 2244, § 1, eerste en tweede lid BW vormen een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting. Een dagvaarding voor het gerecht stuit de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.

2. Onder een dagvaarding voor het gerecht in de zin van art. 2244, § 1 BW moet worden verstaan, het instellen van een rechtsvordering waarbij een schuldeiser het bedreigde recht dat aan verjaring is onderworpen, ten gronde wil laten erkennen.

Een dagvaarding in kort geding die strekt tot het nemen van bewarende maatregelen in spoedeisende gevallen of tot het bevelen van een onderzoek naar de oorzaken van een schade, leidt bijgevolg geen vordering in zoals bedoeld in art. 2244, § 1 BW.

3. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Noot: 

Zie ook:

• Gent 29 april 1968, RGAR 1970, nr. 8372;

• Gent 25 april 1969

• Kh. Oostende 14 maart 1968, De Verz. 1971, 501, noot A.T.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 27/01/2017 - 13:04
Laatst aangepast op: vr, 27/01/2017 - 13:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.