-A +A

Dagvaarding in kort geding stuit niet automatisch de dagvaarding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 19/09/2016
A.R.: 
C.16.0021.F

De dagvaarding voor het gerecht, in de zin van artikel 2244, §1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek is de handeling waarmee een persoon een vordering instelt om het bestaan van een bedreigd recht door het gerecht te doen erkennen.

De dagvaarding in kort geding heeft bijgevolg enkel een stuitende werking als ze een vordering bevat die strekt tot de, desnoods voorlopige, erkenning van het door de verjaring bedreigde recht (1). (1) Het openbaar ministerie oordeelde dat de dagvaarding in kort geding met het oog op het doen nemen van dringende bewarende maatregelen, virtueel de vordering bevatte om dat recht ten gronde te doen erkennen waardoor de verjaring zodoende gestuit wordt.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
822
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.16.0021.F

P.L. en N.L. t/ P.V.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de Rechtbank van Eerste Aanleg Henegouwen van 19 december 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Middel

Krachtens art. 2244, § 1, eerste lid BW vormt een dagvaarding voor het gerecht, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting.

De dagvaarding voor het gerecht is volgens die bepaling de handeling waarmee een persoon een vordering instelt om het bestaan van een bedreigd recht door het gerecht te doen erkennen.

De dagvaarding in kort geding heeft bijgevolg enkel een stuitende werking als ze een vordering bevat die strekt tot de, zij het voorlopige, erkenning van het door de verjaring bedreigde recht.

Het bestreden vonnis stelt enerzijds vast dat de verweerder, bij dagvaarding in kort geding van 21 april 2008, «de onmiddellijke stopzetting» eiste «van het afnemen van water door pompen of van het winnen van bronwater aan het welpunt van de zogeheten «source de Morelmont» of «trou du diable»» en «de hoofdelijke veroordeling van [de eisers]» vorderde «tot het vrijmaken van het welpunt van de bron en het ontdoen van elke obstructie, namelijk van de pomp en van haar klok, op verbeurte van een dwangsom» en dat de verweerder anderzijds, bij dagvaarding van 16 mei 2012, voor de eerste rechter «op grond van art. D.210, § 1, Waterwetboek, de veroordeling van de eisers» vorderde «tot betaling van 385.140,15 euro voor de schade [...], te vermeerderen met de waardevermindering van het goed, die door de landmeter-expert werd geraamd op 90.000 euro».

Het bestreden vonnis, dat beslist dat «in geval van objectieve verantwoordelijkheid art. 2262bis BW van toepassing is» en dat «[de verweerder] omstreeks 2002 de schade en de identiteit kende van de persoon die ervoor verantwoordelijk was [..]», en vervolgens oordeelt dat de dagvaarding in kort geding van 21 april 2008 de vijfjarige verjaring van de vordering tot schadevergoeding heeft gestuit, op grond dat de dagvaarding in kort geding «virtueel de aan de eerste rechter voorgelegde vordering bevatte», schendt de voornoemde wettelijke bepaling.

Het middel is gegrond.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 13/01/2018 - 21:11
Laatst aangepast op: za, 13/01/2018 - 21:11

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.