-A +A

Dagvaarden van de staat in de persoon van een onbevoegd departement

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 15/03/2012
A.R.: 
F.10.0143.N

Hoewel de Staat een en ondeelbaar is en de onderscheiden departementen geen eigen van de Staat onderscheiden rechtspersoonlijkheid hebben, wordt de Staat, in zijn buitengerechtelijke of gerechtelijke verhoudingen met derden, rechtsgeldig vertegenwoordigd door de minister van het departement waarop die verhoudingen betrekking hebben en voor zover die van belang zijn voor de begroting van dat departement (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.

 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2012/11
Pagina: 
711
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. F.10.0143.N
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, administratie van de btw, registratie en domeinen, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12,
eiser,

tegen
1. M. Z.,
2. N. C.,
3. F. V. L.,
4. A. V. L.,
5. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kantoor te 1000 Brussel, Waterloolaan 115,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 30 juni 2010.
Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 10 november 2011 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
1. Krachtens artikel 705, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek wordt de Staat gedagvaard aan het kabinet van de minister tot wiens bevoegdheid het onderwerp van het geschil behoort.
Krachtens artikel 705, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek mag de minister die in de zaak betrokken is, niet betwisten dat het voorwerp van het geschil tot de bevoegdheid van zijn departement behoort, tenzij hij tevens de betrokken minister in zijn plaats stelt, hetgeen geschiedt bij eenvoudige conclusie.
Artikel 705, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat behalve in spoedeisende gevallen, de rechter niettemin aan de Staat uitstel kan verlenen om hem te laten uitmaken welke minister bevoegd is en om hem in zijn verweer te laten voorzien. Die termijn mag niet langer zijn dan een maand.

2. Hoewel de Staat een en ondeelbaar is en de onderscheiden departementen geen eigen van de Staat onderscheiden rechtspersoonlijkheid hebben, wordt de Staat, in zijn buitengerechtelijke of gerechtelijke verhoudingen met derden, rechtsgeldig vertegenwoordigd door de minister van het departement waarop die verhoudingen betrekking hebben en voor zover die van belang zijn voor de begroting van dat departement.
De aanwijzing van een onbevoegd departement als vertegenwoordiger heeft evenwel alleen tot gevolg dat dit departement het bevoegde departement in de plaats kan stellen.

3. Hieruit volgt dat wanneer tussen de departementen hierover onenigheid bestaat de rechter de procedure lastens een van hen kan laten voortgaan en geen in solidum veroordeling moet uitspreken.

4. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat bij wederzijdse bevoegdheidsbetwisting tussen twee of meer ministers, de veroordeling van de Staat in solidum dient te gebeuren lastens elke minister, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

6. De rechter die na een correcte toepassing van artikel 705, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, beslist dat een procedure moet voortgang vinden tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door een bepaalde minister, kan indien de aansprakelijkheid van de Belgische Staat vaststaat, een veroordeling uitspreken ten laste van de Belgische Staat, vertegenwoordigd door deze minister, zonder dat hij de aansprakelijkheid van elk ministerieel departement apart moet beoordelen.
Het onderdeel dat uitgaat, van een andere rechtsopvatting faalt naar recht.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 485,20 euro en voor de vijfde verweerster op 124,04 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer op de openbare rechtszitting van 15 maart 2012

Noot: 

Bernemen, RABG 2011/11 , 711, Over verbeurdverklaring zaken en de subsititutieregeling van artikel 705 van het Gerechtelijk wetboek, 


Enkel de gedinginleidende dagvaarding vereist een betekening  aan het kabinet van de minister tot wiens bevoegdheid het onderwerp van het geschil behoort.bij een procedure ingesteld tegen de Belgische staat.


zie Hof van Beroep Gent 5 april 1995, RW 1996-1997, 734
Belgische Staat t/ M.V.
Bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op 14 mei 1993 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 19 januari 1993 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vijfde kamer.
Dit vonnis werd op 23 maart 1993 betekend aan «de Belgische Staat, voorheen vertegenwoordigd door zijn staatssecretaris voor Institutionele Hervormingen (belast met de herstructurering van het Ministerie van Openbare Werken) waarvan de kantoren gevestigd waren te 1040 Brussel, Wetstraat, nr. 155, maar heden vertegenwoordigd door de eerste minister, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1040 Brussel, Wetstraat, nr. 16».
De geïntimeerde werpt op dat het hoger beroep niet ontvankelijk is wegens laattijdigheid. De appellant betwist dit.
De partijen vragen het Hof te dezen uitspraak te doen omtrent de ontvankelijkheid en eventueel de behandeling ten gronde te verdagen naar een latere zitting.
Het bestreden vonnis werd uitgesproken ten aanzien van «de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Institutionele Hervormingen, belast met de herstructurering van het Ministerie van Openbare Werken, met kabinet te 1210 Brussel, Simon Bolivarlaan, 30». In de hele procedure voor de eerste rechter werd steeds dit adres vermeld.
Het vonnis werd niet betekend aan die staatssecretaris maar wel aan de eerste minister, noch op het adres vermeld in het vonnis. Zelfs het adres van die staatssecretaris (Simon Bolivarlaan, 30 te 1210 Brussel) werd in de betekeningsakte niet vermeld: als diens adres werd opgegeven Wetstraat, 155 te 1040 Brussel.
De betekening geschiedde ook niet aan de minister die de staatssecretaris (vermeld in het vonnis) zou hebben opgevolgd.
Tevergeefs voert de geïntimeerde dan ook aan dat hij geldig kon betekenen op het adres vermeld in het vonnis, in dat vermeld in de inleidende dagvaarding of aan de minister die de bevoegdheden heeft overgenomen: geen van die gevallen deed zich immers voor.
Verder steunt de geïntimeerde op de eenheid van de Belgische Staat en op de bepaling van art. 705 Ger.W.
Ondanks de eenheid van rechtspersoonlijkheid van de Belgische Staat, moet de Staat worden gedagvaard aan het kabinet van de minister tot wiens bevoegdheid het onderwerp van het geschil behoort (art. 705 Ger.W.). Dit artikel bepaalt verder dat de minister niet mag betwisten dat het geschil tot zijn bevoegdheid behoort, tenzij de bevoegde minister in zijn plaats te stellen. Die bepaling geldt enkel voor dagvaardingen die een geschil inleiden.
Te dezen betreft het echter de betekening van een vonnis. Derhalve vindt art. 42, 1°, Ger.W. toepassing: de betekening dient te gebeuren op het kabinet van de minister die bevoegd is om er kennis van te nemen.
Nu de betekening niet gebeurde aan de bevoegde minister, heeft de beroepstermijn geen aanvang genomen door de betekening. Het hoger beroep is derhalve tijdig en rechtsgeldig ingesteld.
Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 10/04/2013 - 22:51
Laatst aangepast op: wo, 04/10/2017 - 16:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.