-A +A

Dagvaarding in kortgeding stuit de verjaring niet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 06/02/2015
A.R.: 
C.13.0176.N

Onder een dagvaarding voor het gerecht in de zin van artikel 2244, §1, Burgerlijk Wetboek moet worden verstaan, het instellen van een rechtsvordering waarbij een schuldeiser het bedreigde recht dat aan verjaring is onderworpen, ten gronde wil laten erkennen (1); een dagvaarding in kort geding die strekt tot het nemen van bewarende maatregelen in spoedeisende gevallen of tot het bevelen van een onderzoek naar de oorzaken van een schade, leidt bijgevolg geen vordering in zoals bedoeld in artikel 2244, §1, Burgerlijk Wetboek. (1) Zie Cass. 7 juni 2012, AR C.11.0498.N, AC 2012, nr. 372.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.13.0176.N
1. J. V. P.,
2. J. D. V.,
3. KBC VERZEKERINGEN nv, met zetel te 3000 Leuven, Professor Roger Van Overstraetenplein 2,
eisers,

tegen
1. G. G.,

2. B. Q.,
verweerders,
3. D. D. S., wonende te 9150 Kruibeke (Bazel), Lamperstraat 38,
derde verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 6 januari 2012.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Overeenkomstig artikel 2244, § 1, eerste en tweede lid, Burgerlijk Wetboek vormen een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, be-tekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stui-ting. Een dagvaarding voor het gerecht stuit de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.

2. Onder een dagvaarding voor het gerecht in de zin van artikel 2244, § 1, Burgerlijk Wetboek moet worden verstaan, het instellen van een rechtsvordering waarbij een schuldeiser het bedreigde recht dat aan verjaring is onderworpen, ten gronde wil laten erkennen.

Een dagvaarding in kort geding die strekt tot het nemen van bewarende maatrege-len in spoedeisende gevallen of tot het bevelen van een onderzoek naar de oorzaken van een schade, leidt bijgevolg geen vordering in zoals bedoeld in artikel 2244, § 1, Burgerlijk Wetboek.

3. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eisers tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eisers op 1224,91 euro en voor de derde verweerder op 638,47 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Noot: 

Art. 2244 B.W. bepaalt dat een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting vormen. Buiten de zich te dezen niet voordoende gevallen van hoofdelijkheid en ondeelbaarheid en tenzij de wet anders bepaalt, heeft de stuiting van de verjaring die het gevolg is van één van deze daden, enkel gevolgen voor de personen die daarbij partij zijn geweest en komt de door één van de schuldeisers verkregen verjaring derhalve de andere schuldeisers niet ten goede.

Indien de betaling niet op vrijwillige basis gebeurt, maar het gevolg is van een gedwongen uitvoering, is er geen sprake van een stuitende schulderkenning. (Arbh. Brussel 28 juni 2012, JTT 2012) Een vrijwillige betaling onder de loutere dreiging van uitvoeringsmaatregelen volstaat daarentegen niet om het vrijwillig en dus stuitend karakter van de betalingen weg te nemen. (Gent 16 oktober 2012, P&B 2013, 83) Centraal staat bijgevolg telkens de vraag in welke omstandigheden de betaling is gebeurd, en een schuldenaar die wil vermijden dat een (gedeeltelijke) betaling als een stuitende schulderkenning zal gelden, dient een dergelijke betaling steeds te laten vergezellen van zijn ondubbelzinnig voorbehoud om het verschuldigde karakter ervan te betwisten. (M. DE Ruysscher, Burgerlijke stuiting van de bevrijdende verjaring, een stand van zaken, RW 2013-2014, 843)

zie ook: Beslagrechter Gent, 8 mei 2012, NJW, 2013/289, 760 en RW 2014-2015, 186

samenvatting

Een gedeeltelijke betaling van een verjaarde schuld houdt geen afstand van verjaring in voor het saldo.
Een betaling door een schuldenaar van een verjaarde schuld met melding "voor slot van alle rekeningen" is een geldige betaling als uitvoering van een natuurlijke verbintenis maar houdt geen erkenning in voor een restsaldo, laat staan een verjaringstuitende daad.
Eens er een vonnis is verleend heeft een partij geen vorderingsrecht meer op bais van een overeenkomst of een onrechtmatige daad, of de wet, maar een vorderingsrecht op basis van het vonnis, de zogenaamde actio Judicati (of iudicati), Deze vordering verjaart na 10 jaar en kan gestuit worden. Maar een partiële betaling of deelbetaling maakt geen stuiting uit.

tekst vonnis

 

[ ... ]

FB

eiser tot verzet tegen uitvoerend beslag op roerend goed - beslagen schuldenaar,[ ... ]

tegen LAG 2.BM

verweerders - beslagleggende schuldeisers, [ ... ]

[ ... ]

ll. LITIGIEUZE TENUITVOERLEGGING

Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 31 oktober 2011 laten de verweerders

in uitvoering van een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde van 28 april 1992, waarbij deze rechtbank de eiser en zijn toenmalige echtgenote (M V) veroordeelt om aan de verweerders te betalen een bedrag van 400.000 BEF, meer interesten en kosten,

na de betekening van de uitgifte van dit vonnis op 21/25 mei 1992, waarna het, bij gebrek aan hoger beroep, in kracht van gewijsde is getreden, na de betekening van een bevel tot betalen op 3 juli 1996,

na de (deel)betaling door de eiser ten bedrage van 13.299,73 euro op 16 februari 2011,

na de betekening van een bijkomend bevel tot betalen op 10 maart 2011,

ten laste van de eiser uitvoerend beslag op roerend goed leggen op een aantal roerende goederen/inboedel/meubilair die zich op zijn actuele adres te bevinden.

Het exploot van beslag bevat de kennisgeving dat de uitvoering (uitwinning) zal worden vervolgd middels gerechtelijke verkoop op 9 december 2011.

III. VORDERING

1. Bij dagvaarding van 29 november 2011 verzet de eiser zich tegen het voormelde beslag, nu de oorzaak ervan niet langer actueel is. De eiser stelt centraal dat de onderliggende schuldvordering, die voortvloeit uit het voormelde vonnis van 28 april 1992, omwille van verjaring aan actualiteit heeft ingeboet. De uitvoerbare titel waarin zij neerligt, is derhalve niet langer actueel, derwijze dat de tenuitvoerlegging een onrechtmatig karakter vertoont.

In die optiek vordert hij de opheffing van het voormelde beslag.

2. De verweerders als beslagleggende schuldeisers nemen conclusie tot afwijzing van deze vordering.

IV. BEOORDELING

1. Met de eiser is de beslagrechter van oordeel dat de aan de litigieuze tenuitvoerlegging onderliggende schuldvordering, die voortvloeit uit het voormelde vonnis van 28 april 1992, omwille van verjaring aan actualiteit heeft ingeboet. De uitvoerbare titel waarin zij neerligt, is derhalve niet langer actueel, derwijze dat de tenuitvoerlegging een onrechtmatig karakter vertoont.

De zogeheten actio judicati, de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak (zoals het voormelde vonnis van 28 april 1992), is onderworpen aan een verjaringstermijn van tien jaar (in de zin van art. 2262bis, § 1, eerste lid B.W.), ook al gaat het om een veroordeling die is uitgesproken krachtens een schuldvordering waarop een kortere verjaringstermijn van toepassing is (E. DIRIX en K. BROECKX, "Beslag", A.P.R. 2010, p. 171, nr. 238 en p. 363, nr. 538; zie ook: Cass. 18 februari 2010, Pas. 2010, 496; R. DEKKERS en E. DIRIX, Handboek burgerlijk recht, II, Zakenrecht - Zekerheden - Verjaring, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 519, nr. 1242).

Deze bij wet van 10 juni 1998 (B.S. 17 juli 1998) bepaalde verjaringstermijn begint (overgangsrechtelijk gezien) slechts te lopen vanaf de inwerkingtreding ervan. De bedoelde verjaring is zodoende ingetreden op 27 juli 2008, terwijl geen tussentijdse stuitingsdaden voorliggen die maken dat nieuwe termijnen van tien jaar zijn beginnen lopen. De bedoelde verjaring is zodoende ingetreden ten tijde van voormelde litigieuze daden van tenuitvoerlegging: het bevel tot betalen van 10 maart 2011 en het beslag van 31 oktober 2011.

2. De verweerders stellen vergeefs dat de eiser met zijn deelbetaling ten bedrage van 13.299,73 euro op 16 februari 2011 (1) afstand heeft gedaan van een gebeurlijk verkregen verjaring voor het saldo (artt. 2220-2221 B.W.) dan wel (2) de bedoelde (rest)schuld heeft erkend (art. 2248 B.W.).

De eiser heeft de bedoelde deelbetaling uitdrukkelijk gedaan 'tot slot van alle rekeningen tussen de partijen'. Het betrof volgens de eiser zijn aandeel in de bedoelde schuld ten aanzien van de verweerders, terwijl zijn ex-echtgenote (Marijke VAN MULEM) voor het overige aandeel zou moeten instaan.

De bedoelde deelbetaling geldt als uitvoering van een natuurlijke verbintenis en is zodoende niet terugvorderbaar (R. DEKKERS en E. DIRIX, Handboek burgerlijk recht, II, Zakenrecht - Zekerheden - Verjaring, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 527, nr. 1265).

Zij heeft, gelet op de clausulering als zijnde 'tot slot van alle rekeningen', evenwel een beperkte draagwijdte (zie omtrent de wilsautonomie dienaangaande: S. STIJNS, I. SAMOY en A. LENAERTS, "De rol van de wil en het gedrag van partijen bij de bevrijdende verjaring", RW 2010-11, p. 1550 e.v., nrs. 33 e.v.). Zij behelst op die manier geen afstand van de verkregen verjaring voor het saldo (in de zin van de artt. 2220-2221 B.W.). Een afstand moet klaar en duidelijk zijn en mag enkel worden afgeleid uit handelingen die niet anders kunnen worden uitgelegd dan als de wil zich niet op de verjaring te beroepen (Cass. 23 september 1988, RW 1988-89, 649; A. VAN OEVELEN, "Conventionele bedingen inzake de verjaring", in I. CLAEYS (ed.), Verjaring in het privaatrecht ~ Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005, p. 125-126, nr. 6).

Zij behelst op die manier evenmin een erkenning van de bedoelde (rest)schuld (in de zin van art. 2248 B.W.). Een erkenning strekt overigens tot stuiting (Cass. 29 oktober 1990, RW 1990-91, 917; R. DEKKERS en E. DIRIX, Handboek burgerlijk recht, II, Zakenrecht ~ Zekerheden ~ Verjaring, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 515, nr. 1233; C. LEBON, "Stuiting, schorsing en verlenging van verjaringstermijnen", in I. CLAEYS (ed.), Verjaring in het privaatrecht ~ Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005, p. 110-111, nr. 34).

In casu was evenwel ten tijde van de deelbetaling op 16 februari 2011 de verjaring reeds ingetreden. Zij kon op dat ogenblik niet meer worden gestuit. Afstand door de eiser van de reeds verkregen verjaring was daarentegen wel mogelijk. Een afstand met betrekking tot de reeds verkregen verjaring voor het saldo kan echter niet worden gezien in de deelbetaling 'tot slot van alle rekeningen'.

3. De verweerders beroepen zich even vergeefs op het adagium 'contra non valentem agere, non currit praescriptio'. Op grond van dit adagium loopt de verjaring van een vordering niet tegen degene die in de onmogelijkheid verkeert de vordering in te stellen wegens een beletsel. De verjaringstermijn blijft dan geschorst zolang dit beletsel niet is opgeheven. De precieze draagwijdte van het adagium is onzuiver. Het betreft geen algemeen rechtsbeginsel (Cass. 30 juni 2006, J.L.M.B. 2006, 152; S. STIJNS, I. SAMOY en A. LENAERTS, "De rol van de wil en het gedrag van partijen bij de bevrijdende verjaring", RW 2010-11, p. 1555, nr. 52).

Hoe dan ook tonen de verweerders allerminst aan in de onmogelijkheid te

hebben verkeerd om eerder dan (27 juli 2008) te ageren, al was het middels een bijkomend bevel tot betaling. Zij kunnen niet verhelpen met de loze aanvoering dat zij hun schuldvordering te gepasten tijde niet dienstig konden recupereren.

[ ... ]

OP DEZE GRONDEN, DE BESLAGRECHTER,

[ ... ]

zegt voor recht dat het litigieuze uitvoerend beslag op roerend goed (bij gerechtsdeurwaardersexploot van 31 oktober 2011 ten verzoeke van de verweerders en ten laste van de eiser) een onrechtmatig karakter vertoont en derhalve niet kan dienen voor verdere tenuitvoerlegging,

beveelt dientengevolge de opheffing van het uitvoerend beslag op roerend goed, veroordeelt de verweerders om binnen acht dagen na de uitspraak van het voorliggende vonnis vrijwillig opheffing te verlenen van het uitvoerend beslag op roerend goed,

zegt voor recht dat, bij gebrek aan vrijwillige opheffing binnen deze termijn, het voorliggende vonnis als titel tot opheffing zal gelden,

[ ... ]

Noot onder dit vonnis gewezen door voormalig beslagrechter Sven Mosselmans:
A. Vanderhaeghen, Verjaring schuldvordering bij uitvoerend beslag, NJW 289, 762. 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 02/12/2016 - 19:39
Laatst aangepast op: vr, 02/12/2016 - 19:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.